Meer filosofen in de krant

De universiteit is niet meer de plaats waar de Grote Vragen worden overdacht. De media hebben die taak overgenomen. En daarin ligt de kans voor filosofen. Meer wijsgeren in de media! Om te beginnen in De Groene. (Zie verderop in deze krant.)

IN 1770 DRUKTE de New York Gazette een berijmde verzuchting af, die niet geheel van eigendunk verschoond was:
‘Tis thruth (with deference to the college){ Newspapers are the spring of Knowledge,{ The general source throughout the nation,{ of every modern conversation.{ De achttiende eeuw was het tijdperk waarin kranten en tijdschriften oprukten tot in het hart van het intellectuele leven. Het werd de stilzwijgende plicht van elke citoyen op de hoogte te zijn van alle lopende zaken. Maar de status van dat nieuws was niet onbetwist. Wat was dat voor kennis, die zichzelf voortdurend achterhaalde en slechts een dag geldig bleef? In de ogen van de academici kregen Aristoteles en Vondel vooralsnog gelijk: poezie was hoger dan geschiedenis, blijvende wetenschap hoger dan de waan van de dag, 'eeuwigh gaat voor ooghenblick’.
Maar dat misprijzen was ook van die kant niet geheel zonder inwendige twijfel. De geleerdheid die een wissel trok op de eeuwigheid mocht dan van haar eigen waarde overtuigd zijn, de Gazette had niet geheel ongelijk dat kranten steeds meer de bron werden van every modern conversation. Hoe obscuur de produktie van de 'literaire onderwereld’ van journalisten en publicisten ook mocht zijn, zij had de ideeen van de Verlichting wel gepopulariseerd en mede vorm gegeven. En vooral: ze had ze verbreid.
En daarmee waren die ideeen - zou de filosoof Hegel gezegd hebben - pas werkelijkheid geworden. De academische wereld die bleef schrijven voor de eeuwigheid, veroordeelde zichzelf tot een onwerkelijk bestaan, omdat haar gedachten in die ijle eeuwigheid al snel vervlogen en ze de voeling met de historische en maatschappelijke realiteit verloor. Hoeveel school-filosofen zullen na de Franse revolutie niet radeloos hebben rondgedoold in de nieuwe realiteit die zich aandiende? We weten het niet, want ze zijn bijna allemaal vergeten.
Zo bleek degene die nadrukkelijk schreef voor de eeuwigheid, voorbestemd tot vergetelheid, en maakte wie schreef voor de dag historie. Natuurlijk gold dat laatste slechts in de volle zin voor degenen die zich niet geheel tot de details van het moment hadden beperkt. Ze hadden Leibniz en Newton gelezen en hadden een encyclopedie geschreven. In hen hadden de literaire onderwereld en de academische bovenwereld de blikken steels gekruisd.
HET IS GEEN TOEVAL dat deze ontmoeting tussen filosofie en journalistiek plaatsvond op een moment waarop de geschiedenis haar intrede deed in het maatschappelijk bewustzijn. De vluchtigheid van de krant weerspiegelt op wel heel beeldende wijze de tijdelijkheid van het menselijk bestaan. Hegel, die als eerste de historie tot leidraad van de filosofie maakte, was een gretig krantelezer. Dat lag anders bij Nietzsche, die zijn profeet Zarathustra liet uitvaren tegen de dienaren van de moderne staat: 'Zij kotsen hun gal uit en noemen het krant.’ Nietzsche geloofde niet in de geschiedenis, maar in de apocalyps. Hij geloofde trouwens ook niet in het democratisch gelijkheidsstreven, waarvan de krant met zijn informatie-voor-iedereen misschien wel het belangrijkste instrument is. De krantelezer Hegel was een herkenbaarder incarnatie van het moderne historische besef dan de apocalyptische en waar het de pers betreft enigszins nuffige Nietzsche. Maar een kranteschrijver was Hegel evenmin als Nietzsche een krantelezer was, en die dubbele reserve is ook vandaag de dag nog voelbaar in de Nederlandse filosofiefaculteiten. Wie indruk wil maken op een academische commissie, kan in zijn publikatielijst maar beter geen krantenwerk vermelden. Verre van de status te verhogen, wordt dat eerder in mindering gebracht op de elders behaalde merites.
Maar ook wie solliciteert naar een journalistieke baan, laat zijn filosofische scripties maar liever thuis. Filosofen hebben geen naam hoog te houden wanneer het erom gaat smakelijk verslag te doen van de dagelijkse faits divers. Niet dat een krant daarin anno 1995 zijn belangrijkste bestaansreden vindt, al denken de meeste journalisten nog steeds van wel. Sinds de nieuwsvoorziening is weggesijpeld naar de elektronische media, is in de geschreven pers het achtergrondartikel krachtig opgerukt. Kranten moeten het hebben van de verdieping en de verbreding. Er kwamen vanaf het begin van de jaren zeventig bijlagen bij de krant en parallel daaraan nam ook het aantal doctorandussen op de redactiezalen toe. Zelfs filosofen worden er inmiddels op bescheiden schaal gesignaleerd.
Aan de kant van de filosofiefaculteiten gebeurde iets soortgelijks. Journalistiek is inmiddels een erkend beroepsperspectief en zelfs academisch werkzame filosofen lonken naar de publiciteit van de opiniepagina’s en de weekendbijlagen - maar meestal met grote schroom, alsof het hierbij een vorm van overspel betrof. Zo staan beide kampen weliswaar met de ruggen naar elkaar, maar soms werpen zij elkaar hunkerende blikken toe, waarvoor ze zelden openlijk durven uit te komen. Kranten zijn bang voor het 'beschouwelijke’, zolang de zwaarte daarvan niet door literaire merites of reputaties wordt verzacht. En academici aarzelen om hun tijd te besteden aan artikelen waarvoor snelheid, actualiteit en soms brute beknoptheid is vereist. En bovenal: waarvoor men op de kerfstok van academische prestaties geen punten krijgt toegekend.
DEZE MOEIZAME VERHOUDING tussen journalistiek en de academische wereld is niet specifiek voor de filosofie, maar de situatie van die laatste is wel bijzonder. Dat komt doordat zij ook binnen de moderne universiteit een bijzondere plaats inneemt. 'Wetenschappelijk’ kan men de filosofie niet noemen; ze heeft geen object en nauwelijks een methode. Sterker nog: zodra zij een object en een methode gevonden heeft, heet zij geen filosofie meer, maar krijgt ze de naam van een wetenschap (bijvoorbeeld psychologie of cognitiewetenschap).
En juist met dit wetenschapsideaal is de universiteit zich meer en meer gaan identificeren. De filosofie heeft het er maar moeilijk mee zich in de academische wereld te handhaven. Ze wringt zich in allerlei bochten om zich voor te doen als iets wat ze niet is: een wetenschap. Zij stelt planningen en prognoses op, ze sticht netwerken en internationaliseert - wat meestal betekent dat zij slecht Engels gaat schrijven. Zij probeert een centre of excellence te worden, en dat betekent dat ze zich nog meer dan voorheen richt op vakgenoten. Als bewijs daarvan zoekt zij in haar stijl de mysterieuze onleesbaarheid waarom zij de positieve wetenschappen zozeer benijdt. De sociologie steekt zij naar de kroon met kromme zinnen; de natuurkunde met quasi-exacte notaties die bijna altijd overbodig zijn.
De onaantrekkelijkheid van dit proza lijkt bedoeld om zoveel mogelijk exclusiviteit te verzekeren, die men stilzwijgend voor excellence verslijt, hopend daarmee indruk (of althans compassie) te wekken bij de universitaire en ministeriele beleidsmakers. In deze verkleedpartij past ook een verwaten afstandelijkheid tot de publieksmedia, die haar wetenschappelijke naam alleen maar kunnen bezoedelen. Eeuwig gaat hier nog altijd voor ogenblik, ook al heeft die eeuwigheid in de praktijk de vorm van het universitair boeken- en tijdschriftendepot.
Uit pieteit blijkt de universiteit nog steeds willig dit instituut te onderhouden, maar ze eist wel haar tol in de vorm van (natuur)wetenschappelijke organisatie, stijl en publikatievormen. De filosofie rest weinig anders dan daarvoor te zwichten en te veinzen dat deze 'professionalisering’ ook haar trots is. Maar als ze eerlijk is, weet ze dat ze binnen de moderne universiteit genadebrood eet en dat ze potsen en capriolen zal moeten blijven maken totdat de academische wereld opnieuw de geleerdheid naast de wetenschappelijkheid als haar fundament erkent. Niets wijst erop dat dat moment zelfs maar in de verte daagt.
Voor de filosofie lijkt er vooralsnog niets anders op te zitten dan te kiezen tussen zelfvervreemding of zelfverbanning. Institutioneel heeft ze gekozen voor het eerste: ze plooit zich willig naar de eisen van vreemde disciplines. Maar omwille van haar vitaliteit en misschien ook van haar zelfrespect oogt ze bij tijd en wijle naar het tweede: de bevrijding uit een academische exclusiviteit die slechts relevant is omwille van zichzelf en die de betekenis en levendigheid van elke filosofie fnuikt.
VANDAAR DIE DUBBELHARTIGHEID binnen de filosofische faculteiten jegens het niet-academische forum van de journalistiek. Enerzijds trekken de vrijheid, de invloed en de betekenisvolheid (zo niet de glamour) van het schrijven voor publieksmedia. Anderzijds weigeren filosofen daaraan institutioneel betekenis toe te kennen, op basis van criteria van wetenschappelijkheid die de wijsbegeerte niet bekomen.
Filosofen zijn als de dood voor het verlies aan universitair respect, en misschien nog wel meer voor de gevolgen daarvan: het verlies aan universitaire financien. Die laatste angst is reeel genoeg, en daarbij kan men de filosofen alleen maar moed toewensen. Maar zorg om academisch respect hoeft zij alleen te hebben wanneer de universiteit ook voor de filosofie respectabel is, en dat kan, na haar wending van geleerden- naar wetenschapsuniversiteit, nauwelijks meer het geval heten. Precies datgene waarom het in de filosofie gaat, wordt door deze universiteit ontkend: de aandacht voor onoplosbare vragen, voor een bezinning die de methode te buiten gaat, en vooral: voor een orientatie die zich niet beperkt tot een vak- of objectsgebied.
De kracht van de filosofie is altijd haar algemeenheid geweest: het feit dat zij bereid was alles in ogenschouw te nemen, onder het licht van de meest fundamentele samenhang - des te 'onwetenschappelijker’ omdat het daarbij altijd om een problematische algemeenheid en een kwestieuze samenhang ging. De begeerte van de filosofie is altijd uitgegaan naar datgene waarvan ze wist dat ze het niet kon krijgen, en aan dat soort verliefdheden heeft de wetenschappelijke methodiek weinig boodschap. Met die methodiek werd ook het ideaal van brede eruditie die de filosofen van oudsher had gekarakteriseerd en waardoor zij tot encyclopedisch werk in staat waren geweest, geschrapt uit de deugdenreeks waarin de universiteit haar eer stelde.
Maar die vraag naar de algemeenheid is niet verdwenen, en ze klinkt misschien wel het hardst waar dagelijks - in een veelvoud van berichten en een chaos van artikelen - de verbrokkeling van de wereld en het weten zichtbaar wordt: in de media. De krant weerspiegelt dag na dag hoe fragmentarisch, veelvoudig, contradictoir en vaak zelfs absurd ons weten over de wereld is. Dat vraagt om overzicht, om grote lijnen of althans om een serieuze overdenking van de duizenden vragen die daarbij rijzen en waarvan de meeste nauwelijks wetenschappelijk formuleerbaar zijn.
Dat soort vragen behoeft afstand, omtrekkende bewegingen en vaak een ontleding op diepere niveaus van abstractie. Ze behoeven tegelijk - nu in het horizontale vlak - een blik die in staat is overeenkomsten te zien tussen geheel verschillende en vaak minder voor de hand liggende terreinen en fenomenen. In beide gevallen gaat het om het zoeken van een algemeenheid die aan de methodiek van de wetenschap ontsnapt omdat die algemeenheid niet afleidbaar is, maar hoogstens zichtbaar kan worden gemaakt via een proces van aftasting en constructie. Dat vraagt kennis, maar vooral tact. Waar geen regels zijn, telt de ervaring en misschien nog wel meer een kosmopolitisme van het weten dat zich uit bekendheid met zeer diverse gebieden soepel heeft leren bewegen, ook waar het onbekend terrein betreedt.
In dit kosmopolitisme lagen, zoals bekend, het succes en de betekenis van de achttiende- eeuwse philosophes. En daar ligt, na hun zo pijnlijk verlopen universitaire avontuur, opnieuw de kans van filosofen. Want nog altijd compenseren zij - in het beste geval - hun gebrek aan methode en aan een specifiek object met een intuitie die slechts kan voortkomen uit vertrouwdheid met de wereld en haar geleerdheid - en dus niet, zoals de wetenschapper, met een vakgebied. Hun terrein is de problematische algemeenheid die nooit realiteit wordt, laat staan het eindpunt kan zijn van een marsroute, maar die als duister voorwerp van verlangen alles wat wij weten overhuift.
Dat is de wetenschapper ongetwijfeld veel te surrealistisch en daarom doet de vakfilosoof van de weeromstuit alsof ook hij aan deze vergezichten geen boodschap heeft. Terwijl de krantelezer naar deze perspectieven verlangt, durft de filosoof hem die niet aan te reiken, uit angst voor frivool te worden versleten en daarom op zijn budget te worden gekort.
ACADEMISCHE FILOSOFEN plegen wel eens te vergeten voor wie hun hart eigenlijk zou moeten kloppen, omdat ze voortdurend omzien naar hun grote broers in de andere faculteiten. Ze vergeten dat de toetsing van hun inzichten niet ligt in de technische details van het historisch of systematisch onderzoek, maar in de zeggingskracht ervan bij de verheldering van de problemen van de levenswereld. Daarom is het de filosofie altijd te doen geweest, en het is haar enige echte bestaansreden. De vraag of en in hoeverre die filosofie voor degenen die die levenswereld bevolken begrijpelijk, verhelderend en overtuigend is, is de belangrijkste toets voor haar eigen bezigheid.
Dat vraagt van filosofen de bereidheid datgene wat zij te zeggen hebben bondig en helder te zeggen. Ongetwijfeld is dat een ontnuchterende ervaring, en met een uit schrik geboren dedain valt dan nog wel eens het woord 'vulgarisering’, waarna de filosoof zich gekwetst op zijn werkkamer en in zijn vaktijdschriften terugtrekt.
Dat kan hij beter niet doen. De toekomst van zijn vak ligt niet daar, maar in zijn publieke rol, waarvoor hij zich de vaardigheden node eigen moet maken. Na te hebben leren schrijven met voetnoten moet hij leren schrijven zonder voetnoten. Na gedwongen te zijn geweest tot een uitgebleekte wetenschappelijke taal moet hij opnieuw een essayistiek leren beoefenen waarvan het lezen en het schrijven een genot is, en waarin de passie klinkt die de filosofie per slot van rekening zegt te zijn.
Dat betekent niet dat men de filosofische vaktijdschriften wel kan opheffen of dat onderlinge gesprekken over de finesses van historisch of systematisch onderzoek voor filosofen voortaan verboden zouden moeten zijn. Het zijn ongetwijfeld deze gesprekken en deze tijdschriften die hen ervoor behoeden willekeurig wat te zeggen en in staat stellen uberhaupt iets te zeggen. Zij vormen het grondwerk van de filosofie, maar ze kunnen niet het doel ervan zijn.
Zo'n cultuurverandering binnen de filosofische faculteiten staat haaks op de koers die de universiteit is ingeslagen. Een oord van eruditie is die laatste al lang niet meer; veeleer werpt ze dat ideaal militant van zich af. Afgezien van de vraag of ze daar verstandig aan doet, heeft ze de plaats waar de maatschappelijke en levensvragen worden overdacht en besproken leeg achtergelaten. Het zijn de media - vooral de schrijvende pers - die die ruimte hebben ingenomen. Dat is tegelijk de plaats waar de filosofie thuis is en waar ze de armslag vindt om haar relevantie te tonen. Het enige waaraan het haar op dit moment nog ontbreekt, is de moed om zich op haar aangewezen plek te kwijten van haar aangewezen taak.