INTERVIEW MET AHMED RASHID

Meer geld, meer troepen

De Pakistaanse journalist Ahmed Rashid schreef een somber boek over de oorlog in Afghanistan. Wordt er niet snel ingegrepen, dan zal het wrede Taliban-gedachtegoed om zich heen grijpen in Centraal-Azië. Rashid pleit voor een regionale oplossing – met instemming van Barack Obama.

HIJ DACHT HET toen de Russen hun laatste troepen terugtrokken. Hij dacht het toen de moedjahedien Kabul innamen en een regering vormden. Hij dacht het opnieuw toen de Taliban erin slaagden de moordende en plunderende krijgsheren naar het noorden van het land te verdrijven. Misschien nu, dacht hij dan. Misschien lukt het nu om de mensen veiligheid te bieden en het land op te bouwen. Maar steeds als er een keerpunt leek bereikt, vergat het Westen Afghanistan en volgde een nieuwe oorlog. ‘Eind 2001 was er opnieuw een kans. Toen de Amerikanen de Taliban verdreven, keek de hele wereld naar Afghanistan. Maar nu is het wéér oorlog. Ik ben teleurgesteld, en velen met mij. Helaas is dat gevoel voor mij bij Afghanistan gaan horen.’
De Pakistaanse journalist Ahmed Rashid ziet er nog kleiner uit dan hij is, diep weggezakt in zijn fauteuil. Hij is in Nederland om een lezing te houden voor het International Institute for the Study of Islam (ISIM). Hij heeft griep, opgelopen in Stockholm, zegt hij. En hij baalt ervan dat zijn laatste boek, Descent into Chaos, waarin hij beschrijft hoe Afghanistan na het verdrijven van de Taliban eind 2001 pas écht in de problemen kwam, door de Nederlandse uitgever nog niet is vertaald.
Pas als hij een hete kop thee heeft gedronken, komt hij langzaam tot leven. Rashids stemming past bij Descent into Chaos. Het is een somber boek met een omineuze ondertitel: How the War against Islamic Extremism is Being Lost in Pakistan, Afghanistan and Central Asia. Rashid schrijft vooral over de strijd tegen de Taliban in Afghanistan, een oorlog waaraan Nederland meedoet met zijn taskforce in Uruzgan. ‘Jullie politici noemen het geloof ik een opbouwmissie, maar het is oorlog in Afghanistan’, zegt hij. In zijn boek doet hij onder meer uit de doeken hoe het Pakistaanse leger via de militaire inlichtingendienst Inter-Service Intelligence Directorate, beter bekend als de ISI, de Taliban steunt. Ook besteedt hij veel aandacht aan het falende Amerikaanse beleid en de halfslachtigheid van de Navo. Afghanistan is van de regen in een stortbui terechtgekomen, en als er niet snel wordt ingegrepen, zal het Taliban-gedachtegoed met zijn vroegmiddeleeuwse wreedheid om zich heen grijpen in Centraal-Azië. Het veronachtzaamde Oezbekistan is het eerste land dat in de problemen kan komen, waarschuwt Rashid.
‘De regering-Bush draagt een enorme schuld voor het falen in Afghanistan. Daardoor heeft de Taliban-beweging voet aan de grond gekregen in Pakistan. Bush was niet geïnteresseerd in Afghanistan. Het ging hem om Irak. Alle middelen voor veiligheid en wederopbouw werden in gereedheid gehouden voor Irak. De Afghanen waren geduldig. Ze hebben vijf jaar gewacht totdat de Amerikanen hen eindelijk opmerkten. Pas na 2006, toen de Taliban weer in de aanval gingen, kwam er een nieuwe focus op Afghanistan en zijn inwoners.’
Het Westen komt er niet meer met het toezeggen van geld en extra militairen, zegt Rashid. ‘We hebben een alomvattende strategie nodig. Elke oplossing begint bij het erbij betrekken van Afghanistans buurlanden – Pakistan, Iran, China en de Centraal-Aziatische republieken. Het is heel belangrijk dat de Taliban hun schuilplaatsen in Pakistan verliezen. Dat kan alleen door het grensgebied te ontwikkelen. Eindelijk hebben we nu, na de militaire regering van Musharraf, weer een burgerlijke regering die zeer anti-Taliban is. Hopelijk is dat het begin van iets positiefs.’
Rashid verkeert in invloedrijke kringen. Hij werkt samen met Barnett Rubin, een van de grootste Afghanistan-kenners ter wereld. Samen adviseerden zij de Verenigde Naties. Rashid heeft veel contact gehad met ‘de mensen van Obama’, zoals hij zelf zegt. ‘Obama staat open voor nieuwe ideeën’. Rashid en Rubin publiceerden onlangs een artikel in het gerenommeerde Foreign Affairs waarin ze een regionale oplossing uiteenzetten. Vlak na dit interview maakte de aankomende Amerikaanse president bekend dat hij daaraan wil werken. Obama en Rashid zijn het er ook over eens dat veel meer troepen nodig zijn. De Amerikanen en de Navo verliezen langzaamaan de steun van de bevolking. ‘Er worden te veel luchtaanvallen uitgevoerd. De Taliban hebben een doelbewuste tactiek om zich onder de bevolking te begeven, zodat er bij bombardementen veel slachtoffers vallen. Als je meer militairen op de grond hebt, heb je minder van die zware bommen nodig.’
De Nederlanders in Uruzgan hebben volgens Rashid hard versterking nodig. ‘Jullie behoren niet tot de Navo-landen die weigeren te vechten, zoals de Spanjaarden en de Duitsers. Maar jullie beheersen slechts een klein deel van de provincie, en buiten die gebieden patrouilleren jullie niet effectief. Het gevolg is dat de Taliban in het noorden van Uruzgan een ongehinderde doorvoerroute hebben van de Pakistaanse grens naar de provincies rond Kabul. Daar moet echt een einde aan komen.’

Ahmed Rashid werd wereldberoemd met zijn eerste boek, Taliban, dat een jaar voor de aanslagen in de VS werd gepubliceerd. Na 11 september 2001 werd het een weergaloze bestseller. Zijn boek werd vertaald in 22 talen en ging anderhalf miljoen keer over de toonbank. Rashid zette van de inkomsten een organisatie op die fondsen verstrekt aan onafhankelijke Afghaanse kranten en tijdschriften. Inmiddels heeft dit Open Media Fund for Afghanistan ruim vierhonderdduizend dollar uitgegeven. ‘Er is een media-explosie geweest in Afghanistan. Het gaat goed nu. We hoeven geen opstartfondsen meer te verstrekken’, vertelt Rashid. Inderdaad, geeft hij toe, dat is een lichtpuntje. Voor het eerst verschijnt er een voorzichtige glimlach op zijn gelaat.
Hij werd per ongeluk journalist. Dertig jaar geleden begon hij over Afghanistan te schrijven, omdat niemand iets van het land bleek te weten. Ahmed Rashid: ‘Ik ben Punjabi. Ik spreek geen Pashto, ik spreek geen Dari, ik spreek geen van de talen van Afghanistan. Maar ik was erg geïnteresseerd in nomadische stammen. Ik wilde afstuderen op de Kuchi-nomaden in Afghanistan en daarom was ik daar in 1978, precies op het moment dat de Khalq-factie van de communistische partij een coup pleegde. Toen ik terugkeerde naar Pakistan, viel me op dat niemand iets van de Afghanen wist. Dus besloot ik een artikel te schrijven over het land. Daarna werd ik opnieuw gevraagd dat te doen. Ik deed het en keerde terug naar Afghanistan. Ik was er net toen de Russen binnenvielen. Weer bleek niemand te weten wat er gaande was en ben ik gaan schrijven. Daarna hield het niet meer op. Ik had nooit gedacht dat ik journalist zou worden. Ik werd het dankzij Afghanistan.’
Toen de Taliban nog heersten, reisde Rashid vele malen door het land. Om van de ene stad naar de andere te mogen gaan, had hij speciale toestemming nodig van mullah Mohammed Omar, de eenogige leider van de Taliban, die ook destijds zelden in het openbaar werd gezien. Omar schreef zijn orders op chits, vodjes papier. In de begintijd van de beweging verzamelde Rashid aardig wat chits; soms waren het beschreven sigarettenpakjes of stukjes pakpapier, toen de Taliban in 1996 eenmaal Kabul hadden ingenomen werden blocnotes gebruikt. Hij had niet alleen contact met beruchte Taliban-commandanten als Jallaludin Haqqani, die ook nu weer een geharde eenheid van de Taliban in het Oosten aanvoert, maar ook met de Oezbeekse krijgsheer Abdul Dostum, die de Taliban lange tijd wist te weerstaan in zijn tot vesting omgebouwde stad Nazar-i Sharif, in het noorden. Vergeleken bij de Oezbeek was Haqqani de beschaving zelve, vertelt Rashid. De eerste keer dat hij Dostum, die zichzelf tot generaal benoemde, in zijn fort bezocht, zag hij bloedvlekken en stukken vlees op de binnenplaats. Rashid dacht dat er een geit geslacht was, maar de bewakers vertelden hem dat het de resten waren van een van Dostums soldaten die was gestraft voor diefstal. Het hele garnizoen had moeten aantreden en toekijken hoe de man aan de rupsbanden van een tank werd gebonden, waarna de tank een rondje reed en stukken van het verpletterde lichaam zich over de binnenplaats verspreidden.
Met Dostum heeft hij nog maar weinig contact, krijgsheer Ismail Khan spreekt hij nog geregeld. Ismail Khan heerste over Herat, de belangrijkste stad in West-Afghanistan, en maakte het Karzai heel moeilijk toen die na het verdrijven van de Taliban president van Afghanistan werd. Wie ook maar over Karzai sprak, werd door Ismail Khans troepen gearresteerd en gemarteld. De krijgsheer, die zich de titel ‘emir’ liet aanmeten, weigerde zich naar Karzai te schikken en bleef jaarlijks miljoenen dollars invoerbelastingen innen aan de grens met Iran. De smachtende Afghaanse schatkist zag er nooit een cent van. In 2004 vermoordden Ismail Khans mannen een van Karzai’s ministers. Het was de derde minister die in korte tijd door geweld om het leven kwam. Daarop braken in Herat felle gevechten uit tussen Ismail Khans troepen en het regeringsleger. Dat luidde het einde in van de heerschappij van de krijgsheer. Zijn straf: hij werd benoemd tot minister van Water en Energie in Karzai’s kabinet.
‘Zo gaat dat in Afghanistan’, zegt Ahmed Rashid. ‘Een krijgsheer is te machtig om op te sluiten. Om hem op een nette manier onschadelijk te maken, moet je er als president voor zorgen dat hij in je buurt blijft. Dus maak je hem minister.’
Het waren de Amerikanen die de krijgsheren macht gaven. Ze hielpen hen hun legers weer op te bouwen. De Amerikanen deden net of ze kampioenen waren van de democratie, maar jarenlang lieten ze Karzai’s regering stikken. Omdat ze hun troepen nodig hadden in Irak, gebruikten ze de krijgsheren en hun misdadige milities om jacht te maken op de Taliban en al-Qaeda. ‘Dat is misschien wel de grootste fout geweest van de Amerikanen. Gedurende drie, vier jaar waren de krijgsheren machtiger dan Karzai in Kabul, terwijl hij de gekozen president was en zij de boeven.’

Vóór 2001 liftte Ahmed Rashid vaak mee met Taliban-strijders, in de laadbakken van Toyota-pick-ups. Velen vertelden hem hun levensverhaal. ‘Simpele jonge mensen die zelf niet goed wisten wat ze wilden bereiken. Oorlogswezen, opgegroeid in vluchtelingenkampen in Pakistan, losgeslagen van hun stam en hun dorp. Ze klampten zich vast aan de Koran en wat de mullah hun geleerd had.’ Rashid behoorde tot het handjevol journalisten die terug bleven komen en met hen spraken. ‘Ze hadden veel steun van de bevolking, omdat ze haar bevrijdden van de krijgsheren. Ze waren een zuiverende macht. Maar toen ze Kabul hadden ingenomen, werden ze veel agressiever en fanatieker. Ze wilden het land beheersen en begonnen zich te gedragen als krijgsheren.’ Na de publicatie van Taliban verloor Rashid vrijwel al zijn contacten binnen de beweging. ‘De Taliban waren erg boos. Ik ontving vele bedreigingen. Ik heb nu alleen nog contact met een paar oude commandanten die het vechten vaarwel hebben gezegd en daardoor een stuk milder zijn geworden.’
De Afghaanse regering dringt al enige tijd aan op gesprekken met de Taliban, iets wat voor de regering-Bush onbespreekbaar was. Afgelopen week deed Karzai daartoe opnieuw een oproep aan mullah Omar. De Amerikaanse generaal David Petraeus, die in Irak een succesvolle counterinsurgency-aanpak leidde en inmiddels de baas is van US Central Command, waaronder ook Afghanistan ressorteert, is eveneens een voorstander van gesprekken. Ahmed Rashid: ‘Natuurlijk moet dat gebeuren. Niet alle Taliban zijn bereid tot het einde toe te vechten. Sommigen vechten omdat hun huizen zijn vernietigd of om opportunistische redenen. Je moet proberen hen los te weken van de fanatieke jihadi’s. Maak hun duidelijk dat dit geen zuivere jihad is, omdat de Taliban meer moslims dan ongelovigen doden. Maar eerst heb je een effectieve strategie nodig. Hoe ver ga je? Wil je macht delen? De Taliban accepteren geen meisjesonderwijs. Daarmee kun je nooit akkoord gaan. Bovendien: zolang Taliban-commandanten het risico lopen naar Guantánamo Bay te worden verscheept als je ze aan tafel noodt, hebben besprekingen geen zin. En nog iets: het is erg onhandig om te gaan onderhandelen als je zwak staat. Je moet een krachtige uitgangspositie hebben, maar die heeft Karzai niet. De Taliban denken namelijk dat ze aan het winnen zijn en helaas denkt de bevolking dat ook.’
Onderhandelen is geen wondermiddel en het is zeker niet de uiteindelijk oplossing, meent Rashid. ‘Meer geld, meer ontwikkeling, meer troepen, minder luchtaanvallen, een einde aan de Pakistaanse steun voor de Taliban en regionale afspraken. Dan pas kun je praten.’ Voorlopig lijkt alle drukte over mogelijke besprekingen voorbarig. De Taliban hebben herhaaldelijk laten weten het voorstel van Karzai pas in overweging te willen nemen als alle buitenlandse troepen uit Afghanistan verdwenen zijn. Die eis zal niet worden ingewilligd.
Wat leveren gesprekken hun dan eigenlijk op? Rashid: ‘De Taliban weten dat ze de steden niet kunnen veroveren zolang de buitenlandse troepen er zijn. Ze kunnen het platteland in handen krijgen, ze kunnen de mensen door terreur dwingen met hen samen te werken, maar ze kunnen het uiteindelijk niet winnen. Het Westen kan het evenmin winnen, maar militair gezien zijn ze te sterk om te verliezen. De Taliban weten dat. Daarom zullen ze uiteindelijk aanschuiven.’