Caracas

Meer leidt tot minder

Caracas – Goed nieuws uit Venezuela: volgens de VN heeft Venezuela een Gini-coëfficiënt van 0.412, de laagste van heel het continent. Hoe lager de Gini-score, hoe kleiner het verschil tussen arm en rijk, dus Venezuela is het Latijns-Amerikaanse land waar de rijkdom het eerlijkst verdeeld is. Een stuk eerlijker dan in de economische reus Brazilië (0.594). Eerlijker ook dan in Argentinië (0.516), het land met per hoofd van de bevolking het hoogste inkomen op het continent. (Ter vergelijking: Nederland heeft 0.323.)
Betekent het nieuws dat het goed gaat met Venezuela, in het twaalfde regeringsjaar van president Hugo Chávez? Dat lijkt maar de vraag. Ten eerste was het land altijd al relatief gelijk op een continent dat wereldkampioen ongelijkheid is. De enorme inflatie (achthonderd procent sinds Chávez in 1999 aantrad) zorgt er daarbij voor dat de grote arme onderklasse het salaris met de maand minder waard ziet worden. En ten slotte heeft Venezuela de laatste jaren zo’n golf aan olie-inkomsten gehad dat de vooruitgang eerder mager lijkt. In plaats daarvan lijken de vele miljarden dollars – onder meer besteed aan sociale projecten – ervoor te hebben gezorgd dat het land verlamd is geraakt. Er wordt minder geproduceerd, er wordt meer geïmporteerd, en de corruptie is gigantisch.
Symbool daarvan zijn de voedselschandalen van de laatste tijd. Wat begon met de vondst van enkele containers verrot voedsel – geïmporteerd door een staatsbedrijf – groeide uit tot een hele golf soortgelijke ontdekkingen. Zo’n 122.000 ton voedsel zou in havens zijn weggerot, terwijl veel supermarkten lege schappen hadden.
De stinkende containers in de havens drukten de Venezolanen met hun neus op het feit dat ze meer voedsel dan ooit moeten importeren en dat het overheidsapparaat totaal inefficiënt is. Terwijl Chávez voortdurend rept van ‘alimentaire soevereiniteit’, heeft zijn politiek van onteigeningen van landbouwgrond en fabrieken gezorgd voor schaarste. De inflatie van de voedselprijzen zal dit jaar tussen de 47 (cijfer overheid) en zeventig procent (schatting private bedrijven) bedragen.
Wat in het voormalige Oostblok en op Cuba al lang en breed is bewezen, voelt Venezuela nu ook: meer staat leidt tot minder. Minder productie, minder efficiëntie, minder economische stimulans. En ja, het heeft ook geleid tot minder ongelijkheid en armoede.
De vraag is echter hoe lang dat goede nieuws duurt. Langzaam maar zeker komt de Venezolaanse economie tot stilstand. Waar vrijwel alle Latijns-Amerikaanse economieën voorspoedig herstellen van de economische crisis, ziet Chávez dat zijn land blijft hangen. Straks drukt de Gini-coëfficiënt – net als op Cuba – slechts nog de eerlijke verdeling van de armoede uit.