Peter-André Alt over het pathos van Schiller

‘Méér moraal in de politiek!’

Er schuilt meer politiek in het werk van Friedrich Schiller (1759-1805) dan op het eerste gezicht lijkt. Dat vindt Peter-André Alt, hoogleraar literatuurwetenschap te Berlijn. ‘Schiller was een realist. En tegelijk een idealist.’

HIJ HEEFT WEL IETS van een control freak. In zijn zeer ruime werkkamer op de Freie Universität Berlin heeft alles zijn plaats. In zijn boekenkast staat geen boek schuin, op zijn bureau ligt geen A4’tje scheef, op de salontafel voor zijn zitbank rijgen zich afgemeten stapeltjes brochures aaneen. En ook zijn lange ledematen heeft de ranke bijna-vijftiger Peter-André Alt perfect onder controle. Zelfs als hij bekent dat het pathos van Schiller hem niet onberoerd laat, oogt hij onbewogen. Hij praat over zijn vak, de germanistiek, als een wetenschapper die verslag doet van een laboratoriumonderzoek.
Recensenten schrijven over Alts boeken dat die verdrinken in de details. Alt heeft bijvoorbeeld met mathematische precisie de kans berekend dat Kafka op maandag 8 augustus 1921 vanuit zijn kuuroord in het Ertsgebergte per tandradbaan en koets een uitstapje heeft gemaakt naar het 92 kilometer verderop gelegen slot Oravsk. Die reis duurde, zo heeft Alt uitgezocht, drie uur, dus Kafka kon op één dag heen en terug. Er is echter maar één indirect bewijs dat hij die reis ook daadwerkelijk heeft gemaakt: de ansichtkaart die Kafka vanuit een plaats op de route aan zijn zuster Ottla schreef.
En dan blijkt er achter de koele rekenaar een gepassioneerde literatuurvorser schuil te gaan. Want waarom is het interessant om te weten dat Kafka mogelijkerwijs slot Oravsk heeft bezocht? Omdat in zijn onvoltooide roman Het slot precies zo’n burcht voorkomt. En omdat enkele dagen nadat Kafka wel eens het slot zou kunnen hebben bezichtigd de filmer Friedrich Wilhelm Murnau er met zijn crew arriveerde om er opnamen te maken voor zijn beroemde film Nosferatu. Alt is ervan overtuigd dat de fanatieke bioscoopganger Kafka die film in Praag gezien moet hebben, volgens zijn berekening in het jaar 1923, mogelijk in januari. En dan komt de aap uit de mouw. Volgens Alt kun je aan Het slot aflezen dat het zo moet zijn geweest. Want kijk maar, in die roman bewegen de personages zich net als in de film van Murnau! ‘Die lichamelijkheid, die snelheid, die beeldwisselingen. Men zegt dat Kafka schrijft alsof hij dromen navertelt, maar in dit geval vertelt hij een film na!’
Alts ogen glimmen wanneer hij over zijn vondst vertelt. ‘Dat heeft nog nooit iemand zo beschreven’, zegt hij, ‘dat heb ik allemaal zelf ontdekt!’ En hij heeft het ook opgeschreven, in het boek Kafka und der Film, dat begin dit jaar verscheen. Een uit pure passie geboren boek, dat hij maakte nadat hij eerder een vuistdikke, alom geprezen maar ook vanwege zijn detailverliefdheid bekritiseerde biografie had geschreven: Franz Kafka: Der ewige Sohn.

DETAILVERLIEFDHEID? Wat te denken van een biografie van Friedrich Schiller met een omvang van maar liefst 1605 bladzijden? Zelfs recensenten bekenden dat ze niet elke pagina van Alts Schiller: Leben, Werk, Zeit even nauwkeurig hadden bestudeerd. Maar ze waren wel allemaal zwaar geïmponeerd door het bijna criminologisch exacte onderzoek dat Alt had gedaan naar waar Schiller zich wanneer en waarom bevond, welke boeken hij daar las en hoe hij eraan was gekomen, wie hij daar ontmoette en wat hij met die persoon heeft besproken, hoe hij eruitzag, hoe hij zich bewoog, welke indruk hij op anderen maakte en ga zo maar door. Alt schrijft als de ideale informant van een geheime dienst.
Maar ook achter dat boek gaat een diepe passie schuil. Een passie voor politiek en geschiedenis. Waar het Alt om gaat is te laten zien dat er meer politiek in Schiller zit dan op het eerste gezicht lijkt, dat Schiller dichter op de politieke actualiteit van zijn tijd zat dan zijn voornamelijk historische thema’s doen vermoeden. ‘Dat is nu juist ook het klassieke aan Schillers kunst: dat hij de duidelijke, directe verbanden met de actualiteit niet zichtbaar maakt. Hij zegt: een schrijver moet zich niet met de politiek van alledag bemoeien, dat corrumpeert hem en beperkt zijn vrijheid. Hij moet uit de geschiedenis modellen voor politiek handelen putten en het aan de lezer of de toeschouwer overlaten om die op de actualiteit toe te passen.’
Schiller geldt in Duitsland als een literaire reus die nauwelijks voor de grootheid van Goethe onderdeed. Als hij langer had geleefd dan de 46 jaren die hem beschoren waren, had hij Goethe wellicht nog in belang overtroffen. Anders dan collega, vriend en tijdgenoot Goethe werkte Schiller niet in staatsdienst. Hij was om zo te zeggen een kleine zelfstandige die voor zijn inkomen afhankelijk was van zijn populariteit bij het publiek. En populair was hij, vooral dankzij zijn spektakelstukken over grote historische persoonlijkheden als Philips II, Wallenstein, Maria Stuart, Jeanne d’Arc en Wilhelm Tell.
‘Ook ik ben voor zijn dramatische werk gevallen’, zegt Alt. ‘In mijn jonge jaren zag ik zijn stukken en was meteen geboeid door zijn taal, zijn retorische gave, ja, ook door zijn pathos – dat liet me, ik geef het toe, niet onberoerd. Ik zie dat nu weer terug bij mijn huidige studenten, die staan daar ook erg open voor.’

DE GEBOORTIGE Berlijner Alt studeerde aan de Freie Universität in een tijd dat die werd verscheurd door ideologische strijd. Begin jaren tachtig tierde de politieke folklore van maoïsten, leninisten, trotskisten en andere linkse schietverenigingen nog welig. ‘Onverkwikkelijk’ vond Alt dat allemaal. Toch heeft het bij hem de smaak voor politiek niet bedorven. Hij bekwaamde zich net zo goed in de wetenschap der politiek als in die der literatuur. En beide gaan bij hem nog altijd samen: ‘In al mijn literatuurwetenschappelijke werk probeer ik schrijvers tegen hun politieke achtergrond te plaatsen. Dat deed ik al in mijn dissertatie. Die handelt over de ironische houding die Thomas Mann en Robert Musil tegenover hun tijd aannamen.’
Toen hij zich op Schiller stortte, ontdekte hij dat die veel meer kwaliteiten bezat dan alleen die van toneelschrijver. Hij ontdekte Schiller de verhalenverteller. ‘Schiller is een onderhoudende verteller die er plezier in heeft zijn verhalen spannend te maken. Hij heeft het genre van de misdaadroman in de Duitse literatuur populair gemaakt.’ Die vertelkunst, zegt Alt, etaleert Schiller ook in zijn historische en filosofische proza. ‘Daarom zijn die stukken, hoewel het thema vaak droog en weerbarstig is, toch spannend om te lezen.’
Geldt dat ook voor zijn Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande der spanischen Regierung? ‘Daar moet ik eerlijk van zeggen dat je voor dat boek wel een speciale historische belangstelling moet meebrengen. Je moet van veel details al op de hoogte zijn om het verhaal te kunnen volgen. Het boek is onvoltooid gebleven, aan het hoogtepunt, de overwinning van Oranje, komt hij niet toe. Het verhaal eindigt met de executie van Egmont en Hoorn. Maar hij vertelt die geschiedenis zeer gedetailleerd, je komt om in de feiten en feitjes.’ Alt heeft zijn detailverliefdheid niet van een vreemde.
‘Het belangrijkste aan de tekst is dat Schiller laat zien hoe een opstand die eigenlijk niet eens goed is georganiseerd toch onze morele steun verdient, omdat die zich richt tegen een centrale macht die zonder kennis van de geschiedenis en cultuur van een land dat land probeert te regeren. Het is een leerstuk hoe vreemde heerschappij onvermijdelijk moet falen.’
Het beeld wordt steeds completer. Wat Alt aan Schiller fascineert, is niet alleen zijn taal, niet alleen zijn pathos, niet alleen zijn vertelkunst en zijn liefde voor het detail, het is ook zijn politiek moralisme. ‘Dat klopt. Schiller is aan de ene kant een realist, hij weet dat moraal en politiek niet samengaan. Maar hij is ook een idealist, hij meet de politiek telkens weer aan morele maatstaven. Dat spreekt me aan. We zijn tegenwoordig gewend geen al te hoge morele verwachtingen van onze politici te koesteren. Maar waarom zouden we dat niet doen? Op dat punt kunnen we best iets van Schiller leren.’
Wat Alt ook met Schiller deelt is een fascinatie voor de psychologie van de macht: ‘Dat behoort natuurlijk tot het rijk van de speculatie. Wat zich werkelijk in de hoofden van de machtigen afspeelt, kunnen we alleen maar raden. Maar Schiller laat wel heel herkenbare patronen zien. Bijvoorbeeld de eenzaamheid van de machtigen, de angst om zwakheden te tonen, de slapeloosheid, de onzekerheid over wie er te vertrouwen zijn. Als ik de krant lees denk ik wel eens, kijk, dat is een Philips II, een koningin Elisabeth, een Wallenstein.’
SCHILLER ZOU dit jaar 250 zijn geworden. Alt heeft het daar, als bestuurslid van de Deutsche Schillergesellschaft, druk mee. Leeft Schiller nog voor de Duitsers? ‘Dat is verrassend. Vier jaar terug was zijn tweehonderdste sterfdag. Toen viel me al op hoeveel Duitsers zich openlijk tot Schiller bekenden. Der Spiegel zette zelfs groot “Onze Schiller” op de cover. Schiller is vaak heel omstreden geweest. Het spectrum van zijn critici reikt van Nietzsche tot Adorno. Hij werd pathetisch gevonden, clichématig, dweperig, wereldvreemd, een “moraaltrompetter”. Maar tegenwoordig klinken er alleen maar jubelkoren.’
Toch klinken die koren dit jaar een stuk kalmer dan vier jaar geleden. Is Duitsland klaar met Schiller? Alt ontkent: ‘Met een klassieke auteur als Schiller ben je nooit klaar.’ Maar misschien geldt het wel voor Alt zelf. Gezien zijn recente studies lijkt Alt de oude Schiller inmiddels achter zich te hebben gelaten. Terwijl Schiller met het stijgen der jaren steeds gematigder, redelijker en verzoenlijker werd, begint Alt, inmiddels iets ouder dan Schiller ooit werd, zich hoe langer hoe meer voor het onmatige, het onredelijke en het verontrustende te interesseren.
Dat kondigde zich al aan in zijn grote studie over de droom in de literatuur. In 2002 verscheen Der Schlaf der Vernunft. Schrijvers hebben door de millennia heen de droom gebruikt om de wereld aan gene zijde van de rede zichtbaar te maken. Opvallend is, zo luidt Alts these in zijn monografie, dat ze daarbij telkens de heersende theorieën over de droom weerspiegelden. In Plato’s tijd leunden dichters zwaar op diens opvattingen over dromen, in de twintigste eeuw oriënteerden schrijvers zich op Freud: ‘Je ziet telkens hetzelfde patroon: de wetenschap probeert de dromen te onttoveren, de literatuur geeft ze hun toverachtigheid weer terug.’
In zijn jongste project verwijdert Alt zich nog verder van de rede. Volgend jaar verschijnt van hem een studie over het kwaad in de literatuur. ‘Daarin gaat het niet om de vraag of het kwaad in de literatuur een rol speelt, dat is al genoegzaam bekend. Het gaat om teksten waarin het kwaad als iets moois wordt voorgesteld, het gaat om de lust van het kwaad, het gaat over Sade, Baudelaire en Huysmans, over Stevenson en Genet, over Bret Easton Ellis en Jonathan Littell.’
De zo ordelijke, vriendelijke, voorkomende Peter-André Alt heeft stiekem een pact met de duivel gesloten. Hij heeft Goethe’s raad, die hij zelf ergens citeert, heel letterlijk genomen. Die schreef in Faust II: ‘Bedenkt: der Teufel, der ist alt. So werdet alt, ihn zu verstehen!’
Om met Shakespeare te spreken: ‘What’s in a name?’


Op 1 oktober houdt Peter-André Alt in Felix Meritis, Keizersgracht 324 Amsterdam, de Burgerhartlezing 2009. De titel van zijn lezing luidt: Schiller and Politics: Perspectives of an Aesthetic Enlightenment. De Burgerhartlezing is een initiatief van de Werkgroep Achttiende Eeuw, Felix Meritis en SNS Reaalfonds