Meer niet

‘Mehr Licht!’ Dat waren de laatste woorden van Goethe. Of zei hij alleen maar ‘mehr nicht’? De kwestie komt ter sprake in een bundel met laatste woorden, verzameld door Ernst Jünger. Mehr nicht klinkt veel aannemelijker. Dan heeft Jan Wolkers bijna letterlijk dezelfde slotwoorden gesproken: ‘Zo is het genoeg.’ Al ging het bij hem, op het letterlijke niveau, over een boterham met jam. Maar misschien zei Goethe dat ook wel. Doe mij nog een boterham met jam. Meer niet.

Maar we kunnen het niet nalaten te mystificeren, te interpreteren, iets groters en hogers te herkennen in iets banaal-anekdotisch. Meer niet. Zo is het genoeg.

Ik zat eens naast Gerrit Komrij in een bus te praten over de dood van Boudewijn Büch, de grootste Goethe-fan die Nederland gekend heeft. Ik refereerde aan het feit dat Büch gestorven was met een boek van Heinrich Heine op schoot.

‘Ja’, zei Komrij. ‘Dat zou ik ook snel even te voorschijn hebben getrokken, als hij daar met een pornoblaadje op schoot was gevonden.’

Sindsdien ben ik er heilig van overtuigd dat Büch met een pornoblaadje op schoot is gestorven, maar dat terzijde. Zo is het genoeg. Meer niet.

We vervormen de woorden van onze grootmeesters, luisteren ze op, lezen er meer in dan er staat. En dat alles is goed.

‘Je maakt het nu wel iets mooier dan dat het was’, zei iemand tijdens datzelfde tripje eens tegen Tommy Wieringa. Die geen seconde aarzelde en onberispelijk het juiste antwoord gaf: ‘Dat is nu eenmaal ons vak.’

We maken er meer van dan het was, en in het beste geval speelt ook de lezer dit spelletje mee, en maakt hij op zijn beurt weer meer van onze woorden.

Waar het was herinner ik me niet meer, maar ik heb eens een artikel gelezen over het verschijnsel dat we citaten vaak verkeerd onthouden. Of beter gezegd: onbewust verhaspelen we gevleugelde woorden net dat kleine beetje, waardoor ze pas echt goed in ons straatje passen.

‘Now is the winter of our discontent…’ kon je tot ver in april dit jaar verzuchten, en daarbij denken dat je heel slim Shakespeare’s Richard III aanhaalde. Maar dan vergeet je gemakshalve de volgende regel, die alles in een nieuw licht zet: ‘Made glorious summer by this son of York.’

Koningin Marie Antoinette merkte over haar hongerige onderdanen op, toen ze hoorde dat die geen brood hadden: ‘Dan eten ze toch cake!’ In de bron – Rousseau’s Confessiones is niet alleen de tekst een tikje anders (‘S’ils n’ont plus de pain, qu’ils mangent de la brioche’), maar wordt die ook nog eens toegeschreven aan ‘een prinses’. Was het Marie Antoinette? Die was op het moment dat Rousseau dit noteerde pas twaalf!

Wat die neiging tot foutief citeren laat zien, is dat we verhalen en geschiedenissen eigen maken, opzuigen als een spons, en dat ze in ons gaan leven, uitgroeien, exploderen. Stel je voor dat iedereen andermans woorden alleen maar letterlijk zou reproduceren, dat we de aforismen uit de wereldliteratuur tot op de komma correct citeerden, dat het verhaal, fluisterend in de kring rondverteld, aan het einde identiek zou zijn als aan het begin. Dan zouden we in een fantasieloze wereld van robots leven, verstikkend.

Het is de lezer die verbeelding moet hebben, niet de schrijver, zegt Harry Mulisch in Voer voor psychologen. En dat citeer ik hoogstwaarschijnlijk dus nét fout, zodat het beter in dit betoog past. De lezer moet het raadsel nog raadselachtiger maken, zegt hij even verderop (net niet).

Laatst verliet ik een feestje betrekkelijk vroeg op de avond, wat aangeschoten. Een Haarlemse vakbroeder begeleidde me naar de taxi. Op Twitter las ik de ochtend erop dat ik stomdronken was afgevoerd, en nog had staan vechten, enzovoort. Het was een feestje met veel schrijvers. Het is hun vak om de wereld mooier te maken dan ze is.

Het schijnt dat Boudewijn Büch boven een pornoblaadje is gestorven, dat de vrouw die hem vond snel even vervangen heeft door een dichtbundel van Heinrich Heine.

In Roland Barthes door Roland Barthes schrijft de auteur waarom hij er zo van houdt in losse fragmenten te schrijven: ‘Omdat hij ervan houdt een begin te vinden, een begin te schrijven, heeft hij de neiging dit plezier te vermenigvuldigen: daarom schrijft hij fragmenten: zoveel fragmenten, zoveel beginzinnen, en evenzoveel plezier.’

Ook daarmee appelleer je aan de verbeeldingskracht van de lezer, die het fragment zelf van een gefantaseerde context zal voorzien, en die zich alles mag verbeelden wat onuitgesproken om het fragment of het losse aforisme heen zweeft.

Steeds vaker merk ik dat ik boeken, ook als ik ze goed vind, niet helemaal uit lees.

De beste boeken zijn die waarvan je alleen nog een beginalinea hebt geschreven. Meer niet.