Politieke actie in het Antropoceen

Meer plastic dan vis in de zee

De mensheid verandert de aarde ingrijpender dan ooit, en vooral toekomstige generaties ondervinden de gevolgen daarvan. Net als ecosystemen. Wie geeft er een stem aan de ongeborenen, en aan het Waddengebied?

Medium cleo 20wa cc 88chter enci groeve maastricht

Afgelopen Pinksterweekend verzamelden duizenden activisten uit heel Europa zich bij het Duitse plaatsje Proschim, 150 kilometer ten zuiden van Berlijn. Voor de tweede maal vond de actie Ende Gelaende (‘tot hier en niet verder’) plaats, een poging om de lokale Welzow-Sued bruinkoolmijnen stil te leggen.

Het leverde surrealistische beelden op: stromen demonstranten in witte overalls die het maanlandschap van de open mijn binnenlopen. Moedige activisten die slechts nietige vliegjes lijken op de reusachtige graafmachines waarmee jaarlijks ongeveer twintig miljoen ton bruinkool gedolven wordt. De krater van de bruinkoolmijn is tot 130 meter diep. Inmiddels is al 47 vierkante kilometer landschap afgegraven. Het zijn cijfers en beelden die in de meest extreme vorm illustreren hoe de mens het aanzien van onze planeet verandert.

De belangrijkste verandering van de planeet die de kolenmijn veroorzaakt vindt enige kilometers verderop plaats. In de Schwarze Pumpe energiecentrale verbranden twee turbines van achthonderd megawatt de bruinkool en zetten die om in elektriciteit en CO2, waarmee wordt bijgedragen aan de opwarming van de aarde.

Welzow-Sued is slechts één voorbeeld van de manier waarop de mens zijn stempel drukt op onze planeet. We graven bergen en landschappen af voor metaalertsen, steenkool en teerzand. We vervuilen de oceanen met plastic. We pompen de atmosfeer vol met CO2, fijnstof en andere chemische verbindingen. De schaal hiervan wordt duidelijk als we het tegenover natuurlijke processen zetten. Bij de teerzandwinning in Canada wordt jaarlijks net zo veel grond verplaatst als alle rivieren wereldwijd doen. De drijvende vuilnisbelt in de Stille Oceaan is inmiddels zo groot als Texas (de ‘Great Pacific Garbage Patch’) en de verwachting is dat onze oceanen in 2050 net zo veel plastic als vis bevatten. De menselijke uitstoot van CO2 door het verbruik van fossiele brandstoffen is ruim honderd keer zo veel als de CO2-uitstoot van alle vulkanen ter wereld gezamenlijk.

***

In de wetenschappelijke wereld hebben deze ontwikkelingen tot een debat geleid over de vraag of er inmiddels sprake is van een nieuw geologisch tijdperk. Na het Holoceen is de invloed van de mens op de aarde zo groot geworden dat we wellicht kunnen spreken van het Antropoceen, het ‘Tijdperk van de Mens’. Na tienduizenden jaren geologische tijdperken lijdelijk te hebben ondergaan trapt de mens de deur naar het Antropoceen zelf in.

De exacte aanvang van dit Antropoceen wordt nu druk bediscussieerd onder geologen, milieuwetenschappers en klimaatdeskundigen. Maar wat de uitkomst van de wetenschappelijke deliberaties ook zal worden, zeker is dat het nieuwe tijdperk nauw verweven is met de manier waarop de mensheid consumeert en welvaart produceert.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de wereldeconomie explosief gegroeid, de zogeheten Great Acceleration. Inmiddels beginnen we steeds beter door te krijgen wat de effecten van die exponentiële groei en economische mondialisering op de aarde zijn. De processen waarmee we de toestand van de aarde veranderen komen als een boemerang terug. Wij zijn de eerste generatie die de gevolgen van klimaatverandering ondervindt. De recente extreme weerpatronen zijn uitingen van de grotere trend van klimaatverandering, maar ook op minder zichtbare wijze ondergaan we de gevolgen van het Antropoceen. De toename van fijnstof in de atmosfeer leidt tot hart- en vaatziekten, longproblemen en beroertes, en chemicaliën die we wereldwijd over oppervlaktewater verspreiden vinden hun weg terug naar ons lichaam, met alle nadelige gezondheidseffecten van dien.

Daarmee lijkt een interessante paradox te ontstaan: terwijl de mensheid nog nooit zo veel invloed had op de ontwikkelingen van de aarde hebben individuen juist steeds minder greep op hun eigen omgeving. Een lokale gemeenschap kan van alles doen om een bijzonder ecosysteem te behouden, maar kan het niet beschermen tegen klimaatverandering. Je kunt nog zo gezond leven, het is onmogelijk chemicaliën uit je lichaam te weren. In sociaal-wetenschappelijke termen wordt dit wel een afname van de agency – het handelingsvermogen – van het individu genoemd.

Deze paradoxale situatie roept de vraag op of we het Antropoceen dan maar lijdzaam moeten ondergaan, net zoals onze verre voorouders ijstijden ondergingen. Het antwoord hangt in belangrijke mate samen met de vraag of de mondiale expansie van de economie het gevolg is van bewuste politieke keuzes of niet. De belangrijkste signaalwaardes voor het begin van het Antropoceen hebben te maken met de manier waarop de economie functioneert, of het nu gaat om agrarische productie of de industriële economie gebaseerd op fossiele brandstoffen. Het vraagstuk van agency in het Antropoceen is dus eigenlijk de vraag welk handelingsvermogen de mensheid heeft ten aanzien van de ontwikkelingen van de mondiale economie.

***

Mijn antwoord op die vraag bespreek ik elk jaar in het eerste college van het vak inleiding internationale politieke economie: het handelingsvermogen van de mens ten aanzien van de mondiale economie is groter dan wel gesuggereerd wordt. De economie ontwikkelt zich niet spontaan, maar wordt in belangrijke mate gestuurd door politieke keuzes. Eenieder die betoogt dat er geen alternatief is voor een economisch beleid versluiert daarmee een politieke agenda of keuze.

Moeten we het Antropoceen dan maar lijdzaam ondergaan, net zoals onze verre voorouders ijs­tijden ondergingen?

Met deze invulling van de politieke economie sta ik op de schouders van de Oostenrijkse politiek econoom Karl Polanyi (1886-1964). Hij publiceerde in 1944 zijn meesterwerk The Great Transformation. Deze baanbrekende analyse van de industriële revolutie beschrijft gedetailleerd hoe de wisselwerking van overheid en marktpartijen de ontwikkeling van de economie drijft. Markten ontstaan niet spontaan, ze worden door de overheid gecreëerd en gefaciliteerd. En overheden zijn op hun beurt afhankelijk van de waarde die op markten gecreëerd wordt om belastinginkomsten te garanderen. Politiek en economie zijn dus onlosmakelijk verbonden.

De maatschappelijke transformatie die inmiddels de industriële revolutie heet was niet alleen het gevolg van de stoommachine. Die uitvinding speelde een belangrijke rol bij de vorming van de fossiele economie zoals we die kennen, maar het succes van de stoommachine was afhankelijk van de creatie van markten voor arbeid en land. Polanyi beschrijft dan ook gedetailleerd hoe politieke besluiten het feodale systeem openbraken om zo arbeid en land te commodificeren, oftewel ‘vermarkten’. Pas toen politieke actie werd ondernomen kon de industriële economie gebaseerd op fossiele energie opbloeien (en daarmee de concentratie CO2 in de atmosfeer gestaag stijgen).

Volgens Polanyi zou een doorgeslagen vermarkting van de samenleving echter ook tot een tegenreactie leiden. Hij noemde dit de double movement: waar mensen steeds meer blootgesteld worden aan de woeste baren van de markt komt een tegenbeweging op gang vanuit de samenleving die naar bescherming zoekt. Als mensen het gevoel hebben hun handelingsvermogen te verliezen ten opzichte van anonieme marktkrachten zoeken ze naar een politiek om weer meer controle te krijgen. Polanyi pleitte er daarom voor dat markten ingebed zouden moeten worden in maatregelen die sociale zekerheid geven. Voor Polanyi gold de opkomst van het nationaal-socialisme na de Grote Depressie begin jaren dertig als afschrikwekkend voorbeeld van wat er anders kan gebeuren.

De ideeën van Polanyi vonden weerklank in de internationale economische orde die werd opgebouwd na de Tweede Wereldoorlog. Onder invloed van de vermaarde John Maynard Keynes werd het Bretton Woods-systeem opgezet dat instabiliteit moest voorkomen. Daartoe werd de internationale financiële sector sterk gereguleerd, zodat nationale staten de ruimte hadden sociale zekerheid te bieden. In plaats van vrijelijk opererende internationale markten was er sprake van internationale coördinatie door staten.

Het Bretton Woods-systeem hield echter geen stand. De politiek econoom Eric Helleiner beschrijft in zijn magistrale geschiedenis States and the Reemergence of Global Finance hoe overheidsbesluiten stap voor stap de coördinatie van de economie loslieten. Als belangrijke aanvulling op Polanyi wijst Helleiner op het belang van zogenaamde ‘nonbeslissingen’. Overheden kiezen er dan voor om de markt niet te reguleren terwijl ze dat wel zouden kunnen. Met andere woorden: politici geven de markten bewust vrij spel.

Helleiner beschrijft bijvoorbeeld hoe er door mazen in de wet in de jaren zestig ongereguleerde financiële markten ontstonden in Londen. De Britse toezichthouders ontdekten dit al snel, maar besloten niet in te grijpen omdat het goed was voor de positie van Londen als internationaal financieel centrum. Langzaam werd zo het Bretton Woods-stelsel uitgehold totdat het begin jaren zeventig instortte. Dat was het moment dat de mondiale expansie van de economie losbarstte en de Great Acceleration pas echt inzette.

***

De mondiale economie die ten grondslag ligt aan het Antropoceen is dus geen spontane ontwikkeling maar een politieke creatie, het gevolg van beslissingen en nonbeslissingen van politici. Dat besef is de belangrijke voorwaarde om sturing te kunnen geven aan de politieke keuzes die het Antropoceen vereisen. De mens heeft nog steeds handelingsvermogen ook nu we op mondiale schaal de aarde beïnvloeden.

Wel maakt de samenhang tussen menselijk handelen en de mondiale ecosystemen en kringlopen van elementen politieke beslissingen complexer. In zijn recente oratie Environmental Governance in the Anthropocene bepleit Philipp Pattberg (Instituut voor Milieuvraagstukken, Vrije Universiteit Amsterdam) dan ook een interdisciplinaire benadering van de complexe vraagstukken waar we voor staan. Op deze manier is het Antropoceen niet alleen een bedreiging, maar ook een kans om een nieuwe impuls te geven aan onze discussies over economische globalisering en het milieu.

De zogenaamde earth system governance-_benadering probeert een antwoord te formuleren op de uitdagingen van het Antropoceen. Zij gaat uit van grenzen aan het mondiale ecosysteem die mensen moeten respecteren om instabiliteit en crises te voorkomen. De mondiale governance-architectuur zou daarom systematisch aangepast moeten worden om ervoor te zorgen dat we binnen de grenzen blijven. Er wordt wel gesproken van een _‘constitutional moment’, vergelijkbaar met de systeemverandering die de oprichting van Bretton Woods inhield. In deze denktrant zouden mondiale instituties, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, versterkt moeten worden en dient duurzaamheid beter te worden geïntegreerd in economisch beleid.

De vraag is echter of earth system governance voldoende is. Opvallend genoeg kwam juist rond de val van Bretton Woods het befaamde rapport Grenzen aan de groei uit. Op het moment dat regeringsleiders de teugels van de markt lieten vieren, wees de Club van Rome op de verbondenheid van de economie met het wijdere ecosysteem. Aan de hand van economische modellen liet de Club van Rome zien dat bij voortgaande economische groei grondstoffen op zouden raken. Ondanks de grote internationale aandacht voor het rapport vond het weinig weerklank bij financieel-economische beleidsmakers, getuige het feit dat de Great Acceleration volop werd doorgezet. Er werd niet gekozen voor een sturing van de economie richting duurzame energie of hergebruik van grondstoffen (een circulaire economie).

Doordat met name de financiële sector wordt gehoord, ontstaat er een voorkeur voor ‘marktconforme’ regulering

Enkel het besef van grenzen aan de groei is schijnbaar niet voldoende om beleid te veranderen. De samenstelling van de groep belanghebbenden die een stem heeft in de politieke discussie speelt hierbij een belangrijke rol. In een select en relatief uniform gezelschap ontstaat al snel ‘groepsdenken’, waarbij de deelnemers zich conformeren aan wat de consensus lijkt te zijn, ook als men eigenlijk andere standpunten heeft. Bovendien streven actoren ook altijd particuliere belangen na, die lang niet altijd in overeenstemming zijn met het algemene belang.

Om bij het voorbeeld van de financiële sector te blijven: hoewel alle actoren gebaat zijn bij financiële stabiliteit geeft de selectie van meepratende belanghebbenden een specifieke draai aan de uitkomsten van het beleidsproces. Want degenen die meepraten hebben ook nog andere belangen dan financiële stabiliteit. Concreet: doordat er met name vertegenwoordigers van de financiële sector worden gehoord in het beleidsproces ontstaat er een voorkeur voor ‘marktconforme’ regulering. Waarschuwingen van andere partijen dat dit te kort zou schieten worden in de wind geslagen. Het resultaat is genoegzaam bekend.

***

Het besef van het Antropoceen zou moeten zorgen voor een forse uitbreiding van de groep belanghebbenden. De mondiale gevolgen van internationale besluiten over de economie vragen om democratische processen waarin alle landen volwaardig mee kunnen praten, zoals de voorstanders van de earth system governance-benadering ook betogen. Maar de impact van het Tijdperk van de Mens is groter. Het menselijk handelen van nu bepaalt meer dan ooit het lot van ecosystemen. De veranderingen die we aanbrengen in de aarde zullen nog eeuwen merkbaar zijn. Het zijn daarmee vooral toekomstige generaties die de gevolgen ondervinden van beslissingen die we nu nemen.

Maar als de mens bepaalt wat voor aarde we aan ons nageslacht doorgeven, moet dat nageslacht dan niet gehoord worden in de politiek? En radicaler nog: als menselijke besluiten mondiale ecosystemen veranderen, zijn deze dan ook niet belanghebbenden in ons politieke proces? Hebben wij het recht om de aarde te veranderen zonder de belangen van het ecosysteem of toekomstige generaties mee te wegen? De ‘ongehoorde’ actoren zouden waarschijnlijk instemmend meezingen met de klassieker van de eind vorig jaar overleden Motörhead-voorman Lemmy Kilmister: ‘Just ’cause you’ve got the power, that don’t mean you’ve got the right.’

Zoals het voorbeeld van financiële regulering in de aanloop naar de crisis liet zien, krijgen beleidsprocessen waar niet alle belanghebbenden in meepraten een zekere bias. Als we in het reguliere politieke proces antwoorden proberen te vinden op de uitdagingen van het Antropoceen is het waarschijnlijk dat er een bias naar de belangen van de huidige generatie mensen optreedt. Om dit te voorkomen zouden de ‘stemlozen’ ook gehoord moeten worden. In het politieke proces zou de stem van toekomstige generaties die op onze opgewarmde planeet gaan leven moeten doorklinken. De ecosystemen die verdwijnen door ons handelen zouden als belanghebbenden gehoord moeten worden. Er is meer nodig dan enkel meewegen van effecten op het ecosysteem naast andere belangen. Politiek in het Antropoceen vraagt om stevige voorvechters van de belangen van stemlozen.

***

Rest de vraag hoe we de belangen van deze stemlozen kunnen laten doorklinken in onze politiek. Wie geeft er een stem aan het Waddengebied of aan ongeborenen? Een coalitie van politieke jongerenorganisaties van de Nederlandse politieke partijen heeft recent opgeroepen om hiervoor een ‘ombudsman van toekomstige generaties’ in te stellen. De ombudsman is vooral bekend als voorvechter van burgers die gemangeld worden door de overheid. De onafhankelijke functie van ombudsman biedt de gelegenheid om op eigen initiatief of op verzoek te onderzoeken of de overheid zich redelijk gedraagt ten opzichte van burgers. Een ombudsman van toekomstige generaties zou hetzelfde doen voor ons nageslacht: zijn de handelingen van de overheid redelijk in het licht van de gevolgen voor toekomstige generaties? Er zijn al enige plekken waar het bureau ombudsman deze rol op zich genomen heeft. Op deze manier wordt aandacht gevraagd voor nieuwe belangen, zij het van buiten het politieke proces zelf.

Een andere manier om de belangen van ‘stemlozen’ beter door te laten klinken in beleidsprocessen is door ze rechtspersoonlijkheid te geven. De Nederlandse praktijk dat maatschappelijke organisaties van rechtswege mogen opkomen voor bijvoorbeeld de Waddenzee komt hier al dicht in de buurt. Als ecosystemen rechtspersoonlijkheid krijgen kunnen de vertegenwoordigers van het ecosysteem in de rechtszaal opkomen voor zijn belangen. Op deze wijze kan de politieke besluitvorming via de rechtbank beïnvloed worden, zoals Urgenda bijvoorbeeld beoogde met haar gewonnen klimaatzaak.

De meest drastische optie om de belangen van stemlozen direct door te laten klinken komt van de Franse filosoof Bruno Latour. Hij stelt een ‘Parlement der Dingen’ voor, waarin niet alleen vertegenwoordigers van mensen, maar ook van bijvoorbeeld bomen en grondstoffen zouden zitten. Gezamenlijk wordt de koers bepaald. Op deze wijze is verzekerd dat alle belanghebbenden direct bij het politieke proces betrokken zijn.

Als we Polanyi volgen in zijn analyse dat te veel onzekerheid en gebrek aan handelingsperspectief in een mondiale economie een tegenbeweging oproept die dit corrigeert, zouden we hetzelfde kunnen verwachten in het Antropoceen. De voorgaande voorstellen doorbreken de politiek-economische status-quo die tot het Antropoceen heeft geleid en creëren zo ruimte voor die tegenbeweging. Niet alleen burgers, maar ook toekomstige generaties en ecosystemen kunnen zo bescherming zoeken tegen de negatieve effecten van onze mondiale fossiele economie.

Wat dat betreft zijn de activisten van Ende Gelaende misschien wel de voorhoede van de tegenbeweging. Zij zijn burgerlijk ongehoorzaam en voeren directe acties om op te komen voor de aarde. Dat is misschien radicaal, maar een nieuw geologisch tijdperk is dan ook een radicale verandering. Nu we in een tijdperk leven waar de mensheid de aarde verandert, is het hoog tijd voor mensen die de samenleving veranderen.


Jasper Blom is voormalig wetenschappelijk directeur van GroenLinks en als politiek econoom verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

Beeld: Cleo Wächter, de cementgroeve van ENCI, Maastricht