Non-fictie over terreur en islam

Meer politiek dan islam

Op zoek naar de oorzaken en gevolgen van het Armageddon van 11 september kiezen drie auteurs verschillende invalshoeken. Ging het om een «botsing der beschavingen» of juist om een strijd binnen de islam, tussen moderniserende secularisten en religieuze fundamentalisten.

Het is doorgaans makkelijker een oorlog te winnen tegen een vijand met een eigennaam (Japan of Duitsland bijvoorbeeld) dan tegen een vijand met een soortnaam. Drugs of armoede geven zich niet over en kunnen niet beloven van herhaling af te zien. Dat geldt ook voor terrorisme. Hooguit kan deze of gene terrorist — of het land dat hand- en spandiensten verricht — worden uitgeschakeld, maar daarmee is het probleem van het terrorisme natuurlijk nog niet de wereld uit. Ook de Amerikaanse «war on terrorism» is er tot op heden nog nauwelijks in geslaagd spraakmakende successen te boeken, zelfs niet in militair-technische zin. Osama bin Laden noch moellah Mohammed Omar zijn opgepakt — al weten we niet zeker of Bin Laden nog in leven is — en uit pure frustratie kondigde het Pentagon onlangs aan clandestiene, gebivakmutste speciale commando-eenheden in te gaan zetten tegen kopstukken van al-Qaeda, ook buiten Afghanistan in landen waarmee de Verenigde Staten niet in oorlog zijn. Wellicht helpt dat, maar de oorlog tegen het terrorisme vraagt meer.

Bernard Lewis is eveneens tot die conclusie gekomen, ook al is hij als Koude-Oorlogsacoliet tegelijkertijd een warm voorstander van een oorlog tegen Irak en laat hij niet na zijn steun te betuigen aan de compromisloze politiek van de Israëlische premier Sharon tegen de Palestijnen. Geheel op zijn eigen manier — erudiet, spitsvondig, met oog voor historische details en gelardeerd met anekdotes — ontvouwt de «ongekroonde deken van de Midden-Oostenstudies» (aldus The New York Times) zijn visie op de wereld van de islam en wat daar allemaal mis mee is. Hij benadrukte de afgelopen maanden bij voortduring dat de vraag «Waarom haten ze ons?» niet de beste is die je kunt stellen na het Armageddon in New York en Washington. Die haat, zo redeneert Lewis, is namelijk niet van vandaag of gisteren, maar «bijna axiomatisch», gaat eeuwen terug en kan dus ook alleen begrepen worden als men zich verdiept in de «duizendjarige rivaliteit van twee wereldgodsdiensten, de islam en het christendom».

Dit punt heeft Lewis eerder gemaakt, en om het heel negatief te zeggen is What Went Wrong een oefening in het recyclen van oude ideeën. De drukproeven van het boek lagen zelfs al klaar op het moment dat de aanslagen in de Verenigde Staten plaatsvonden, maar in het voorwoord vermeldt de auteur een tikkeltje arrogant dat «9/11» toch echt niet begrepen kan worden zonder kennis te nemen van zijn laatste geschrift, ook al komt de naam van Bin Laden slechts één keer voor in het boek.

Arabieren vragen zich volgens Lewis nooit af: «Wat hebben we verkeerd gedaan?» Ze zoeken altijd weer een zondebok elders: achtereenvolgens de Turken, de Mongolen, de imperialisten, de joden, de Amerikanen. «Als de mensen in het Midden-Oosten op deze weg doorgaan», zo sombert Lewis, «dan wordt de zelfmoordterrorist een metafoor voor de hele regio.» Op dit soort geharnaste conclusies valt natuurlijk het een en ander af te dingen, alleen al omdat ze uitgaan van een generaliserende kijk op «de islamitische beschaving» — alsof er niet een enorme verscheidenheid is binnen de wereld van de 1,2 miljard moslims, mede dankzij de wording van een «Europese islam» — en de analyse te veel blijft hangen in termen van ideeën en cultuur. Het gaat allemaal uit van het idee «wij versus zij», met «wij» in een superieure rol. Lewis onderschat ook de capaciteit tot zelfkritiek van «moslims». Het recentelijk gepubliceerde Arab Human Development Report, het eerste in zijn soort en geschreven door Arabieren voor Arabieren, is onbarmhartig in zijn diagnose en concludeert dat de Arabische wereld het vooral zo slecht doet omdat er een schreeuwend gebrek is aan vrijheid, vrouwenemancipatie en kennis. Voor zover er door het VN-rapport met de beschuldigende vinger naar buiten wordt gewezen, is dat vooral richting Israel, omdat de voortgaande bezetting van Arabisch grondgebied eveneens een obstakel vormt voor ontwikkeling, en niet alleen van de Palestijnen.

Tegenover het triomfalistische betoog van Lewis staat de benadering van John Esposito, een recht voor zijn raap formulerende katholiek die leiding geeft aan het Center for Muslim-Christian Understanding aan Georgetown University in Washington. Feitelijk nieuws wordt in Unholy War nauwelijks geboden, maar dat wil niet zeggen dat de boodschap daarmee minder relevant is geworden. Met name in de tweede, interessantere helft van het boek keert Esposito zich tegen de «litanie van zekerheden» die regeringsfunctionarissen en sommige deskundigen over ons hebben uitgestort na de elfde september: Bin Laden en zijn al-Qaeda zijn een stelletje religieuze fanatiekelingen en de aanslag vormde de zoveelste fase in de botsing der beschavingen; de terroristen haten de «American Way of Life» — met name welvaart en vrijheden; islam is onverenigbaar met moderniteit en democratie; geweld en terrorisme zijn inherent aan het islamitische geloof en zijn praktijk, en dat alles tegen de achtergrond van een wereldwijde jihad tegen het Westen.

Esposito is wars van dit soort simplificaties en wordt niet moe te betogen dat het allemaal véél ingewikkelder is en dat «de» islam véél veelzijdiger en gematigder is dan doorgaans wordt aangenomen. Hij ergert zich terecht aan de overmatige concentratie van menige collega-deskundige, en uiteraard de media, op de extremistische randgroeperingen binnen de wereld van de islam. Op zijn beurt maakt Esposito nogal wat ruimte voor de «stemmen van hervorming en dialoog», geïllustreerd aan de hand van de Maleisische «pluralist» Anwar Ibrahim, Mohammed Khatami als man van de «dialoog der beschavingen» en de «kosmopoliet» Abdurrahman Wahid uit Indonesië. Het zal geen verbazing wekken dat Unholy War zich afzet tegen de culturele vooroordelen waarmee het werk van Lewis en anderen (zoals Daniel Pipes en Marten Kramer) doorspekt is. Belangrijker is de constatering van Esposito dat het niet zozeer eeu wenoude ressentimenten zijn die breed worden gedeeld in de Arabische wereld (en daarbuiten), maar veeleer een serie recente grieven ten aanzien van met name de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek.

Het beste van de hier besproken boeken is een bundel opstellen van Fred Halliday. In een geheel eigen stijl en met een jaloersmakende helderheid betoogt Halliday in Two Hours that Shook the World dat de doelen van groepen als al-Qaeda eerder politiek dan religieus of cultureel zijn. Hun belangrijkste tegenstander bevindt zich niet in het Westen, maar thuis. De aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon hadden nauwelijks iets van doen met een strijd tegen de «beschaafde» of de «democratische wereld»; ze waren veeleer gericht tegen de staten in het Midden-Oosten zelf. Haaks op Lewis (en Samuel Huntington, auteur van Botsing der beschavingen) formuleert Halliday dat de belangrijkste strijd niet die is tussen beschavingen, maar die binnen de islam, tussen de moderniserende secularisten en de fundamentalisten. Omdat de Verenigde Staten de kant hadden gekozen van de modernisten (zij het dat deze kwalificatie in het geval van het wahhabitische Saoedische regime tamelijk ongelukkig is) werden zij een doelwit. Van het anti-imperialistische discours van Bin Laden en de zijnen laat Halliday geen spaan heel: «het anti-imperialisme van racisten en moordenaars is een pervers programma».

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de veelbesproken «voedingsbodemtheorieën» nu ook op de intellectuele schroothoop zijn terechtgekomen. Halliday is daarin genuanceerd als hij zegt dat «de Verenigde Staten weliswaar onschuldig en onvoorbereid waren op 11 september, maar dat ze niet zonder verantwoordelijkheid waren en, in sommige vallen, medeplichtig aan eerdere conflicten» (Angola, Congo, Israël/Palestina, Afghanistan en elders). Uiteraard is Bin Laden niet «de kampioen van de Palestijnse zaak», maar het is onder meer de door de Amerikanen gehanteerde dubbele standaard in het Midden-Oosten die maakt dat er wel degelijk een voedingsbodem blijft bestaan waarop de Bin Ladens kunnen gedijen. Ook al gebruiken de jihadisten van deze tijd het verleden vaak als voorwendsel — precies zoals Lewis dat op zíjn manier doet — dat wil niet zeggen dat er helemaal niets is gebeurd in het verleden. Terecht concludeert Halliday echter dat het islamisme of de politieke islam van nu toch in de eerste plaats een antwoord is op politieke uitdagingen van deze tijd, terwijl voor de aanhangers «de Almachtige een geschikte, en soms zelfs oprecht vereerde legitimatie [van de politieke strijd]» is. Eenvoudiger gezegd: politieke islam is meer politiek dan islam.

Een van de weinige problematische kanten aan Two Hours that Shook the World betreft Hallidays inschatting van de impact die «11 september» zal hebben. Ondanks de dramatiek van sommige gebeurtenissen blijft alles vaak verrassend hetzelfde. In dat opzicht, zegt Halliday, is 11 september 2001 niet anders. Maar elders, zowel in de inleiding als in de conclusie, laat hij zich ontvallen dat de «gebeurtenissen een wereldwijde crisis in gang hebben gezet, die we — als we geluk hebben — pas over honderd jaar meester zullen zijn». Eén ding lijkt evenwel zeker: zolang de Amerikanen de war on terrorism op een kortzichtige manier blíjven voeren, hebben zij zelfs aan honderd jaar niet genoeg.

Bernard Lewis

What Went Wrong? Western Impact and Middle Eastern Response

Uitg. Oxford University Press, 180 blz., $ 23,-

John l. Esposito

Unholy War: Terror in the Name of Islam

Uitg. Oxford University Press, 195 blz., $ 25,-

Fred Halliday

Two Hours that Shook the World. September 11, 2001: Causes & Consequences

Uitg. Saqi Books, 256 blz., £10,36