Meer vrouw, meer mens

De vrouwenstrijd heeft alle samenlevingen bereikt. Abram de Swaan bespreekt in Tegen de vrouwen de reactie van mannen hierop en brengt het jihadisme, opkomend rechts-extremisme en christelijk fundamentalisme met elkaar in verband.

Vrouwenemancipatie uit de Vlaamse Panorama, 1967 © Vlaamse Panorama / Spaarnestad Photo / HH

Wat is er voor een socioloog bevredigender dan te ontdekken zelf deelgenoot te zijn geweest van een lange golfbeweging, zonder het aanvankelijk door te hebben?

Emeritus hoogleraar Abram de Swaan (1942), met zijn lange academische staat van dienst, overkwam het. De gestage opmars van de vrouwen in alle geledingen van het maatschappelijk leven voltrok zich onder zijn neus; niet alleen dicht bij huis, in het naoorlogse Nederland, maar ook in de rest van Europa, ja zelfs in het ‘Buitenwesten’, zoals De Swaan het deel van de wereld noemt dat traditioneel niet tot ‘het Westen’ wordt gerekend, maar wel alle invloeden daarvan meekrijgt. Veelzeggend zinnetje: ‘Vrijwel alles wat ik zestig jaar geleden dacht te weten over de aard van de man en de aard van de vrouw is sindsdien door feiten weerlegd.’

En dan kreeg De Swaan zijn portie vrouwenemancipatie ongeveer al thuis uitgeserveerd, als zoon van Hennie de Swaan-Roos, al jong feministe, en later betrokken bij de actiegroep Dolle Mina. Nog zo’n veelzeggend zinnetje: ‘Als jongmens was ik niet echt verheugd over mijn moeders activisme voor de vrouwenzaak. Ik zag er de noodzaak niet van in.’

Hier praat iemand tegen zijn Oude Zelf. Om het actueel te maken: hier praat Thierry Baudet tegen zijn huidige Zelf, aan de hand van het werk van Michel Houellebecq. Ik weet eigenlijk wel zeker dat De Swaan als jongeman niet dezelfde anti-Verlichtingsidealen aanhing als Baudet; de laatste keert zich tegen het feminisme, en de carrière makende vrouw, die zo huis, haard, man en kinderen veronachtzamen. Nee, daarvoor was De Swaan ook toen al te progressief, te zeer gericht op emancipatie – al zal die toen vooral de arbeidersklasse hebben gegolden. Maar een zekere laatdunkendheid over de vrouwenzaak zal zeker ook bij hem hebben gespeeld.

De Swaan laat zien hoe een aantal vooroordelen over wat vrouwen en mannen vermogen in een mensenleven kunnen vergruizen; dat gebeurde niet alleen bij De Swaan zelf, maar op zo’n grote schaal dat we inmiddels spreken van de derde of zelfs vierde feministische golf. De vrouwenemancipatie moet in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw door vooral mannen zijn afgedaan als een marginaal verschijnsel, dat net niet de revolutionaire clou raakte van de politieke economie en de grote dekolonisaties.

En zie nu: de vrouwenstrijd blijkt alle samenlevingen bereikt te hebben, en lijkt over een langere adem te beschikken dan bijvoorbeeld de marxistisch-leninistische revoluties. Zo’n morele revolutie voltrekt zich schoksgewijs: ineens kunnen betrokkenen niet goed meer navoelen hoe ze er eerst zo anders over konden denken.

De inzet van De Swaan is fors: ‘Vrouwen zijn door de eeuwen heen, gedurende duizenden jaren, onderdrukt, door mannen. Dat hoort tot het Algemeen Menselijk Patroon, en daar zijn uitzonderingen op.’ En dit ‘patriarchaat als schrikbewind’ dat nooit is teruggeschrokken voor geweld ‘bestaat nu in de onvoltooid verleden tijd, het heden is zijn gestolde verleden’.

In die zin is dit boek van De Swaan onverholen politiek en activistisch. Het vormt het exacte tegendeel van het essay dat Thierry Baudet schreef voor het tijdschrift American Affairs, onder de titel Houellebecq’s Unfinished Critique of Liberal Modernity. Daarin loopt Baudet te hoop tegen alles waar De Swaan zich nu juist sterk voor maakt: tegen het individualisme, tegen flexibele rolpatronen tussen man en vrouw, tegen het geïndividualiseerde leven en voor de organische orde. Eerst komt het grotere geheel, dan pas de enkeling. Kort gezegd: Baudets politieke filosofie is er een die ‘fundamenteel tegengesteld is aan de principes van de Franse Revolutie’. Het is een antiliberaal pleidooi voor een premoderne samenleving: een Heimat, waar de mannen en vrouwen hun plaats kennen en ‘ingebed’ zijn.

Juist tegen dit groepsdenken en de bijbehorende groepsdruk tekent De Swaan uitdrukkelijk bezwaar aan. ‘Ik wil mensen waarderen om wie ze zijn, niet wat ze zijn (…). Ik doe iemand nog altijd meer recht door haar op zijn allerindividueelst uit te maken voor domkop of schreeuwlelijk (…) dan haar simpelweg af te doen als vrouw met “zo is de vrouw nu eenmaal”.’

Over een dergelijke essentialistische visie op de vrouw: ‘Dit is het absolute nulpunt van de antropologie.’

De vraag die De Swaan vervolgens stelt, is hoe die mannen er toch in geslaagd zijn al die vrouwen zo lang en zo adequaat te onderdrukken. Dat gaat van vruchtafdrijving en puellicide ( meisjesmoord), tot aan genitale verminking, eerwraak, kinderhuwelijken, verkrachtingen en de simpele vaststelling dat het de taak van de vrouw is om eventuele kinderen niet alleen te baren maar ook te verzorgen.

Iedere vrouw die zich afwijkend gedrag veroorloofde en de bestaande man-vrouwverhoudingen verstoorde, werd met zachte en desnoods harde hand gedwongen zich te voegen naar het conventionele patroon. De Swaan: ‘Als alle traditioneel, etnisch, cultureel en religieus pakpapier is weggevouwen blijft van het patriarchaat niets anders over dan een gewelddadig schrikbewind.’

De Swaan gebruikt een metafoor om te duiden hoe ongemerkt die ideeën en vooroordelen standhouden en gedijen: ‘We hebben allemaal en levenslang het fijnstof ingeademd van de sociale discriminatie die ons omringt en waar we blijkbaar deel van uitmaken.’

Het patroon van mannelijke overheersing staat ‘vrijwel overal ter wereld’ op instorten, meent De Swaan, vooral ook omdat meisjes en vrouwen toegang kregen tot onderwijs, zich schoolden voor een beroep buitenshuis, en alleen al daardoor een gevoel van eigenwaarde ontwikkelden.

Uit Suriname, weet ik, komt het praktische advies van meest creoolse moeders aan hun dochters: ‘Je diploma is je man.’

Maar er is ook sprake van een backlash, een ‘terugstoot’ zoals De Swaan het noemt. Want de opmars van de vrouwen tast de vanzelfsprekendheid van de mannelijke overheersing aan en leidt dikwijls tot een gevoel van ‘ontrechting en vernedering’. Ontrechting, want de plek die vroeger rechtmatig door een man kon worden opgeëist kan nu toevallen aan een vrouw; en vernedering, omdat de man als ‘hoofd van het gezin’ niet meer almachtig is maar moet onderhandelen met de gezinsleden, en soms zijn hoofd moet buigen.

Is De Swaan nu bezig één enkele verklaring te geven voor het verloop van de wereld van, zeg, de laatste honderdvijftig jaar? Niet de ‘wereldgeest’ die zich laat gelden, maar de ‘vrouwengeest’, als een feministische volgeling van Hegel?

Daar begint het soms op te lijken, maar De Swaan is te veel socioloog om alle verschillende verschijnselen tot één bron te willen herleiden. De tendens van vrouwenopstand en emancipatie is volgens hem onmiskenbaar, en het stelt hem in staat om ogenschijnlijk flink uiteenlopende fenomenen als het jihadisme, het opkomend rechts-extremisme en het christelijk fundamentalisme met elkaar in verband te brengen. Hij moet daarvoor wel gradaties verschillen voor lief nemen.

Tegen de vrouwen vormt het exacte tegendeel van het essay dat Thierry Baudet schreef over Houellebecq

Naar het inmiddels uitgesleten woord van Samuel Huntington die sprak over ‘Botsende Beschavingen’ ziet De Swaan niet zozeer een wereldwijde strijd tussen culturen, als wel tussen de geslachten. De ‘Beschavingen’ zijn onderling verdeeld: ook in bijvoorbeeld Saoedi-Arabië morrelen vrouwen aan de hekken die rondom hen zijn geplaatst; ook in delen van Latijns-Amerika, waar een verering van Maria en het machismo hand in hand gaan – de vrouw lijdt, de man leidt, vat ik De Swaan samen – zijn vrouwen bezig aan hun opmars.

Over het machismo schrijft De Swaan dat de hoofdprijs niet de vrouw is, maar het ontzag van andere mannen: vrouwen ‘zijn het wisselgeld in het behalen van de ereprijs, die verkregen wordt door andermans ontering’.

Dat van die ontering en de ‘narcistische krenking’ die jongemannen zo oplopen, is maar al te goed voorstelbaar, wat de soms gewelddadige terugstoot nog niet te verteren maakt.

Hoe die mannelijke eer en dat eergevoel toch mee kunnen veranderen met de tijd laat De Swaan buiten beschouwing. Het is jammer dat hij hier niet een beroep heeft gedaan op de inzichten van de Ghanees-Amerikaanse filosoof Kwame Anthony Appiah, die in zijn boek The Honor Code laat zien hoe het verlies van eer ook kan leiden tot een nieuw eerbesef. De voeten van Chinese vrouwen werden eeuwenlang ‘ingebonden’, tot onmachtige klompjes vlees, totdat het een nieuwe eer werd de vrouw of de dochter deze behandeling juist niet te laten ondergaan. Zoiets was de Chinese man ineens ‘zijn eer te na’.

Onder de vrouwvijandige krachten in de wereld bespreekt De Swaan de monotheïstische religies, van de jihad-islam tot de ultraorthodoxe joden.

Daar heeft De Swaan het niet zo op, en daarvoor voert hij redenen aan. Maar hij doet aan ‘verdelende rechtvaardigheid’: al die religies houden de vrouw eronder, op steeds verschillende, maar toch schrikbarend gelijkende manier. De Swaan over het Latijns-Amerikaanse katholicisme: ‘De beroepsvrouwen, de nonnen, gaan gekleed in het “habijt”, dat veel weg heeft van een nikab, maar de gelijkenis valt zelden iemand op.’ Zou het werkelijk?

Het is ook nogal een verschil of alle vrouwen zich in zo’n ‘habijt’ moeten tonen, of enkel de beroepsgelovigen. Observatie van De Swaan: ook rooms-katholieke vrouwen ‘laten zich in de kerk verordonneren door een man in het lang’.

Dat is grappig, een ‘man in het lang’, zeker tegenover die vrouwen. Nog maar vijftig jaar geleden waren het de vrouwelijke studenten en promovendi die zich lieten verordonneren door hoogleraren, toen bijna altijd mannen, en altijd in het lang (toga).

‘Een man in het lang’: daarmee is de klassieke Oudheid met een pennenstreek afgeschreven. Nogal gemeenzaam.

Soms worden forse verschillen tussen religies niet herkend; wordt er iets te voorbarig, iets te rechtvaardig verdeeld, alsof al die monniken, jihadisten en vrome vrouwen dezelfde kappen dragen.

Maar even zo goed stelt hij: ‘Je hoeft niet in God te geloven om rechts te zijn.’

Je kunt ook, bewijst de geschiedenis, heel goed vrouwvijandig zijn, atheïstisch en zeer links. (Zie maoïstisch China en de eenkindpolitiek.)

Het interessantste aan zijn boek is de overeenkomst die de socioloog signaleert tussen het jihadisme enerzijds en de nieuwrechtse, soms extreem-rechtse wereldwijde mannensfeer (manosphere) anderzijds. De beide groepen willen zich graag ideologisch tegenover elkaar plaatsen: de eerste beroepen zich op de ‘zuivere islam’: de tweede op de echte (westerse) man, die als laatste tegenstand biedt tegen ‘de feminisering’ van de maatschappij. En in dezelfde moeite door in de ‘islamisering’ van diezelfde maatschappij.

Maar beide groepen geloven uiteindelijk heilig in de verschillen tussen man en vrouw en de daarbij horende (mannelijke) privileges.

De westerse ‘mannisten’ mogen nog één keer echte, ouderwetse beschermheren zijn, wanneer zij opkomen voor hun vrouwen en vriendinnen tegen de invloed van de islam in het Westen.

Die opkomst van nieuwrechts, van macht en vanzelfsprekendheid verliezende jongemannen moet ook voor De Swaan als een verrassing zijn gekomen – hij groeide op na de oorlog, en de progressieve bomen leken tot in de hemel te groeien. Of in elk geval: tot diep in een nader uit te werken heilstaat. Voor een groep twintigers hier en nu in Nederland betekenen GeenStijl en Forum voor Democratie de begrenzing van hun horizon. Daar zag het tijdens de Maagdenhuisbezetting toch niet naar uit.

Treffend is De Swaans typering van de nieuwe ‘rechtse’ humor. Eerst stelt hij vast dat ‘in Europa links al sinds 1945 het alleenrecht had op de lach’. Dan bespreekt hij het fenomeen van de nieuwe, rechtse spotters met hun ‘kinderachtige, plagerige, vuilbekkende, ongegeneerde toon in tijdschriften, websites en videogames, die zich richten op een veel breder publiek van jongemannen’.

Het is de toon van alternatief rechts, dat zowat een nieuw, provocatief vocabulaire heeft uitgevonden, niet om de gevestigde macht te ‘honen’, maar de ‘vrouwen, homo’s, lesbo’s en transgenders’. De Swaan: ‘Rechts heeft kennelijk de wind in de rug. En het kan daar soms heel hard waaien.’

Nog even: die A. de Swaan, dat is toch een man? Waarom is die zo begaan met ‘de vrouwenkwestie’? ‘Ik heb plezier in de vrouwenemancipatie omdat daardoor vrouwen meer de ruimte krijgen om hun bijzondere zelf te zijn. En mannen ook. (…) (Emancipatie) verlost me van het groepsdenken, vermindert de groepsdruk en stelt me in staat meer mensen te kunnen ontmoeten op hun eigen, bijzondere voorwaarden.’

Meer vrouw, meer mens: daar tekent A. de Swaan voor.