Meeslepende saaiheid

door P.F. Thomése, Haagse liefde & De vieze engel. Querido, 199 blz., 329,90
FAUST, DE ECHTE, leefde rond 1500. Hij was een Zwaab, half charlatan, half natuurfilosoof. Door zijn grote genialiteit werd hij beroemd en bemind bij de mensen. Een halve eeuw na zijn dood verscheen het eerste boek over hem, een volkse beschrijving van zijn tot de verbeelding sprekende leven. Korte tijd daarna stortte een ‘echte’ dichter, de Engelsman Marlowe, zich op de stof en bewerkte het verhaal tot de eerste echte Faust-tragedie. In de versie van Marlowe zit Faust vol drang naar kennis en verlangen naar macht, en barst hij van de hoogmoed. Verleid door een boze engel (en gewaarschuwd door een goede geest) neemt Faust op een dag het besluit de duivel voor zijn karretje te spannen: als de Opperboze 24 uur lang zijn dienaar wil zijn, krijgt hij Fausts ziel.

Mefistofeles wordt dan Fausts dienaar, zoals hij wenste. Hij neemt zijn baas overal mee naartoe, om uiteindelijk te belanden in Wittenburg. Daar zorgt Helena ervoor dat Faust geen berouw toont voor zijn daden, zodat de duivel om middernacht, als de afgesproken tijd voorbij is, bezit neemt van zijn ziel.
Dat was de zestiende eeuw. Tweehonderdvijftig jaar later stort Goethe zich op het verhaal, en schrijft zijn fameuze Faust. Die verschilt veelzeggend van zijn voorganger: werd Faust in de renaissance nog gezien als een verdoemde die een pact sluit met de duivel om meer kennis te verwerven, als een zondaar die tenondergaat aan zijn eigen wanen, in de tijd van Goethe - waarin niet meer wordt geloofd in magie, tovenarij en partnerships met Satan - wordt Faust een geniale Stürmer und Dränger die grenzen wil overschrijden die voor anderen onneembaar blijven.
HET ONDERSCHEID tussen de Marlowe-versie en die van Goethe is de kloof tussen de angst voor (te veel) kennis en de vreugde over de Verlichting; tussen het slechte geweten van de man die verlangt naar kennis en de overwinning van de menselijke geest die waarheid zoekt en uiteindelijk vindt.
Goethe ziet in Faust geen misdadiger, en zijn verlangen, zijn ambitie is niet afkeurenswaardig. Faust representeert de mensheid, en het diep-menselijk streven het leven zo volledig mogelijk te leven - niet alleen door middel van kennis, maar met zijn hele wezen, zijn gevoel, genot, zijn wil en zijn daden.
Mefisto is bij Goethe een vrij grappige figuur, zeker niet angstaanjagend. Hij wil Faust te gronde richten, maar bereikt het tegendeel: hij doceert hem over het bestaan, legt hem de fijne kneepjes van het leven uit. Ten slotte geneest hij hem van zijn ziekelijke idealisme en leert hem de wetten kennen waaraan het handelen van de sterfelijke mens te allen tijde is onderworpen.
Nu, weer honderdvijftig jaar later, is daar P.F. Thomése. Hij heeft in Haagse liefde & De vieze engel, gezien de twee motto’s uit Faust die aan beide novellen voorafgaan, zijn licht laten schijnen over de legendarische figuur, en hem, net als Goethe, opnieuw gemodelleerd naar eigen smaak en inzicht.
We kennen Thomése niet als de grootste Sturm und Drang-schrijver van de Nederlandse literatuur, integendeel. Zowel in zijn debuut, Zuidland, als in de roman Heldenjaren bleek hij een voorliefde te hebben voor het kleine, het statische en het gewone. Pathetiek en grote woorden en gebaren zijn hem vreemd. En ook met zijn nieuwste boek wist hij de recensent binnen anderhalve bladzijde in slaap te schrijven - wat na het ontwaken overigens uitgebreid werd rechtgezet: er blijkt zoiets te bestaan als ‘meeslepende saaiheid’.
THOMESES personages zijn traditiegetrouw zo grijs als een grieperige olifant in een mistbank. Van Poel van Avezaath in de eerste en Bovenkamp in de tweede novelle leiden een bestaan als een dambord: vlak, beperkt, ordelijk en kleurloos. Echte Thomése-helden, dus, van wie je hoopt dat je ze niet in het echt hoeft tegen te komen.
Van Poel van Avezaath is jurist, niet afgestudeerd weliswaar, en werkt negentien jaar voor de Maatschappij, waar hij zich terdege heeft bekwaamd in de ingewikkelde verhouding tussen oorzaak, gevolg en feit. Hij is, in zijn ordentelijkheid en berustende gewoonheid, geknipt voor de verzekeringsmaatschappij. Hij is een man van cijfers, van feiten en sommetjes die telkens dezelfde uitkomst hebben.
Maar: 'Bij alle zorgvuldigheid die hij in acht had genomen, bij alle nauwgezetheid waarmee hij zijn taken had uitgevoerd en bij alle betrouwbaarheid die hij had nagestreefd, had hij één ding over het hoofd gezien. Dat was hem, terwijl zijn vrouw had staan koken, te binnen geschoten als een oud dossiernummer van een verdwenen bestand. Hij had het te laat opgezocht en nu was het er niet meer. Hij was vergeten te leven.’
Op een dag verandert er iets in zijn leven. Hij hoort zijn collega’s praten over een sterfgeval, een zekere mevrouw Van der Vlis. Als Van Poel van Avezaath incognito naar de opgebaarde gaat kijken, krijgt hij een schok: hij wordt aangegrepen door een schoonheid die hij alleen maar als 'bovenaards’ kan betitelen. En hij beseft dat hij voor die vrouw in de kist alles overheeft. 'Zijn eigen vrouw had hij er bijvoorbeeld zo voor willen geven, maar ook iets wat hem nader aan het hart lag, al wist hij zo gauw niet wat, alsof er even niets was wat hem ter harte ging. En met een schokje herinnerde hij zich zijn onverschilligheid - die hem door de aanblik van de verheven dode zowat ontschoten was.’
Van Poel van Avezaath is in de war. In zijn hoofd begint het te malen. Nu hij is geconfronteerd met pure schoonheid, kantelt zijn leven. Hij gaat rare dingen doen, tot aan een zwaar misdrijf toe (althans, dat meent hij), gedreven door haar, die ene vrouw, die belichaming van de schoonheid. Uiteindelijk wordt hij, door een reorganisatie binnen de Maatschappij, weggemanoeuvreerd naar de afdeling Bijzondere Projecten, die speciaal voor hem in het leven is geroepen.
(DE PROTAGONIST van De vieze engel, de heer Bovenkamp, komt ook voor een beslissende wending in zijn leven te staan. Bovenkamp is restaurateur - specialiteit: plafonds, hij conserveert het verleden. 'Conserveren vergde onvergelijkelijk meer dan vernieuwen. De boel overdoen kon altijd, het verleden uitwissen en met een schone lei beginnen. Als niets meer hielp, kon je altijd besluiten: weg ermee, we maken wel iets nieuws.’
Net als Van Poel van Avezaath is Bovenkamp een klein mannetje, gesteld op orde, overzichtelijkheid en berusting. Dat hij een ander leven zou kunnen leiden dan zijn huidige, komt niet in hem op. Pas als zich onverwacht een sjofele heer aan zijn voordeur meldt, verandert er iets.
Meneer Kist heet hij, maar zeg maar Galimatias. De man is een engel. En door de wijze woorden van meneer Kist, en door zijn waardering voor het creatieve talent van Bovenkamp (die heel aardig blijkt te kunnen schilderen), kantelt ook diens leven. Hij wordt, als hij schetsen maakt voor een plafondschildering die hij moet herstellen, ontdekt door een galeriehouder, die hem in no time tot vooraanstaand kunstenaar bombardeert.
'Het restaureren was zijn leven geworden, het was niet iets wat hij had gekozen, dat klopte. Het was iets waar hij zich bij had neergelegd, zoals hij zich ook bij zijn huwelijk had neergelegd - omdat zich niets beters had voorgedaan. Maar was dat verkeerd?’
THOMESE vertelt in deze twee novellen het, allegorisch te lezen, verhaal over een mens (de mens) die vastzit in een geregeld leven, en die berust in zijn gewoonheid. Door een confrontatie met iets waarvan ze het bestaan niet vermoedden, komen er krachten vrij in henzelf die hen doen streven naar iets hogers. En daar gaat het om: het streven, het willen zoeken naar meer, het zich willen onthechten. Goethe schreef al: 'Wie altijd strevend moeite doet/ die kunnen wij verlossen.’
Bij Thomése is de mens die een pact sluit met de engel in tegenstelling tot Faust geen grote geest, maar juist een kleine. Geen wetenschapper, maar ambtenaar, geen schepper maar restaurateur. Thomése heeft in Haagse liefde & De vieze engel een soort omgekeerde Sturm und Drang-thematiek gebruikt. Het verlangen zichzelf te overstijgen, en te reiken naar het hoogste, is niet a priori in de mens aanwezig, maar wordt pas in hem opgewekt als hij wordt geconfronteerd met iets wat buiten zijn gewone leven valt, iets wat hem dwingt zijn eigen bestaan te herijken. Dat is typisch Thomése: de mens is in de grond een klein, berustend en tevreden wezen dat eigenlijk helemaal geen belangstelling heeft voor al die ingewikkelde grote dingen als schoonheid, waarheid en liefde.
Na die eerste anderhalve bladzijde kwam alles toch nog goed. De recensent bleef uitermate wakker, en bleef tot het eind toe geboeid lezen. Thomése schrijft buitengewoon grappig en aanstekelijk. De saaiheid van zijn personages, de saaiheid van hun leven, is ronduit meeslepend.