Serie: ‘Sunderland ’Til I Die’

Meestal de hel

De documentaireserie Sunderland ’Til I Die laat zien dat sport en de harde werkelijkheid onverenigbaar zijn. Op de tribune de euforie. Na afloop woede en verdriet.

Voetbalclub Sunderland AFC (rood) en hun supporters op de tribune in de Netflix-serie Sunderland ’Til I Die © Netflix

‘Aan het kruis hing Jezus. Naakt. Bloedend. Toen hij stierf, voelde hij zich verlaten door god. Zijn leven en boodschap leken mislukt, op die dag. Maar toen kwam de wederopstanding. En alles veranderde. Voor u, voor mij, voor ons allemaal. Voor altijd. Laten we bidden voor onze voetbalclub.’ Op de heuvel wordt het stil. De dominee buigt zijn hoofd. De massa volgt zijn voorbeeld. Even later verspreiden de mensen zich. In lange rijen drentelen ze voorbij het houten kruis met het onzichtbare, vastgespijkerde lichaam naar beneden de straten in, waar honderden rijtjeshuizen staan, voorbij de pubs waar ze ’s avonds met een pint bier praten over de werkloosheid en de armoede, en uiteindelijk gaan ze met z’n allen richting het heilige gras van het Stadium of Light.

Dat was Paaszondag twee jaar geleden, toen Sunderland AFC een cruciale wedstrijd speelde die de club bij winst een stapje dichter bij de tweede divisie zou brengen. Maar Sunderland verloor. Zoals Sunderland wel vaker verloor. Bij de club is het al jaren een en al ellende. Juist dit maakt de documentaireserie Sunderland ’Til I Die, waarvan het tweede seizoen onlangs op Netflix verscheen, zo prachtig om te zien: de supporters steunen hun falende club met de verbetenheid van diep gelovigen. Ooit zal de echte verlosser komen. Die spits, in bloedvorm, die niet kan stoppen met scoren. Die verdediger die zegt: over mijn lijk laat ik je passeren. Die trainer die precies weet volgens welk systeem de lads moeten spelen. Die eigenaar die de juiste aankopen doet op de heilige dag van de transferdeadline.

Ooit waren er gloriejaren, maar daarover zien we weinig tot niets. De tijd waarin Sunderland in de hoogste divisie, de Premier League, speelde, ligt in het verleden. Daarom wordt er nu zondag na zondag gebeden. Almachtige God, zorg voor onze spelers, maak dat ze de bal zuiver raken, dat ze trefzeker de sliding inzetten, dat ze die verdomde gaten tussen middenveld en spits dichten. In hemelsnaam, amen. Tegenover de dominee staat de congregatie: uitgedost in Sunderland-shirts in rood en wit, strakke gezichten met diepe lijnen, verbeten blikken in de ogen. Bij deze mensen loopt de hoop als een rode draad door het leven. ‘Sunderland totdat ik er dood bij neerval’ is geen leuze bedacht door een marketeer – het is de sleutel tot hoe je leeft in deze stad in het noordoosten van Engeland.

Het Engelse productiehuis Fulwell 73 (Fulwell: de naam van een tribune in het Stadium of Light, het thuis van Sunderland AFC, geopend in 1997, plaats voor vijftigduizend toeschouwers; 73: het jaar waarin de club de FA Cup won) koos voor de vlieg-op-de-muur-stijl. De stijl is een cliché, maar hier brengt de vorm je echt midden in het leven van de Sunderlanders. Als onzichtbare kijkers trainen we mee, zitten we op de tribunes, zijn we getuigen van miljoenendeals in de directiekamers en bidden we uiteindelijk samen als de ‘Mackems’ het hoofd buigen – dit hoeft niet per se in een kerk of op Paaszondag op de heuvel naast het kruis, het kan ook gewoon in de pub of op de tribunes – en Hem smeken: laten we winnen.

‘Mackem’. Zo heet je als inwoner van Sunderland. Over de oorsprong van de term bestaat geen consensus, maar een gangbare interpretatie is dat die afgeleid is van mack’em, dat wil zeggen: make them, een verwijzing naar de scheepsbouw, vooral in de negentiende eeuw de grootste industrie in Sunderland.

Het allereerste schip dateerde uit 1346 en algauw had je ‘Mackems’ en ‘Tackems’, respectievelijk bouwers van schepen en lieden die met de vaartuigen de zee opgingen. Maar ‘Mackem’ werd een pejoratief doordat de historicus William Fordyce in 1857 in zijn The History and Antiquities of the County Palatine of Durham suggereerde dat bouwers in Sunderland in de achttiende eeuw schepen niet bouwden, maar maakten, dat wil zeggen: schepen uit Sunderland waren van twijfelachtige kwaliteit. Niettemin, Sunderlanders bleven schepen bouwen, in de Tweede Wereldoorlog, maar ook daarna. De neergang kwam in de jaren vijftig en zestig en vooral zeventig, toen de scheepsbouw werd genationaliseerd en werkers massaal hun baan kwijtraakten. De laatste werf werd op 7 december 1988 gesloten.

Supporters steunen hun falende club met de verbetenheid van diep gelovigen

Nostalgie naar die gloriedagen van de scheepsbouw is er volop in de intro van Sunderland ’Til I Die. De voorkant van een enorm schip vult het scherm, begeleid door het lied Shipyards van ‘Mackem’ Marty Longstaff, waarvan de tekst alles zegt over het leven in de stad: ‘Op de rivier waar ze ooit de boten bouwden/ Bij de havenmuur de plaats waar je het meest van hield/ … Je leven lang werkte je jezelf de grond in/ Je werkte hard voor elk klein dingetje dat je bezat…’ De melodie is melancholiek, met op de achtergrond zwart-witbeelden van actie op het voetbalveld, waarna de camera liefdevol langs de rijen stoeltjes in rood en wit beweegt, terwijl een lichtbundel van boven over de tribunes valt. Verleden en heden vloeien door elkaar heen. Tussen hoop en vrees leven de Sunderlanders, tussen de herinneringen aan betere tijden en de angst voor de spirituele dood die verliezen op het voetbalveld betekent.

Dat laatste komt aan het einde van het eerste seizoen, als Sunderland degradeert en in de derde divisie (League One) belandt. Na de beslissende wedstrijd lopen de supporters woedend naar buiten. Ze kijken wild. Ze vloeken. Ze zwaaien met wijs- en middelvinger in de lucht, een V-teken vormend, dat wil zeggen: ‘Fuck you!’ Een man schreeuwt: ‘Tory bastards!’ Hij bedoelt de leiding van de club, naast de trainer en de financieel bestuurder vooral ook miljonair-eigenaar Ellis Short. Even later komt het nieuws: alledrie vertrekken ze, de club wordt verkocht. Dit is een mooi moment in de serie, omdat het klassenverschil pijnlijk duidelijk wordt: aan de ene kant de ‘bazen’ en de spelers, en aan de andere kant de supporters die leven in ellende. Maar meer nog komt naar voren dat de Mackems de echte eigenaar van Sunderland AFC zijn.

De nieuwe bazen zijn gladjanussen . Voorzitter Stewart Donald is zakenman, directeur Charlie Methven komt uit de pr. De een stamt uit Oxford, de ander uit Londen. Ze dragen dure pakken met zijden stropdassen. ‘Tory bastards’ ten voeten uit. Maar in het tweede seizoen van Sunderland ’Til I Die worden ze binnengehaald als reddende engelen. Stewart en Charlie ontmoeten de supportersvereniging in de pub. Ze drinken pints. Ze beantwoorden vragen. De supporters zijn tevreden. Even later zegt Charlie tegenover zijn pr-team: ‘We moeten de club duurzaam maken. Dat zal voorkomen dat mensen op zondag in de kerk zitten te huilen. De club bepaalt de blijdschap van Sunderland.’

In de weken die volgen beginnen de lads te winnen. In het stadion heerst vreugde. De onzichtbare camera brengt ons tot midden in de wedstrijd. De montage is snel, passend bij het ritme van het spel. De wide-screenbeelden zijn genomen vanaf grondhoogte. Een vleugelspeler zoeft naast zijn tegenstander, de cross komt, de spits controleert, draait en windt zichzelf in slowmotion op voor het schot. ‘Gooooaaal!’ gilt de radiocommentator van de bbc, zelf een Mackem. Overgang naar de tribunes waar het krioelt van de Mackems, in extase, armen in de lucht. Een prachtig shot vangt Charlie in een onbewaakt moment. Zittend naast een blondine met een decolleté geschikt voor een pr-feestje gaat hij helemaal los: eerst woedend schreeuwend naar de trainer: ‘Breng nú die wissel, sukkel!’ waarna hij mal van vreugde op een neer springt als Sunderland scoort. In het zoete moment zijn ze allemaal gelijk, Mackems en Tory bastards.

Zowaar bereikt Sunderland Wembley. Weliswaar gaat het om de mindere Football League Trophy, maar de Mackems weten niet wat hun overkomt. De camera volgt twee supporters, een taxichauffeur en zijn vrouw, die het voor de wedstrijd in het centrum van Londen op een zuipen zetten. De taxichauffeur glundert. ‘Kijk ze nou’, zegt hij triomfantelijk, wijzend naar andere feestende Sunderlanders. ‘En ze hebben geen pot om in te pissen!’ Natuurlijk, Sunderland verliest. Na afloop is de stemming omgeslagen – de euforie verdwijnt in een diep dal. De betraande ogen van een vrouw van middelbare leeftijd. Zacht zegt ze tegen de camera: ‘Waarom zijn wij het nooit die juichen?’

Ze leven of in de hemel of in de hel, zien we in Sunderland ’Til I Die. Meestal in de hel. Voetbal, de belofte van verlossing, biedt hoop. Maar daar stopt het. De serie legt bloot dat sport en de harde werkelijkheid nooit verenigbaar zijn. De eerste krijgt vorm door de schoonheid, de tweede door beelden die frenetiek de wanhoop en weerzin registreren, bijvoorbeeld hoe verliezende Sunderlanders woedend de cameraman aanvallen en zijn apparatuur slopen.

Dit is de droom: jonge lichamen in gracieuze beweging, de blijdschap van samenzijn in een team dat werkt aan een nobel doel. Dit is de echtheid: lichamen van supporters gebroken door slecht leven, ziekte en verdriet, uitgebuit door een systeem dat teert op kwetsbaarheid. Want werkelijk iedere cent sparen ze om een seizoenskaartje te bekostigen, om jaar in jaar uit dat dure, nieuwe Sunderland-shirt te kopen, om, al is het maar even, het hart op te halen aan de glorie weerspiegeld vanaf het groene gras. Bidden doen ze onverminderd, onwrikbaar in hun geloof.


Sunderland ’Til I Die is nu te zien op Netflix