Martin van Amerongen streed met floret

Meester-amateur, mentor en vriend

Die krullende manen, zwierig en elegant. Als van een Weense filosoof. Een Weense kapper. Iets daar tussenin. Daaraan kon je Martin van Amerongen in een oogopslag herkennen. Een kleine man, maar het tegendeel van onopvallend.

Zelden of nooit ben ik iemand tegengekomen die dermate erudiet was. Liep hij ermee te koop? Een beetje, ja. Zijn artikelen besprenkelde hij royaal met verwijzingen naar of citaten uit werken van Heinrich Heine, Rosa Luxemburg, Kurt Tucholsky, Stefan Zweig, Arthur Schnitzler of Karl Kraus. Zijn voorkeur ging, geloof ik, uit naar Oostenrijkse auteurs van kort voor de Eerste Wereldoorlog. Hij was een van de zeer weinige Nederlanders die zichzelf toegang had verschaft tot deze half vergeten schatkamer van de beschaving. Ook in de muziek, die hij even teer beminde (maar waarmee hij bij een hopeloos a-musisch type als ik minder weerklank vond) waardeerde hij de klassieken het meest; de trippelpassen van Mozart, het klaroengeschal van Wagner, de melancholie van Mahler, en Schubert, zijn favoriet.

Waar hij slechts af en toe, terzijde, met een knipoog aan refereerde, was het feit dat hij in cultureel opzicht een volkomen selfmade man was. Voor hem geen lange, beschermde jeugd, gymnasium en universiteit. Hij was geen doctorandus, iemand die de rest van zijn leven nog doctor zou moeten worden. Van Amerongen verdiende al vroeg zijn eigen brood, en begonnen als jongmaatje bij een provinciale editie van Het Vrije Volk werkte hij zich op tot een van de meest markante en briljante persoonlijkheden uit de Nederlandse journalistiek. Onderwijl alles in zich opzuigend wat hem aansprak, boeide, interesseerde. Onverschillig of het iets was van vandaag of van eergisteren, politiek, literair, of muzikaal.

Martin van Amerongen kon, in zijn teksten, soms scherp uit de hoek komen. Zijn wapen was echter niet de megafoon, laat staan de botte bijl, maar het floret. Degene met wie hij polemiseerde werd dan haast onopvallend, in een bijzin, gefileerd. De stijl waarin hij excelleerde was de ironie, af en toe vilein, meestal mild. Dat laatste was hij altijd in zijn persoonlijke optreden.

Ik leerde Martin vluchtig kennen in de tijd dat hij nog bij Vrij Nederland werkte. Hij trof me daar als een oase van zachtmoedigheid te midden van een nogal hitserig troepje verslaggevers. De kennismaking werd hernieuwd en geïntensiveerd vanaf het moment dat hij als hoofdredacteur zijn intrede deed bij De Groene Amsterdammer. Onze toenmalige redactie had aanvankelijk niet veel fiducie in de managerskwaliteiten van Van Amerongen. We vielen op zijn superieure stijl en politieke integriteit en wilden ons met genoegen tevreden stellen met af en toe een fraai artikel van zijn hand.

Het bleek de onderschatting van de eeuw. Martin werd niet alleen de vlag van De Groene, maar was vanaf het prilste begin zijn ziel en grote inspirator. Met volle overgave gaf hij zich met alles wat hij had te bieden aan dat groepje jonge, maatschappelijk sterk betrokken, betrekkelijk onervaren en amateuristisch te werk gaande journalisten.

Hij was onze meester-amateur, onze mentor en voor bijna iedereen van ons een persoonlijke vriend. Zijn distantie, distinctie en (zelf)spot gingen een onwaarschijnlijke, maar fantastisch functionerende fusie aan met de traditionele ernst en het engagement van De Groene. En zo is dat al die jaren gebleven.

Martin is voor De Groene eigenlijk onmisbaar. Met zijn ziekte ging hij om als een man. Dapper. Hij leerde er zelfs over praten. Hoewel dat pijnlijk voor hem was, want hij gruwde van iedere vorm van larmoyantie of exhibitionisme. Zijn kracht lag – ligt – in het rake understatement. Hij zei ‘net’, als hij beschaafd en menselijk bedoelde.

Hij is er stilletjes vandoor gegaan in een week die zo overdonderend in het teken staat van die andere columnist, in vrijwel alles Martins tegendeel. Lieve, lieve Martin, in deze wonderlijke dagen kunnen we niet goed zonder een nette man als jij.