Markus Wolf, DDR-spionagechef, is zelden betrouwbaar

Meester in het oppoetsen van zichzelf

Markus Wolf, de spionagechef van de DDR, is in Nederland. Voor medeverantwoordelijkheid aan onderdrukking van de eigen bevolking moet je niet bij hem zijn. Zijn favoriete rol is die van de overtuigde communist die het socialisme wilde hervormen.

De nu tachtigjarige zit niet stil. Vier boeken vol herinneringen en een Russisch kookboek staan op zijn naam. Op de televisie is hij een welkome gast en voor lezingen, interviews en signeersessies valt hij altijd te porren. Zijn boodschap is duidelijk: hij was de man van de intelligence. En heeft niet iedere staat recht op een inlichtingendienst? Bovendien heeft zijn dienst, aldus Markus Wolf, eraan bijgedragen dat Europa zo’n lange periode van vrede heeft gekend. Vrede! Het toverwoord van de DDR: samen met antifascisme het begrippenpaar dat het land moest ontdoen van zijn imago als repressieve totalitaire staat die zijn eigen mensen opsloot en als ze vluchtten op hen liet schieten. In het officiële zelfbeeld van de DDR beschermde de Muur, de «antifascistische beschermingswal», de bevolking tegen het oprukkende militaire gevaar uit het Westen. In de socialistische staat, luidde de leer, waren alle inspanningen gericht op vrede. Het leger was een vredesleger. De paramilitaire troepen, de verplichte lessen Wehrkunde, de vijfjarenplannen, kunst en cultuur — alles droeg bij aan de vrede. Dankzij die vrede bleef de socialistische ordening in stand, die op haar beurt weer voor vrede zorgde.

In dit sjabloon paste ook een sterke veiligheidsdienst, die onderdanen en systeem beschermt tegen gevaren uit binnen- en buitenland. Daarom was er een Ministerium für Staatssicherheit met op het laatst 110.000 vaste medewerkers en waren er nog eens een honderdduizend vrijetijdverklikkers. Vlak voor het einde werkte één op de 180 DDR-burgers full time voor de Stasi. Ter vergelijking: de verhouding KGB-medewerkers en sovjetburgers was toen 1 op 595.

Voor de buitenlandspionage van de DDR werkten circa tienduizend mensen, de helft van het aantal CIA-medewerkers. En ze werkten op niveau. In de toptien van inlichtingendiensten staat deze Hauptverwaltung Aufklärung (HV A) op nummer vier, na CIA, KGB en Mossad.

Formeel was HV A gericht op het buitenland. Dat de spionagedienst wel degelijk werd ingezet om mee te werken aan de vervolging van «binnenlandse vijanden» wordt duidelijk uit talloze documenten die de massale dossiervernietiging door de dienst zelf hebben overleefd. Zo vroeg Markus Wolf in 1981 om een aantal jonge medewerkers met een Lizenz zum Töten, die vijandige personen onschadelijk konden maken. Een stuk uit 1980, voorzien van Wolfs handtekening, bevat richtlijnen van de binnenlandse dienst aan de HV A. De inlichtingendienst moest vijandige activiteiten van dissidenten in het buitenland opsporen en «aantonen» dat zij door de West-Duitse en Amerikaanse inlichtingendienst werden aangestuurd.

De HV A-afdeling voor Desinformatie was onder meer belast met Zersetzung, het kapotmaken van tegenstanders in binnen- en buitenland. Het bekendst zijn de gevallen van de dissidente schrijvers Biermann en Fuchs en de oppositionelen Bärbel Bohley en Vera Wollenberger. Bijna eindeloos is de reeks van onschuldig lijkende pesterijen tot en met gedwongen zelfmoord en poging tot moord in de vorm van geënsceneerde auto-ongelukken. Minder bekend is het lot van de duizenden kritische burgers die het waagden hun mond open te doen, het opnamen voor de Poolse vakbond Solidariteit of die gewoon het land uit wilden. Vergeleken bij de terreur uit de jaren vijftig — zware gevangenisstraffen voor onschuldige vergrijpen en gewelddadige ontvoering van honderden mensen — lijkt de latere Stasi-terreur peanuts. Afgebroken schoolloopbanen, verpeste levens, een jaartje gevangenis, een door de Stasi verwoest huwelijk — waar zeuren die dissidenten van weleer toch over?

In de jaren vijftig ging er een schok door de beschaafde wereld. In het Rijnland waren synagogen beklad en joodse graven beschadigd. In West-Duitsland waren antisemieten kennelijk weer actief! Meer dan tien jaar later bleek de toenmalige bondspresident, ingenieur Heinrich Lübke, in de oorlog barakken voor concentratiekampen te hebben ontworpen. Het weekblad Stern berichtte over bouwtekeningen met authentieke handtekening. Dat de oude christen-democraat Lübke hardnekkig ontkende, maakte geen geloofwaardige indruk. Toen in 1992 de archieven opengingen, bleek dat de Stasi de antisemitische acties had uitgevoerd. Verantwoordelijk voor Lübkes nagemaakte handtekening op de blauwdrukken was de in 1966 opgerichte afdeling Desinformatie van HV A. Die ressorteerde direct onder Markus Wolf.

De geschiedenis van Georg Angerer belichaamde zelfs alle vormen van staatsterreur in het Duitsland van de twintigste eeuw. Letterzetter Angerer leerde in Noorse ballingschap medevluchteling Willy Brandt kennen. Toen de nazi’s Noorwegen binnenvielen, vluchtte Brandt naar Zweden. Angerer bleef in Noorwegen, waar hij voor de Gestapo werkte. Na de oorlog keerde Brandt naar het westen van Duitsland terug. Angerer kwam in Leipzig terecht. In 1959 werd hij gearresteerd. Over die arrestatie brak in 1997 voor het Oberlandesgericht in Düsseldorf een heftige strijd uit. Aangeklaagde was Wolf. HV A-documenten toonden aan wat de reden van Angerers aanhouding in 1959 was: Angerer was op last van Wolf in een Stasi-gevangenis in 37 zittingen bewerkt om te verklaren dat Brandt destijds in Noorwegen met de Gestapo zou hebben samengewerkt. De bedoeling van de lastercampagne was Brandt, toen burgermeester van West-Berlijn, tot aftreden te dwingen. Het lukte niet om Angerer aan te pakken. De actie werd stopgezet. Wolf verdedigde zich in 1997 door te verklaren dat met Angerer een oorlogsmisdadiger moest worden gearresteerd.

De ontspanningspoliticus Brandt had Wolf altijd geïnspireerd. Diens bekendste meesterzet was der Spion im Kanzleramt: Günter Guillaume, de Stasi-mol die opklom tot een van Brandts persoonlijke medewerkers. In die hoedanigheid had hij toegang tot de geheimste stukken, die hij met socialistische plichtbetrachting naar Oost-Berlijn doorgaf.

Wolfs bespiegelingen achteraf hierop zijn meer dan paradoxaal. Enerzijds de trots op zijn uitzonderlijke prestatie en de schande dat een topspion tegen de lamp is gelopen. Anderzijds lichte spijt over zijn bijdrage aan de val van Brandt in 1974, de politicus die twee jaar eerder mede dankzij de omkooppraktijk van Wolfs dienst een motie van wantrouwen overleefde, hoewel zijn positie binnen de SPD wankel was.

Hoe genuanceerd dit ook mag klinken, Markus Wolf is zelden een betrouwbare bron. Als hij wordt aangesproken op de misdaden van de Stasi verwijst Wolf steeds naar de formele scheiding tussen buitenlandse inlichtingendienst en binnenlandse veiligheidsdienst. Zijn plaatsvervangend-ministerschap doet hij af als een formaliteit.

In 1986 verliet Markus Wolf na 34 jaar zijn post. Een ongebruikelijke stap om als General oberst van de staatsveiligheid op je 62ste te gaan rentenieren. Hij kreeg een afscheid in uniform, met Karl Marx-medaille en gegraveerde dolk als beloning. De Stasi was immers een militaire organisatie. Later ging Wolf uitleggen dat zijn groeiende onvrede over de geperverteerde veiligheidsdoctrine en zijn waardering voor Gorbatsjov reden tot vertrek waren. Maar Wolfs opvolger heeft nooit iets van twijfels bij Wolf gemerkt. Ook de West-Duitse informante-uit-overtuiging Gabriele Gast, die Wolf acht keer ontmoette, heeft een andere verklaring voor Wolfs vertrek. Volgens Gast waren zijn erotische escapades een veiligheidsrisico.

Markus Wolf zelf prefereert niettemin de versie dat hij perestrojka en glasnost in de DDR had willen invoeren. Feit is dat hij in een laat stadium contact heeft gezocht met de oppositie. Tijdens de demonstratie op de Alexanderplatz in 1989 hield hij voor een half miljoen betogers onder luid en aanhoudend boegeroep een redevoering. Na afloop wilde hij Bärbel Bohley de hand drukken. Ze weigerde. Vijf dagen later viel de Muur.

In het verenigde Duitsland ging Markus Wolf op de vlucht voor de Duitse justitie, eerst naar Moskou en toen naar Oostenrijk. Na zijn terugkeer werd hij in 1993 veroordeeld. Het vonnis werd vernietigd na de uitspraak van het hoogste gerechtshof dat spionage slechts beperkt strafbaar is. In 1997 volgde een zaak wegens zijn aandeel in ontvoeringen en de zaak-Angerer. Wolf kreeg twee jaar voorwaardelijk.

Markus Wolf blijft intussen zorgvuldig vijlen aan zijn imago van de man die Reformkommunist werd. Steeds vaker memoreert hij de tijd in Moskou, waar ouders en kinderen Wolf in 1934 als communisten en als joden voor Hitler naartoe vluchtten. Stalin en de terreur komen slechts in de marge voor. Steeds vaker ook duiken zijn vader en zijn broer op: Friedrich Wolf, natuurdokter en socialistisch toneelschrijver, en Konrad, in de DDR regisseur van licht kritische films.

Het is hem liever dat hij met hen in één adem wordt genoemd dan met Stalin en Stasi.

Donderdag 6 maart om 16.00 uur is in de Singelkerk te Amsterdam een tweegesprek tussen Markus Wolf en Egon Bahr, voormalig adviseur van Willy Brandt