Josef Ackermann: bankier, lobbyist, orakel

Meester van de crisis

Sinds de crisis is Deutsche Bank-chef Josef Ackermann machtiger dan ooit. Tegelijkertijd regeringsadviseur en hoofd van de internationale bankenlobby, heeft hij er in de aanloop naar de G20-top in Toronto alles aan gedaan om werkelijke financiële hervormingen te dwarsbomen.

HET LEEK WEL EEN chirurg, de man die eerder deze maand sprak in de met kroonluchters versierde stallen van de Spaanse rijschool in Wenen. Voor een publiek van honderden bankiers toonde Josef Ackermann zich voorstander van ‘robuuste’, maar toch ook 'verfijnde’ en vooral 'uitgebalanceerde’ ingrepen in het financieel stelsel. Tegelijkertijd waarschuwde de bestuursvoorzitter van Deutsche Bank voor de 'groeiende politisering’ van het debat hierover. Een door de bankensector zelf vervaardigd rapport over de gevolgen van regulering moest dat gevaar onderstrepen. Te veel financiële regelgeving zou alleen al in de eurozone, de Verenigde Staten en Japan drie procent groei kosten en 9,7 miljoen nieuwe banen.
Bizarre getallen, maar Ackermann vertrok in de imperiale Weense balzaal geen spier toen hij de hoop uitsprak dat dit onderzoek 'het begrip verdiept’ bij de beleidsmakers en hun in staat zal stellen 'de juiste balans tussen stabiliteit en groei’ te vinden. De boodschap die Ackermann uitdroeg op de bijeenkomst van het Institute of International Finance (IIF), de internationale bankenlobby waar hij zelf voorzitter van is, was kortom helder. Financieel-economisch beleid heeft weinig met politiek te maken, maar alles met deskundigheid. Laat het maar aan ons over.
Ackermanns nadruk op het belang van technische know-how is strategisch, merkte de Duitse Tageszeitung eens op in een analyse. Hoe complexer bankieren wordt gemaakt, hoe groter het concurrentievoordeel voor internationaal vertakte marktleiders als Deutsche Bank. Maar bovenal verschaft het de bankier maatschappelijke autoriteit. 'Zo wordt de bankmanager opgewaardeerd tot ingenieur, en verandert de bankensector van een aanbieder van diensten in een industrie’, aldus het linkse dagblad. Het spreekt voor zich dat van technische zaken de politiek zich verre dient te houden. Een collega-bestuurder van Ackermann bij Deutsche Bank sprak het bij de conferentie in Wenen openlijk uit: het enige werkelijke systeemrisico heet op dit moment overheidsbemoeienis.

DE MACHTIGE BANKENLOBBY heeft succes. Komend weekeinde praat de G20, de twintig belangrijkste economieën, in Toronto over financiële hervormingen. Maar het ziet er nu al naar uit dat iedere poging om de markt te laten meebetalen aan de door haar veroorzaakte crisis, van de bankenheffing tot een Tobin-tax, strandt op internationale verdeeldheid. In Duitse regeringskringen wordt voorzichtigheidshalve al gesproken over Toronto als 'tussenetappe’. Zolang de publieke opinie daarom vraagt, houden regeringen vol desnoods op eigen titel maatregelen in te voeren. Maar die bravoure is mogelijk snel vergeten. En als het aan de banken ligt, worden zelfs de bescheiden eisen die het nieuwe Basel-akkoord formuleert ten aanzien van bijvoorbeeld financiële buffers verder versoepeld.
Hoe kan de financiële wereld daarmee wegkomen? Wie dat wil begrijpen, moet de blik afwenden van stereotiepe slechteriken als Goldman Sachs. Het zijn mannen als Josef Ackermann die tot de werkelijke crisismeesters behoren. Door op de juiste momenten spijt te betonen en concessies te doen, hebben zij ervoor gezorgd dat nog geen twee jaar nadat overheden wereldwijd de banken moesten redden van hun ondergang de verhoudingen omgekeerd zijn.
Josef Ackermann als modelbankier - tot voor kort zou zo'n suggestie zijn weggelachen. Toegegeven, discipline en vlijt behoorden tot de kernwaarden in de opvoeding van Ackermann, in 1948 geboren als zoon van een arts in het Zwitserse dorpje Mels. Maar lange tijd gold hij in Duitsland als toonbeeld van de nieuwe, Angelsaksische manager. De man die vroeger 'Seppi’ werd genoemd, was 'Joe’ geworden. De benodigde competitiedrift zat er van jongs af in, schrijft de Zwitserse journalist Erik Nolmans in zijn in 2006 verschenen Josef Ackermann und die Deutsche Bank. Zoals het cliché waarin zulke managersbiografieën grossieren wil, veroverde de sportieve Ackermann het mooiste meisje van de klas, de dochter van een lokale meubelfabrikant.
Na het gymnasium studeerde Ackermann economie en sociale wetenschappen in Sankt Gallen. In 1977 promoveerde hij, uitgerekend bij professor Hans Christoph Binswanger, bekend om zijn kritiek op economische groei als dogma. Daar had zijn leerling duidelijk minder moeite mee. Na jarenlang te hebben gewerkt voor een Zwitserse bank nam Ackermann in 1996 zitting in het bestuur van Deutsche Bank. Hij werd verantwoordelijk voor de snel groeiende zakenbankactiviteiten. Onder zijn leiding groeide Deutsche Bank uit tot een speler van wereldformaat, die zich kon meten met de allergrootste Amerikaanse en Britse jongens.
Tien jaar na zijn aantreden had Ackermann het als eerste buitenlander ooit tot bestuursvoorzitter van Deutsche Bank geschopt. Opgeteld bij zijn talrijke toezichtsfuncties, onder meer bij Siemens en Shell, maakte dat hem de machtigste manager van Duitsland, misschien wel van Europa.
Veel waardering oogstte hij daar aanvankelijk niet mee. In de ogen van het grote publiek was hij het stereotype van de onscrupuleuze superkapitalist. 'Ackermänner’ werd in Duitsland een scheldwoord voor onverantwoordelijke, graaiende managers. Hoewel zijn vaste jaarsalaris met 1,15 miljoen euro bescheiden heet, liep dit bedrag door extra bonusuitkeringen vaak op tot boven de tien miljoen euro. Zelf vindt hij dat niet meer dan rechtvaardig, zo bleek ook tijdens het zogenaamde 'Mannesmann-proces’ in 2004. Ackermann en anderen stonden bij die gelegenheid voor de rechter wegens het iets te ruimhartig strooien met premies voor bestuurders rond een vijandelijke overname. 'Dit is het enige land waarin degenen die succes hebben en waarde scheppen, om die reden voor het gerecht worden gedaagd’, reageerde de Zwitser verontwaardigd. Hij bracht het er uiteindelijk af met een boete van 3,2 miljoen euro.

UITGEREKEND DE FINANCIËLE crisis heeft het publieke imago van Ackermann doen kantelen. Daarvoor moest hij zelf opvallend weinig concessies doen. Nog altijd streeft Ackermann met zijn bank een jaarlijks rendement na van 25 procent, een doel dat onmogelijk valt te bereiken zonder grote risico’s te nemen. En ook in 2009 was Ackermann de best verdienende manager van een beursgenoteerde onderneming in Duitsland. Zelfs de beloning voor het bankbestuur als geheel is onder zijn leiding in de crisis verder gestegen, naar in totaal 39 miljoen euro.
Toch geldt Ackermann ineens als een solide, door velen zelfs bewonderde bankier. Daarvoor zijn twee redenen. Ten eerste weet Ackermann als geen ander buigzaamheid te suggereren. Daarbij zijn symbolische gestes belangrijker dan daden. Anders dan collega’s heeft Ackermann al snel ruimhartig spijt betuigd over de rol van de banken in de kredietcrisis. Schuld bekennen kost immers niets. Ook de bonuswoede was hij voor. Eind 2008 maakte Ackermann via Bild wereldkundig dat hij voor dat jaar van zijn bonus zou afzien, 'als persoonlijk teken van solidariteit’. Lof was zijn deel. Dat Deutsche Bank op grond van haar resultaten toch geen bonussen zou hebben uitgekeerd - het concern leed een recordverlies van 5,7 miljard euro - werd over het hoofd gezien.
Ten tweede presenteert Ackermann zich als deskundig crisismanager. Zijn entourage wordt niet moe te benadrukken dat Deutsche Bank als een van de weinige grote Duitse banken géén staatshulp nodig heeft gehad. Zijn nevenfuncties als gasthoogleraar aan de London School of Economics en buitengewoon hoogleraar in Frankfurt dragen verder bij aan het aura van expertise. Ackermanns reeds genoemde voorliefde voor technisch, rationeel jargon doet de rest.
Inmiddels is het geen overdrijving te stellen dat niet de minister van Financiën of van Economische Zaken, maar Josef Ackermann de belangrijkste man in Duitsland is als het om crisispolitiek gaat. Met een reeks nachtelijke telefoontjes regelde hij de miljardenredding van de Hypo Real Estate-bank. Vervolgens moest een team van Deutsche Bank uitrukken om zicht te krijgen op de precieze financiële schade, iets waartoe het eigen management en de Duitse overheid niet in staat waren. Het was ook Ackermann die daarna de oprichting van een Bad Bank voorstelde. Financiële instellingen zouden zo hun 'giftige’ waardepapieren buiten de eigen balans kunnen parkeren. Een half jaar later was die financiële vuilnisbak een feit.

MISSCHIEN WEL ZIJN finest hour beleefde Ackermann recentelijk met de Griekse schuldencrisis. Namens de banken heeft hij beloofd zijn steentje bij te dragen aan het Europese reddingsplan, door Griekse obligaties te kopen. 'Het is ons heel wat waard maatschappelijke problemen te helpen oplossen - nationaal en internationaal’, aldus de vrome verklaring van Ackermann. Hij vergeet te vermelden dat hier niet zozeer sprake is van een maatschappelijk, als wel van een commercieel probleem. De Europese banken hebben Griekenland vele tientallen miljarden geleend, Deutsche Bank vijfhonderd miljoen euro. Gaat deze staat failliet, dan kunnen zij naar hun geld fluiten. Daarbij is Grieks schuldpapier kopen op dit moment allerminst een vorm van liefdadigheid. Door het Europese reddingsplan is terugbetaling de komende jaren gegarandeerd. De forse rente op de obligaties is daarmee pure winst voor de banken.
Van zulke bezwaren wil de Duitse regering niets weten. Ackermann wordt alom geprezen voor zijn hulpvaardigheid. De Zwitser is 'ingeburgerd’, zoals Die Zeit het noemde. Van een buitenstaander met Angelsaksische gewoonten heeft hij zich ontpopt tot een klassieke 'Rijnlandse’ bankier, met nauwe banden met de Duitse politieke, economische en academische elite. Ter ere van zijn zestigste verjaardag trakteerde bondskanselier Merkel hem zelfs op een etentje in het Berlijnse Kanzleramt. De bondskanselier wilde graag iets voor hem terugdoen, verklaarde Ackermann achteraf over het veelbekritiseerde partijtje. Hij mocht van haar dertig vrienden en vriendinnen uitnodigen. 'Het was een wunderschöner avond’, stelde hij tevreden vast.

BANKIER, LOBBYIST, EXPERT - Josef Ackermann combineert inmiddels een indrukwekkende hoeveelheid petten. De vraag is steeds meer in welke hoedanigheid hij spreekt. Als manager van een grote bank is hij nog altijd eerst en vooral uit op financieel gewin. Tegelijkertijd stelt hij zich op als economisch orakel, adviseur van regeringen én staat hij aan het hoofd van de internationale bankenlobby. Heinrich Haasis, voorzitter van de niet-commerciële Sparkassen, vergeleek het raadplegen van de man met al die dubbelfuncties met iemand om advies vragen over brandpreventie die zojuist nog het brandhout heeft opgestapeld.
Het is de bittere realiteit ruim anderhalf jaar na het failliet van Lehman Brothers. In plaats van de Ackermänner aan te pakken, is de politiek afhankelijker van hen dan ooit. Dat werd pijnlijk duidelijk aan het slot van de bankiersbijeenkomst in Wenen. Eerst mocht de Hongaarse minister-president Orbán het publiek ervan proberen te overtuigen dat zijn land hun vertrouwen waard is. ’s Avonds ging de Griekse premier Papandreou door het stof. 'Yes, we will pay our debt back’, beloofde hij de bankiers plechtig. Het was hem zelfs zijn herverkiezing waard.
Zoveel offerbereidheid leverde hem een gulle aai over de bol op van Ackermann. De volgende dag was het in alle kranten te lezen: de aanvankelijk kritische chef van Deutsche Bank heeft zijn mening bijgesteld. Griekenland komt er bovenop. Met dank aan de heilige Josef.