Adorno: drie biografieën

Meester van de dialectiek

Een academisch achterhaalde elitaire estheet uit een vervlogen tijdperk, of nog steeds een actuele analyticus van de tot in de details «bestuurde wereld»? Theodor Adorno, de vooraanstaande vertegenwoordiger van de zogeheten Frankfurter Schule — naast Max Horkheimer en Herbert Marcuse — en tevens meester van de dialectische bespiegeling, zou dit jaar honderd zijn geworden. Naar aanleiding van dit jubileum zijn meer dan tweehonderd boeken verschenen, waaronder voor het eerst drie biografieën.

Er is wellicht niemand die het intellectuele klimaat in het naoorlogse Duitsland zo sterk heeft beïnvloed als Theodor W. Adorno. Als filosoof, socioloog, musicoloog en componist hield hij zich bezig met cultuur- en maatschappijkritiek, filosofische en esthetische kwesties, literatuur en muziek. Zijn werken, zoals de samen met Max Horkheimer geschreven Dialectiek van de Verlichting, vormden de geestelijke basis voor de studenten revolutie in 1968. Met zijn Philosophie der neuen Musik trachtte hij de richting van een muzikale avant-garde te bepalen. Na de ervaringen met het fascisme viel Adorno’s «kritische theorie» die zich tegen iedere vorm van ideologie keerde in intellectueel Duitsland in goede aarde. Adorno’s werken die in een kunstig geconstrueerde dialectische taal zijn geschreven en waarin sociologische aspecten, gedetailleerde muziektheoretische analyses en esthetische beschouwingen zijn vervlochten, golden in de jaren zestig als de laatste waarheid. Maar in de jaren tachtig groeide ook de kritiek op zijn uiteenlopende geschriften die, omdat ze aan verschillende disciplines raakten, daarvoor veel aangrijpingspunten boden.

Niet minder dan drie biografieën houden zich nu met Adorno’s leven en oeuvre bezig. Naast Lorenz Jägers Adorno: Eine politische Biographie, over Adorno als homo politicus, zijn sinds kort twee volledige levensbeschrijvingen beschikbaar: de omvangrijke, 1032 pagina’s omvattende en zorgvuldig gedocumenteerde biografie van Stefan Müller-Doohm, Adorno: Eine Biographie, en de aan de hand van persoonlijke citaten samengestelde levensbeschrijving Theodor W. Adorno: Ein letztes Genie van Detlev Claussen. Beide auteurs doen hun best om een zo objectief mogelijke balans op te maken van een leven dat in het teken stond van verschillende talenten en een gewaagde spagaat vormde tussen kunst en wetenschap.

In een brief aan Thomas Mann schreef Adorno in 1948: «Ik ben in 1903 in Frankfurt geboren. Mijn vader was een Duitse jood, mijn moeder — van huis uit zangeres — is de dochter van een Franse officier van Corsicaanse — oorspronkelijk Genuese — afkomst en een Duitse zangeres. Ik ben opgegroeid in een geheel en al door theoretische (ook politieke), artistieke en vooral door muzikale interesses beheerste sfeer. Ik studeerde filosofie en muziek. In plaats van een keuze te maken, had ik mijn hele leven lang het gevoel in de verschillende disciplines steeds hetzelfde doel na te streven.»

Toen Adorno dit schreef, was hij nog niet bekend bij een groot publiek. Thomas Mann had hem in Amerikaanse ballingschap leren kennen en hem als muziekexpert en kenner van Schönbergs twaalftoonstechniek geraadpleegd voor zijn roman Doktor Faustus. Met zijn brief voldeed Adorno aan het verzoek van Mann om hem een paar biografische gegevens voor zijn Entstehung des Doktor Faustus toe te zenden. Net als vele anderen wist Mann toentertijd niet waar het deze filosoof en musicus in zijn diverse geschriften eigenlijk om ging. Nog in de jaren vijftig kwamen de werken van deze «preutse, tragisch-intelligente en exclusieve geest» (Mann over Adorno) in het Duitse intellectuele landschap over als raadsel achtige toppen van een onbekende ijsberg.

Theodor Adorno groeide als enig kind van de wijnhandelaar Bernhard Wiesengrund en de zangeres Calvelli-Adorno op in een beschermde en kunstzinnig burgerlijke omgeving. Nog op hoge leeftijd herinnerde «het zogeheten wonderkind» (Adorno’s eigen karakterisering) zich het vierhandige pianospel met zijn tante Agathe en beschreef hij zijn jeugd als een verloren paradijs. Na het schoolexamen schreef «Teddie», zoals hij toen door familie en vrienden werd genoemd, zich in als student filosofie, psychologie, sociologie en musicologie aan de universiteit van Frankfurt. Daarnaast volgde hij piano- en compositie lessen aan het plaatselijke conservatorium. Na een opvoering van Alban Bergs Wozzeck- Fragmente in 1923 in Frankfurt, die grote indruk op hem maakte, besloot hij bij Berg compositie te gaan studeren.

Adorno pendelde toen heen en weer tussen Wenen, Frankfurt en Berlijn; hij ontmoette zijn jeugdvrienden Siegfried Kracauer en Max Horkheimer en onderhield intensieve contacten met Walter Benjamin, Georg Lukacs, Ernst Bloch en Hanns Eisler. De componist Ernst Krenek herinnerde zich later in zijn memoires: «Zijn (Adorno’s — cs) groep had een houding aangenomen, die samenvattend met de term ‹kritisch› kon worden omschreven, want zij bekritiseerden eenvoudigweg alles (…) Het was erg moeilijk om erachter te komen waar ze eigenlijk vóór waren (…) Alles, wat hij schreef, wees op de voordelen van een niet-kapitalistisch systeem, dat blijkbaar toch ook geen communistisch systeem zou zijn…» (Krenek, Im Atem der Zeit, 1998).

In 1924 ontwikkelde Adorno samen met Horkheimer een concept voor het in datzelfde jaar in Frankfurt door Horkheimer opgerichte Institut für Sozialforschung. Het geestelijke fundament ervan moest de marxistische filosofie vormen, maar toch wilde men zich afgrendelen van elke vorm van partijcommunisme. Het Zeitschrift für Sozialforschung bood ruimte aan artikelen uit diverse disciplines en van iedere politieke kleur, als ze maar partij-onafhankelijk waren. Daardoor echter waren problemen met Lukacs, Bloch en Eisler, die nog in de Stalin-era met het sovjetmarxisme sympathiseerden, al voorgeprogrammeerd. Terwijl Adorno zich in leven hield met muziekrecensies en sociologische artikelen (in onder meer de Frankfurter Zeitung en Musikblätter des Anbruch) werd de vraag naar een beroepskeuze steeds nijpender. Noch Berg noch Schönberg zag in deze «intellectuele veelvraat» (Berg) en «kasplant» (Schönberg) een toekomstige componist. Adorno koos voor een wetenschappelijke carrière. Na voltooiing van zijn Habilitationsschrift over Kierkegaard werd hij in 1932 benoemd tot privé-docent aan de universiteit te Frankfurt. Het nazi-regime maakte een voorlopig einde aan zijn universitaire loopbaan. In 1938 emigreerde Adorno naar Amerika.

Met hulp van de Roosevelt-stichting en het American Jewish Committee zorgde Hork heimer ervoor dat de in Duitsland begonnen sociologische studies voortgezet konden worden. Het kostte Adorno moeite zich aan de New Yorkse Columbia University als medewerker van Horkheimer te profileren. Zo moest hij zich verdedigen tegen het verwijt van Friedrich Pollock dat hij te weinig onderzoekservaring had. Toentertijd ontwikkelde Herbert Marcuse, die wetenschappelijk en politiek een veel duidelijker koers volgde, zich tot zijn concurrent. Adorno’s Amerikaanse jaren waren een tijd van machtsconflicten en intellectuele confrontaties, bijvoorbeeld met Brecht en Eisler, wier politieke instelling en agitpropkunst hij afwees. Zijn droom om «zo gauw mogelijk rentenier in Californië te worden» (aldus Pollock in een brief aan Horkheimer) kwam niet uit. Wel kon Adorno uiteindelijk, net als Horkheimer, naar Los Angeles verhuizen, rentenier werd hij echter niet. «De smaad van het geld verdienen» en het functioneren in een geïndustrialiseerde maatschappij met haar ver doorgevoerde arbeidsverdeling bleef hem niet bespaard.

Naast Authoritarian Personality behoort Dialectiek van de Verlichting (verschenen als «flessenpost» in 1947 bij Querido) tot de belangrijkste vruchten van Adorno’s samenwerking met Horkheimer in Amerikaanse ballingschap. De Verenigde Staten van Amerika bleken het ideale land waar Adorno en Hork heimer de wetten van het kapitalisme en de reductie van mens en cultuur tot «handelswaar» konden bestuderen. In Dialectiek van de Verlichting wezen de auteurs op het totalitaire aspect van de Verlichting in een door kapitaal en blind geloof in de wetenschap beheerste maatschappij: «Gelijkheid wordt tot fetisj»; «Niemand is iets anders dan zijn vermogen, iedereen is zoveel waard als hij verdient en verdient zoveel als hij waard is.» Naast zijn sociologische studies wijdde Adorno zich aan persoonlijke en artistieke interesses: rond die tijd ontstonden zijn laatste composities, de aforismenbundel Minima Moralia en delen van Philosophie der Neuen Musik.

Na zijn terugkeer naar Duitsland ging Adorno samen met Horkheimer weer werken in het Frankfurter Institut für Sozialforschung, dat hij op het laatst in z’n eentje leidde. Het componeren had Adorno in 1945 definitief opgegeven, maar de muziek bleef zijn stokpaardje, zij het alleen nog op theoretisch vlak. Reeds in zijn in 1932 verschenen artikel Zur gesellschaftlichen Lage der Musik — biograaf Claussen noemt dat artikel het «exposé» (de blauwdruk) van Adorno’s levenswerk — trachtte hij muzikale en maatschappijkritische beschouwingen met elkaar te verbinden. Ook de werken die Adorno schreef in de jaren vijftig en zestig weerspiegelen zijn streven de onderlinge verhoudingen tussen kunst en maatschappij bloot te leggen — een waagstuk, zoals later zou blijken. Zo poogde hij in Philosophie der Neuen Musik aan de hand van de protagonisten Schönberg en Strawinsky progressiviteit (Schönberg) en regressie (Strawinsky) binnen de moderne muziek aan te tonen.

Volgens Adorno had alleen Schönberg de juiste consequenties uit het verleden getrokken en, met behulp van de twaalftoons techniek, de «machteloze clichés» van de traditionele muziek overwonnen. Kunst zou zich alleen door «grenzeloze verdieping in zichzelf» kunnen verzetten tegen maatschappelijk misbruik, zowel van burgerlijke, fascistische als van industriële zijde. «Muziek», aldus Adorno, «bewaart haar maatschappelijke waarheid alleen door middel van een anti thetische houding ten opzichte van de maatschappij.»

Daarentegen zou Strawinsky in werken als Le sacre du printemps een archaïsche oertijd, «het anti humanistische offer aan het collectief» oproepen waarbij Adorno vergelijkingen trekt met de barbarij van het fascisme. Tegenwoordig gelden Adorno’s ideeën als omstreden. Bovendien zijn ze door de muzikale praktijk achterhaald. Daarentegen legde hij met Dissonanzen: Musik in der verwalteten Welt en Einführung in die Musiksoziologie, waarin hij de verbanden tussen mens en muziek in de consumptiemaatschappij onderzoekt, de basis voor de moderne muzieksociologie.

In de jaren zestig voerde Adorno een hard nekkige strijd tegen Karl Poppers positivistische wetenschapsmodel. Adorno verzette zich tegen Poppers theorie omdat die volgens hem de sociale realiteit reduceerde tot wetenschappelijk-statistische inzichten.

Niet alleen in dit debat toont Adorno zich een denker die zich tegen elke aanval op de individuele vrijheid verzet: in elk van zijn werken staat de «redding van het subject» in een door de «ratio» van wetenschap en «verkoopbaarheid» beheerste wereld centraal. Adorno’s zoektocht naar een «exterritoriale», nog niet door de maatschappij ingenomen plek manifesteert zich op de meest subtiele en gesublimeerde wijze in zijn hoofdwerken, Esthetische theorie en Negatieve dialectiek. Uit beide boeken blijkt dat Adorno’s ideaal in laatste instantie een burgerlijk ideaal was. In Esthetische theorie trachtte hij volgens biograaf Claussen van de «burgerlijke traditie te redden wat er te redden valt». De rouw om het verlies van «die metafysische betekenis», waar Negatieve dialectiek om draait, vormde de drijfveer van Adorno’s gehele oeuvre.

In 1969, een jaar na het uitbreken van de onlusten aan de Frankfurter universiteit, stierf Adorno, teleurgesteld over zijn studenten, die de in hun ogen wereldvreemde estheet op een zijspoor hadden gezet en voor Marcuse als hun mentor hadden gekozen. De componist Pierre Boulez zei in zijn gedenk rede: «Woorden die elkaar tegenspreken, dubbelzinnigheden, tegenstrijdigheden: men probeert verschillende sleutels uit (…) Wat rest, is zich de discrepanties voor te stellen en voor ogen te houden van een individualiteit die haar talenten ziet versnipperen, (…) die kennis ophoopt en toch onophoudelijk jaloers naar de eenvoud kijkt. (…) De armen vol korenaren — de tegenstrijdigheden — niet opgelost —, de dubbelzinnigheden — niet uit de weg geruimd —, waarmee de meest subtiele en meest gewiekste dialectiek niet uit de voeten kan en die de meest gewiekste en subtiele dialecticus tot schoven bindt (de veld- en bosmuizen zullen niet talmen de schoven op te sporen en te plunderen…)»

Boulez roerde in zijn rede een belangrijk punt aan door te wijzen op een tegenspraak in Adorno’s leven en oeuvre, een tegenspraak die hem af en toe parten speelde, maar waaruit hij tegelijkertijd zijn krachten putte, namelijk de antinomie tussen wetenschap en kunst, theorie en praktijk, intellect en spon taniteit. Per slot van rekening heeft Theodor Adorno een inspirerend oeuvre nagelaten dat de «veld- en bosmuizen» allang begonnen zijn «te plunderen» en dat, aangezien de maatschappij sinds Adorno niet fundamenteel veranderd is, actueler is dan ooit.

De nu verschenen biografieën vullen een lacune. Het boek van Müller-Doohm is als allesomvattende documentatie en materiaalverzameling een onontbeerlijke informatiebron. Daarentegen dringt Claussen met zijn op citaten gebaseerde biografie dieper Adorno’s gedachtewereld binnen en schetst een bondig en geloofwaardig portret. Beide auteurs concentreren zich echter meer op de geestes wetenschapper dan de kunstenaar Adorno. Dat wijst op een algemeen probleem van de Adorno-receptie: bijna niemand is voldoende vertrouwd met de verschillende disciplines die Adorno in zijn werk trachtte te combineren. Niet in de laatste plaats vanwege tot nu toe ontbrekende informatie — zoals de door het Adorno-archief in Frankfurt achter slot en grendel bewaarde briefwisseling met Kracauer — is het laatste woord over Adorno nog niet gesproken.

Stefan Müller-Doohm

Adorno: Eine Biographie

Uitg. Suhrkamp Verlag, 1032 blz., € 29,90

Detlev Claussen

Theodor W. Adorno: Ein letztes Genie

Uitg. S. Fischer Verlag, 496 blz., € 26,90