Erasmus

Meester van het voorbehoud

In drie recent gepubliceerde werken van en over Erasmus worden vele, soms verrassende aspecten van de persoonlijkheid en de denkbeelden van de grote zestiende-eeuwse humanist belicht.

Sinds 1549 staat er in Rotterdam een standbeeld van Erasmus, de beroemdste zoon van de Maasstad. Aanvankelijk was het een houten beeld, dat al spoedig werd vervangen door een stenen exemplaar. Het koperen beeld dat er nu staat, is van de hand van Hendrick de Keyser en dateert uit 1622. Honderd jaar geleden kregen Rotterdamse kindertjes te horen dat de grote humanist elk uur, als de kerkklok sloeg, een bladzijde omsloeg van het grote boek waarin hij ogenschijnlijk bladerde. De grootste geleerde en scherpzinnigste denker uit de roerige jaren rond 1500 — wat zou die man nu te zeggen hebben over de verwarring, angst en chaos die na 11 september de wereld lijken te beheersen? Waar zou hij staan? Pal achter Amerika?

Dat lijkt in tegenspraak met het bekende beeld van de irenische, pacifistische Erasmus, auteur van Dulce bellum inexpertis (Zoet is de oorlog voor wie hem niet kent). Zijn afkeer van fysiek geweld was enorm, waarbij niet vergeten mag worden dat hij zelf beschikte over een uiterst teer en kwetsbaar gestel. Als typische boekenwurm moet hij zich in een tijd waarin oorlog, oproer en staatsterreur aan de orde van de dag waren, continu bedreigd hebben gevoeld. Nee, van de schrijver van Vrede’s weeklacht hoef je niet te verwachten dat hij op CNN oproept tot gewapende strijd tegen de Taliban.

Maar klopt dat beeld wel? Het wereldbeeld van Erasmus was uitgesproken christocentristisch; alles wat daarbuiten viel, telde voor hem niet mee. Op overdreven sympathie voor moslims zou hij ook nu zeker niet betrapt kunnen worden. Net als Maarten Luther in diens Vom Kriege wider die Türcken, zag Erasmus in de Turkse dreiging de manende vinger Gods, maar achtte hij een oorlog in tegenstelling tot Luther gerechtvaardigd. Of Erasmus zich nu tegen de Amerikaanse oorlogvoering gekeerd zou hebben, is dus nog maar de vraag.

Het in gedachten tot leven wekken van Erasmus is weliswaar een leuk intellectueel spel, echt zinvol lijkt het natuurlijk niet. Zo’n gedachtenexperiment gaat immers voorbij aan het feit dat Erasmus de politieke, culturele, godsdienstige en intellectuele ontwikkelingen sinds 1536 niet heeft meegemaakt. En in dat bijna halve millennium is wel het een en ander gebeurd. Toch kan het enig licht werpen op twee aspecten van Erasmus’ persoonlijkheid en denkbeelden die vaak afzonderlijk naar voren worden gehaald. Verreweg dominant is het «erasmiaanse» beeld van Erasmus, waarbij de nadruk wordt gelegd op de waardenvrije relativist, de honende subjectivist en de scepticus die alle dogma’s en zeker heden van zijn tijd ondergroef. Erasmus als een vroege voorloper van de Verlichting.

Tegelij kertijd was Erasmus, gevormd door de in de Lage Landen invloedrijke traditie van de Moderne Devotie, ook een belangrijke hervormer en vernieuwer van kerk en theologie. Een groot deel van zijn tijd en energie heeft hij immers gestoken in het uitgeven en becommentariëren van het Nieuwe Testament en het schrijven van theologische traktaten. De kampioen van het humanisme gebruikte zijn ongeëvenaarde kennis van de antieke talen om het middeleeuwse spinrag van de bijbel en de geschriften der kerkvaders te blazen. Bovendien bepleitte hij zowel de bestudering van deze sacrae litterae, als die van de klassieke bonae litterae (de «goede letteren»). Want volgens Erasmus was de christelijke ethiek ook te vinden bij «heidense» auteurs als Cicero, Plutarchus, Plato, Vergilius en Horatius. De klassieke auteurs konden bijdragen aan verjonging en vernieuwing van het christelijk geloof.

Volgens de samenstellers en vertalers van de fraaie bundel Erasmus: Een portret in brieven is een stringente scheiding tussen de «sceptische» en de «vrome» Erasmus, tussen die van de Lof der zotheid en die van het Handboek van de christen-strijder, dan ook volstrekt onjuist. Bovendien is de eerste «Erasmus» veel te lang overbelicht geweest. Wat de spottende en de devote Erasmus gemeen hadden, was de humanistische visie op de taal. Het klassieke Latijn was in de ogen van Erasmus niet zomaar een communicatiemiddel, het was tevens een ideaal. In tegenstelling tot de «scholastieke kromtaal» van de middeleeuwse theologen was het Latijn van Cicero een zindelijke taal, die mensen ertoe bracht om ook zindelijk te denken. Voor Erasmus drukte taal de essentie van het mens-zijn uit, schrijven en leven waren in wezen hetzelfde. In het werkje Lingua (De tong), ging hij uitgebreid in op de centrale plaats die de tong inneemt, tussen hersens en hart in, in de nabijheid van de zintuigen. Taal was de bron van orde, beschaving en cultuur.

De vijftien geselecteerde brieven — uit een totaal van ruim drieduizend! — zijn gegroepeerd rond drie thema’s: Erasmus als humanistisch pedagoog, als kosmopoliet, en als christen-humanist. Het zijn alle uiterst verzorgde, precies gestelde epistels, die duidelijk met het oog op publicatie zijn geschreven. De meeste dienden trouwens als voorwoord bij een of andere publicatie van Erasmus, en waren gericht aan een vriend, collega of vorst. De meeste brieven hebben een uitgesproken pedagogisch karakter. Het zojuist verschenen eerste deel van een nieuwe, zevendelige editie van het Verzameld Werk bevat een uitgave van de Colloquia. Deze Gesprekken waren bedoeld als conversatielessen, waardoor de leerlingen gevoel zouden krijgen voor het onderscheid tussen het «echte», klassieke Latijn, en het potjeslatijn van een «keukenmeiden-elegantie».

De zeer levendige en geestige dialogen ma ken het voor de leerlingen natuurlijk eenvoudiger om dat lastige Latijn onder de knie te krijgen, maar ze boden ook de auteur enkele voordelen. Niet alleen was het nu mogelijk om verschillende standpunten tegenover elkaar te plaatsen, ook kon Erasmus zich veroorloven religieuze of sociale wantoestanden aan de kaak te stellen, zonder dat hij hierop aangevallen kon worden. Zo bevat de uiterst grappige dialoog «De abt en de geletterde vrouw» niet alleen een pleidooi voor een humanistische, intellectuele opleiding voor vrouwen, maar tevens een satire op de ignorantie en het materialisme van veel geestelijken. Erasmus kon zich, net als de romanschrijver, verschuilen achter zijn perso nages. Het bekendste voorbeeld van Erasmus’ gebruik van deze tactiek is natuurlijk de Lof der zotheid. Voor vroeg-zestiende-eeuwse lezers was het ongehoord wat Erasmus er in dat boekje allemaal uitflapte. Het was echter niet de beroemde geleerde die het zei, maar de Zotheid.

Het is Erasmus nogal eens verweten dat hij niet openlijk schreef wat hij bedoelde en zich voortdurend verschool achter nauwelijks serieus te nemen types. In zijn beroemde, nu in een schitterend geïllustreerde editie verschenen biografie uit 1924 noemde Johan Huizinga Erasmus «de meester van het voorbehoud». En dat was niet als compliment bedoeld.

Huizinga, die veel werk maakte van de in zijn ogen enorme tegenstelling tussen de grote geest en het kleine karakter van Erasmus, probeert op het eind van zijn boek het toch wel negatieve beeld enigszins te nuanceren. Op het eerste gezicht leek het wel alsof Erasmus te slap was geweest voor zijn tijd. «In die forse zestiende eeuw is de eiken kracht van Luther nodig, de stalen scherpte van Calvijn, de gloed van Loyola, niet de fluwelen zachtheid van Erasmus. Hun kracht en hun gloed is nodig, maar ook hun diepte, hun niets ontziende, voor niets terugschrikkende consequentie, oprechtheid en openhartigheid.»

Huizinga schreef zijn kritische portret van Erasmus wel in een rechtsstaat, een paradijs waar Erasmus alleen van kon dromen. Kritiek op vorst en kerk was iets dat menigeen in de zestiende eeuw met de dood moest bekopen, zoals ook Erasmus’ grote vriend Thomas More zou ondervinden. Door de wereld in bijvoorbeeld Lof der zotheid en de Gesprekken een spiegel voor te houden, kon Erasmus laten zien wat er allemaal mis was. Als hij de pure opportunist was geweest die sommigen in hem hebben gezien, had hij wel andere boeken geschreven. Dan had hij zich beperkt tot pluimstrijkerijen, die hij óók schreef, maar hij zou de ignorantie en het materialisme van een groot deel van de geestelijkheid niet aan de kaak hebben gesteld, noch de machtswellust van vorsten.

Erasmus was geen origineel denker, geen filosoof die een volledig nieuwe kijk op de werkelijkheid ontwikkelde. Voor alles was hij een opvoeder, die mensen wilde voorhouden hoe zij deugdzaam konden en moesten leven. Het in de Renaissance zo belangrijke begrip virtus betekende voor hem niet alleen een vaste standaard van opgelegde waarden en normen, maar hield in dat de mens alles moest halen uit de mogelijkheden die de natuur had gegeven. De mens dient zich zo min mogelijk te laten leiden door allerlei passies en aandriften, maar moet de ratio als richtsnoer nemen. Maar die ratio moet men niet gelijkstellen aan wat daar in de achttiende en negentiende eeuw onder werd verstaan, bij Erasmus is het menselijk verstand een specifiek goddelijke gave. Het ging Erasmus in de opvoeding om een combinatie van praktische kennis en religieuze en morele vorming, het doel was wijsheid én vroomheid.

De perfecte beheersing van een sierlijk Latijn, zoals men kon leren met behulp van de Gesprekken, was niet uitsluitend een doel op zich. Als Erasmus, evenals zovele humanisten voor hem, in zijn werk telkens Cicero aanhaalt, dan is dat niet alleen wegens zijn ideale stijl, maar tevens omdat zijn politieke ideeën volgens Erasmus een alternatief vormen voor de dubieuze politieke praktijk van die dagen. Cicero verheerlijkte de republikeinse vrijheid en de burgerzin, en vond dat de burger bereid moest zijn persoonlijke belangen ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. Erasmus was realist genoeg om te beseffen dat de zestiende-eeuwse vorstendommen niet snel zouden veranderen in vrije republieken, maar wel hamerde hij erop dat het gezag van de vorst diende te berusten op de «consensus» van de onderdanen, gebonden is aan de wet, en slechts mag worden aangewend in het algemeen belang. In een, ook in het Portret in brieven opgenomen, brief aan de jonge Karel V, schrijft hij: «Van geen enkele plaag grijpt de besmetting sneller om zich heen of verbreidt zich ruimer dan van een slechte vorst.» Vandaar dat hij het ideaal van de koning-filosoof aanprijst en niets wil weten van de in die tijd (niet alleen door Machiavelli) verkondigde opvatting dat de leer van Christus uitsluitend bedoeld was voor geestelijken en het gemene volk, maar dat vorsten daar geen boodschap aan zouden hebben. De vorst heeft juist een voorbeeldfunctie, en dient in de eerste plaats vrede en veiligheid te garanderen.

In de uiterst gewelddadige, steeds absolutistischer wordende zestiende eeuw, waarin even agressieve als corrupte regeringen en Taliban-achtige godsdienstfanatici de toon aangaven, was dit een zeer idealistische opvatting. Het denkbeeld dat alle mensen vrij waren geschapen, en dat tirannie dus zeer onethisch was, leek ver van de realiteit af te staan. Het was daarom niet zo vreemd dat in de loop van de zestiende eeuw niet langer de stijl en de ideeën van Cicero als ideaal golden, maar steeds meer auteurs zich gingen richten op Tacitus, voor wie het begrip raison d’état centraal stond. Evenmin wekt het verbazing dat Erasmus aan het einde van zijn leven behoorlijk ontgoocheld en teleurgesteld was.

Erasmus: Een portret in brieven, Vertaald en bezorgd door Jan Papy, Marc van der Poel en Dirk Sacré

uitg. Boom, 280 blz., ƒ55,-

Desiderius Erasmus, Verzameld Werk, Deel I: Gesprekken

Vertaald en toegelicht door Jeanine de Landtsheer

uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 600 blz., ƒ65,-

Johan Huizinga, Erasmus (geïllustreerde editie)

Uitg. Ad. Donker, 264 blz., ƒ69,95