Turkije, de samenzwering, het Groot Oosten, en wij

Meesterbrein versus Erdogan

De antiwesterse sentimenten in Turkije zijn sterk. Ze komen deels voort uit een overgeërfde weerzin tegen ‘een decadent Europa’, en worden extra gevoed door de paranoia van de president. In het huidige klimaat is niemand veilig.

Medium hh 57721420
Een pro-regerings­demonstrant viert dat de beoogde coup niet gelukt is, 17 juli 2016, Istanbul © Ismail Ferdous / NYT / HH

VORIG JAAR, op een kille avond in december, ging bij Wilco van Herpen de telefoon. Het was zijn producer. Of hij zojuist televisie had gekeken. Van Herpen, een Nederlander die in Turkije carrière maakte binnen de televisiewereld, antwoordde ontkennend. Hij was nieuwsgierig, maar ook enigszins ongerust. De producer viel direct met de deur in huis. Die avond had Yigit Bulut, chief advisor van de Turkse president Erdogan, Van Herpen op prime time televisie uitgemaakt voor een westerse spion. Van Herpen slaakte eerst een kreet van ongeloof en mompelde vervolgens ‘o shit’, want in het huidige klimaat in Turkije wist hij direct wat dat betekende. Nadat hij de telefoon had neergelegd keek hij op en staarde de duisternis in van het bos nabij zijn huis, in een buitenwijk van Istanbul, niet ver van de Zwarte Zee.

Van Herpen woont inmiddels al een kleine twintig jaar in Turkije. In die periode heeft hij als presentator, documentairemaker en tv-kok een indrukwekkende carrière opgebouwd. Zijn shows bereiken een miljoenenpubliek en in Turkije geniet hij een enorme populariteit.

Later die avond keek hij de uitzending op internet terug. Op de pro-regeringszender A-Haber zag hij Bulut tekeergaan tegen ‘buitenlanders die kookprogramma’s in Turkije opnemen’. ‘Doen Turken dat in Europa soms ook?’ vroeg Bulut, retorisch. Het kon niet anders of er werden ‘databases’ aangelegd ten behoeve van westerse inlichtingendiensten. In de maanden ervoor was er een televisieserie uitgezonden waarin Van Herpen door de Europese Unie gefinancierde projecten in Turkije bezocht. Allemaal waren ze door Turkse ministeries aangewezen en geïmplementeerd. Op momenten dat Van Herpen kookte was achter hem in beeld een EU-vlag te zien. Volgens Bulut kon hij daarom niet anders zijn dan een spion.

Voor hij in dienst van Erdogan trad werkte Bulut jarenlang als journalist. Hij draagt zijn haar strak achterover, heeft een stoppelbaardje en een voorkeur voor felgekleurde dassen. Hij staat bekend om het verspreiden van uitzinnige complottheorieën. Zo stelde hij ooit dat er duistere krachten aan het werk waren die probeerden Erdogan door middel van telekinese om het leven te brengen. Bij een andere gelegenheid beschuldigde hij de luchtvaartmaatschappij Lufthansa van het beramen van een complot tegen Turkije. De Duitsers zouden niet kunnen uitstaan dat in de buurt van Istanbul een nieuw vliegveld werd gebouwd dat dat van Frankfurt naar de kroon zou steken.

Toen Van Herpen daags na de uitzending door een Turkse krant om commentaar werd gevraagd reageerde hij laconiek. ‘Ik was verrast door Buluts uitspraken’, zei hij. ‘Maar ik ben verheugd dat hij kennelijk naar mijn programma kijkt.’ Ondertussen werkte Van Herpen, die getrouwd is met een Turkse operazangeres met wie hij een dochter heeft, koortsachtig aan een noodplan. Besloten werd dat hij zich de eerste weken niet in Istanbul zou vertonen en binnenshuis bleef. Als er een hetze in de media zou ontstaan, zou hij tot nader order uitwijken naar Nederland.

‘HET ALLERVREEMDSTE IS NOG WEL dat Bulut heel goed weet dat hij onzin over mij vertelt’, zegt Van Herpen als ik hem spreek in Istanbul. ‘Hij weet heel goed wie ik ben, zijn kinderen zitten op dezelfde school als mijn dochter!’ Van Herpen is een sportief ogende vijftiger, zijn lange blonde haar komt onder een legergroene pet vandaan. In zijn linkeroor draagt hij een ringetje. Hij is van huis uit kok en volgde later een opleiding tot fotograaf.

Na een vakantie en enkele losse reportageklussen vestigde hij zich in 1999 in Turkije. Via-via rolde hij in de journalistiek. Aanvankelijk als fixer, later ook als freelance correspondent. Toen vrienden uit de Turkse mediawereld in 2006 een eigen televisiezender begonnen, vroegen ze hem een show te presenteren. Dit werd Wilco’s Caravan, Van Herpens doorbraak in Turkije. Het programma ging vijf seizoenen mee. Het achterliggende idee was dat Van Herpen naar een streek in Turkije reisde en verslag deed van al het moois en interessants dat hij daar aantrof. De grondtoon was steeds positief, al leverde Van Herpen soms ook kritiek. ‘Dat kon toen nog’, zegt hij.

Op straat en later in het restaurant wordt Van Herpen voortdurend aangesproken. ‘Blonde Turk’ noemt hij zichzelf. Dat iemand hem kwaad zou willen doen is lastig voor te stellen. Na de beschuldigingen van Erdogans topadviseur volgden enkele zenuwslopende dagen. Zeker omdat ook Van Herpens schoonmoeder zich met de zaak ging bemoeien. Zij is conservatief en zéér pro-akp, maar dat haar schoonzoon onrecht werd aangedaan schoot haar in het verkeerde keelgat. Via-via wist ze het mobiele nummer van Bulut te pakken te krijgen en ze dreigde hem op te bellen om verhaal te halen. ‘Dat moesten mijn vrouw en ik echt tot iedere prijs zien te voorkomen’, zegt Van Herpen.

Een kleine week na de beschuldiging wordt nabij het Besiktas stadion in hartje Istanbul een verwoestende aanslag gepleegd. 48 mensen komen om, het merendeel politiemensen. Een afsplitsing van de militante Koerdische verzetsbeweging pkk zal later de verantwoordelijkheid voor de stadionaanslag claimen. Een paar weken later is het opnieuw raak: nu een aanslag van IS op een nachtclub langs de Bosporus – 39 mensen komen om. De kwestie rond Van Herpen raakt snel op de achtergrond, al blijft hij op zijn hoede. Hij is inmiddels terugverhuisd naar Nederland vanwege de school van zijn dochtertje, maar hij neemt nog steeds programma’s in Turkije op, en hoopt dat te kunnen blijven doen.

WOESTE BESCHULDIGINGEN JEGENS ‘het Westen’ regent het in Turkije nog steeds. Uiteindelijk leiden ze allemaal naar een mysterieus ‘meesterbrein’: Üst Akıl – op de avond van de Besiktas-aanslag lieten Turkse media het woord meermalen vallen. Er zitten referenties in aan een vermeend joods complot, maar meer nog is het codetaal voor duistere krachten in het Westen die het op de ondergang van Turkije hebben voorzien.

Samenzweringstheorieën kennen in Turkije een lange historie. Ze zijn ook allerminst voorbehouden aan Erdogan of zijn Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (akp). Sterker nog: toen de akp in 2002 aan de macht kwam en de partijleiding warme banden met Washington en de EU aanknoopte, bezagen ultranationalisten dat met het grootst mogelijke wantrouwen. Ze verspreidden de theorie dat Erdogan, Abdullah Gül, Bülent Arinç en andere prominente akp’ers in werkelijkheid agenten van het Westen waren.

Erdogan bezondigt zich pas sinds 2013 aan samenzweringstheorieën. Die zomer was Turkije in de ban van massale protesten bij het Gezipark, pal naast het Taksimplein, in het hart van Istanbul. In eerste instantie verzette een handjevol milieuactivisten zich tegen het kappen van bomen die plaats moesten maken voor een winkelcentrum. ‘Nog steeds ben ik er niet helemaal uit hoe het allemaal zo heeft kunnen ontsporen’, zegt Cemil Aydin. De bekende Turkse historicus herinnert zich hoe rooskleurig alles er destijds in de ogen van de akp-top uitzag. Turkije was de financiële crisis van 2008 goed doorgekomen. De lira stond ijzersterk, de aandelenbeurs behaalde record op record. De banden met zowel Amerika als Israël waren goed. ‘Niemand zag “Gezi” aankomen’, zegt Aydin. Terwijl jongeren tot in de zijstraatjes van Taksim werden achtervolgd door de oproerpolitie begon Erdogan in speeches te verwijzen naar geheimzinnige buitenlandse krachten die de demonstranten zouden hebben gehersenspoeld.

‘Gezi was een keerpunt’, zegt Jean-François Pérouse, co-auteur van een ook in Nederland verschenen biografie van Erdogan, in zijn werkkamer op het Franse wetenschappelijk instituut in Istanbul, dat hij tot vorige maand leidde. ‘Het reactiveerde een zeker antisemitisme, bijvoorbeeld door te spreken over een “rentelobby”, maar ook een diepgeworteld wantrouwen tegen “het Westen”. De demonstranten werden gezien als rebellerende kinderen die opstonden tegen de “vader van de natie” omdat ze waren opgestookt door buitenlandse krachten.’

Het was dat jaar niet de enige onaangename verrassing voor Erdogan. Eind 2013 ontvouwde zich een corruptieaffaire die zijn positie vervaarlijk deed wankelen. Vice-premier Arinç vermoedde hier een ‘meesterbrein’ achter. Toen journalisten vroegen wat hij daarmee bedoelde antwoordde hij: ‘Dat kan ik niet zeggen, zelfs niet als ik weet wat het behelst.’ Ook Erdogan begon de term te gebruiken. Sprekend over de Syrische burgeroorlog en de overspill ervan in Turkije zei hij: ‘Laat je niet van de wijs brengen. Deze operaties zijn niet gericht tegen mij, onze regering, of onze partij. Ze zijn gericht tegen Turkije zelf, haar eenheid, haar stabiliteit, haar economie, en haar onafhankelijkheid. Hierachter gaat een meesterbrein schuil. Maar jullie weten best wel wie dat is.’ >

Medium gettyimages 477855395
De begrafenis van de vijftienjarige Berkin Elvan. Hij werd op zijn hoofd geraakt door een door de politie afgevuurde traangasgranaat tijdens de Gezipark-protesten in Istanbul, 2013 © Onur Coban / Anadolu Agency / Getty Images

Na de mislukte staatsgreep van vorig jaar zomer namen de complottheorieën een hoge vlucht. De regering en een groot deel van de Turkse bevolking zagen er de hand in van de in de Verenigde Staten residerende geestelijke Fethullah Gülen, daarbij mogelijk geassisteerd door de cia en/of de Navo. In interviews ontkende Gülen iedere betrokkenheid. Paranoia lijkt ondertussen de normale gemoedstoestand te zijn geworden in Turkije. De grote vraag: gelooft Erdogan werkelijk in de samenzweringstheorieën die hij verspreidt, of is er toch vooral sprake van de cynische exploitatie van diep in het publieke onderbewuste verscholen angsten?

In Ankara vraag ik het Burhanettin Duran, directeur van de pro-gouvernementele denktank seta. In het voorjaar van 2016 sprak ik hem al eens uitvoerig. Er is een Turkije van vóór en een Turkije van na de staatsgreeppoging. In de kast staat de foto waarop Duran naast Erdogan staat in het presidentiële vliegtuig. Mijn vraag of hij de president het afgelopen jaar nog heeft ontmoet beantwoordt hij ontkennend. Durans analyses zijn altijd scherp, maar soms toont hij zich ronduit geëmotioneerd. ‘Kijk naar onze echte problemen’, roept hij op een bepaald moment. En met overslaande stem: ‘Mijn land wordt aangevallen!’

Persoonlijk gelooft hij niet dat er een geheimzinnig centrum is van waaruit alles wordt aangestuurd. Het idee van een ‘meesterbrein’ is het product van Turkije’s ‘moeilijke jaren’, zegt hij, doelend op de tijd na de Eerste Wereldoorlog toen het Ottomaanse Rijk werd opgedeeld door de Europese grootmachten. ‘Maar weet u, de weigering van Duitsland om terreurverdachten uit te leveren aan Turkije, de wapenleveranties van de Verenigde Staten aan de Syrisch-Koerdische beweging ypg, een zusterorganisatie van de pkk – dat ligt bij het Turkse publiek allemaal uiterst gevoelig. Als je zoveel veiligheidskwesties het hoofd moet bieden, ga je vanzelf verbanden leggen.’ Duran noemt dat ‘het politieke bewustzijn van de waakzame toestand’. Erdogan maakt daar volgens hem tactisch gebruik van. De samenzweringstheorieën zorgen ervoor dat de bevolking alert blijft, een strategie die haar juistheid heeft bewezen op 15 juli 2016, bij de couppoging. ‘Dit verhoogde bewustzijn, dit gevoel van urgentie dat sinds 2013 door Erdogan is gecreëerd, is wat Turkije door de coupnacht hielp, het is een manier om de democratie te beschermen.’

IN ISTANBUL WORDT NOG STEEDS even druk gebouwd als in voorgaande jaren. Langs de eerder dit jaar opgeleverde achtbaans snelweg die vanaf Atatürk International Airport naar het centrum voert, staan de hijskranen in slagorde opgesteld. Ze torenen uit boven honingraatvormige appartementencomplexen met namen als Marmara Pearl en Blue Sea Marmara. Voor nog geen anderhalve euroton koop je hier een appartement van 150 vierkante meter met uitzicht. Een derde brug over de Bosporus is in gebruik genomen en de bouw van een gigantisch vliegveld nabij de Zwarte Zee gaat onverminderd voort.

Turkije bouwt door, maar achter die activiteit gaan enorme maatschappelijke spanningen schuil. Helemaal sinds de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016. Eerst was er vooral de enorme schok. Ineens stonden er tanks op strategische plaatsen in de stad, gierden F-16’s door de lucht en lagen er lijken in de straten. Er waren in totaal 276 doden en meer dan drieduizend gewonden te betreuren. Toen kwamen de represailles, in de vorm van een zuiveringsgolf die tot op de dag van vandaag voortduurt. Schattingen lopen uiteen, maar persbureau Reuters becijferde vorige maand dat er inmiddels 150.000 mensen zijn ontslagen en zo’n vijftigduizend in de gevangenis wachten op een proces. Het betreft veelal militairen, politiemensen, magistraten, academisch onderzoekers en leraren. Verreweg de meesten op verdenking van banden met de Gülen-beweging. Universiteiten en scholen zijn opgedoekt, bedrijven onteigend, kranten en televisiezenders werden gesloten, journalisten vastgezet.

‘Dit gevoel van urgentie dat sinds 2013 door Erdogan is gecreëerd, is een manier om de democratie te beschermen’

In rapporten waarschuwde Amnesty International voor het willekeurige karakter van de zuiveringen, dat zorgt voor een klimaat van wantrouwen en angst. Ook betekenen ze een enorme aanslag op het overheidsapparaat. Vooral de strijdkrachten, het justitieel apparaat en het (hoger) onderwijs zijn zwaar getroffen. En dat op een moment dat het leger in het zuidoosten strijdt tegen de pkk en de oorlog in buurland Syrië het land op allerlei manieren destabiliseert.

De pijlen richtten zich op de beweging van Gülen, door de regering en inmiddels ook door een groot deel van de bevolking consequent als de Fethullah Terreur Organisatie (fetö) aangeduid. In een ongekend propagandaoffensief krijgen de gülenisten niet alleen de schuld van de coup, maar van zo ongeveer alle problemen waarmee het land kampt, van aanslagen van Koerdische militanten tot de lage stand van de Turkse lira.

De eerste veroordelingen hebben inmiddels plaatsgevonden. Militairen die in Marmaris een aanslag op het leven van president Erdogan trachtten te plegen, kregen levenslang. Ondertussen blijven allerlei vragen onbeantwoord. Waarom nam noch inlichtingenbaas Hakan Fidan noch legerleider Hulusi Akar de moeite om de regering in te lichten, hoewel zij al vele uren op de hoogte waren van plannen om een staatsgreep te plegen? Wat verklaart het grote aantal gearresteerde seculiere generaals? Hoe dachten de coupplegers met achtduizend soldaten een succesvolle staatsgreep te plegen? Tijdens een parlementaire enquête wist de akp te voorkomen dat cruciale getuigen werden gehoord, Fidan en Akar mochten bijvoorbeeld volstaan met een schriftelijke verklaring. ‘Minstens zo zorgwekkend als het gebrek aan antwoorden is het gebrek aan vragen’, schreef Gareth Jenkins, als analist verbonden aan het Silk Road Studies Program, een denktank in Istanbul.

Jenkins ziet veel onwil om de waarheid boven tafel te krijgen: ‘Het is dom en gevaarlijk’, zei hij eerder tegen me. Want die moordaanslag op Erdogan heeft plaatsgevonden, en die kan opnieuw plaatsvinden als de ware aanstichters van de couppoging niet worden opgespoord.’ De linkse oppositiepartij chp spreekt inmiddels van een ‘gecontroleerde coup’: er was een plan voor een staatsgreep, dat werd ontdekt en als niet levensbedreigend beoordeeld, waarop werd besloten dat de operatie kon doorgaan zodat er later maximaal profijt van getrokken kon worden. In dat scenario komt Erdogans raadselachtige opmerking tijdens de coupnacht dat de couppoging een ‘godsgeschenk’ was in een sinister licht te staan.

Zeker is dat de president de mogelijkheid die de couppoging bood om eens en voor altijd af te rekenen met zijn nemesis Gülen met beide handen heeft aangegrepen. Jarenlang trokken de twee samen op. Erdogan zorgde voor verkiezingsoverwinningen, Gülen voor loyaal en hooggeschoold personeel dat de posities kon innemen van met pensioen gestuurde seculiere kemalisten. Na onderhandelingspogingen vanuit de Turkse geheime dienst met de leiding van de pkk ontstonden spanningen, die eind 2013 ontaardden in een all out war. Nadat Erdogan de aan de Gülen-beweging gelieerde huiswerkscholen sloot, sloegen gülenistische aanklagers terug met een serie onthullingen over verregaande corruptie binnen de akp-top. Dat leidde een zuivering bij het justitieel apparaat in, die zich spoedig uitbreidde naar de rest van de Turkse overheid en naar de media.

Het lijkt erop dat Erdogan niet zal rusten voor hij de beweging geheel en al heeft weggesnoeid. Niet alleen zakenmannen, magistraten en academici zijn de klos, ook de eenvoudige leraar of politieman verliest zijn baan, pensioen en sociale status. Volgens de Turkse krant BirGün hebben tientallen mensen inmiddels zelfmoord gepleegd. Op veel sympathie kunnen de gülenisten niet rekenen, daarvoor hebben ze in Turkije te veel vijanden gemaakt. Kemalistische militairen, Koerdische activisten, linkse journalisten – allemaal kregen ze te maken met de duistere praktijken van met Gülen sympathiserende aanklagers en politiemensen. Dat kon vervalst bewijs zijn, of een smeercampagne. Zowel Erdogan als zijn partij stond er jarenlang bij en keek ernaar. Waarom hebben zij niet eerder ingegrepen? Zijn zij het Turkse volk daarover geen verantwoording schuldig?

Die vragen stelde Ahmet Sik op 24 juli, de dag dat hij werd voorgeleid aan de rechter. Volgens de onderzoeksjournalist zijn de president en de akp zelfs de ‘primair verantwoordelijken’. Sik publiceerde een aantal jaar geleden al een boek à charge over Gülen, Het leger van de imam, waarin hij betoogde dat de Gülen-beweging allerminst de vredelievende en interreligieuze, dialoog zoekende broederschap was die ze claimde te zijn. In het huidige Turkije zou Sik wel op handen worden gedragen, zou je denken. Maar niets is minder waar. Samen met collega’s van de seculiere krant Cumhuriyet staat hij terecht wegens het ‘verspreiden van terroristische propaganda’. De heersende noodtoestand in combinatie met een sterk opgerekte anti-terrorismewetgeving maakt het de Turkse staat mogelijk om vrijwel iedere onwelgevallige of kritische stem het zwijgen op te leggen. Ook de stem van Sik, die tevens een fel criticus van Erdogan en de akp is. Sik transformeerde zijn verdediging tot een zinderende aanval op het bewind van Erdogan. De zaak tegen de journalisten noemde hij ‘rotzooi’; de aanval op de vrijheid van meningsuiting en de rechterlijke macht een ‘lynchpartij’.

DE VERVOLGINGEN EN ZUIVERINGEN gaan veel verder dan de Gülen-beweging. Nukkige kemalistische generaals, parlementariërs en burgemeesters van de progressieve en pro-Koerdische Democratische Partij van de Volkeren (hdp), kritische journalisten, linkse academici – in het huidige klimaat is niemand veilig. Niet zelden ogen de aanklachten volkomen absurd. Zo worden Sik en zijn collega’s ervan beschuldigd propaganda voor zowel de Gülen-beweging als de pkk te hebben gemaakt.

Op Büyükada, een van de Prinseneilanden nabij Istanbul, werd begin juli een groep activisten van Amnesty International gearresteerd op verdenking van het beramen van een nieuwe coup. De mensenrechtenorganisatie had voor haar lokale medewerkers een workshop georganiseerd over digitale veiligheid. Een tolk rook onraad toen hij iets opving over het wissen van gegevens bij het passeren van de Turkse douane en belde de politie. Onlangs werd bekend dat de aanklager vijftien jaar cel eist tegen de leden van de groep.

Tal van kranten, magazines, radio- en televisiezenders werden gesloten. Onwelgevallige websites en Twitter-accounts zijn geblokkeerd. De politieke oppositie kwam er hoegenaamd niet aan te pas. Wat er nog van de hdp over was, werd via anti-terrorismewetgeving kaltgestellt. De ultranationalistische mhp wordt verteerd door interne crises. Alleen van de chp viel nog iets te verwachten. Maar partijleider Kemal Kilicdaroglu had na de coup de tactische fout gemaakt om Erdogan onvoorwaardelijk te steunen.

Maar deze zomer maakte de 68-jarige Kilicdaroglu een onverwachte comeback. Op 15 juni werd Enis Berberoglu, een afgevaardigde van de chp, tot 25 jaar cel veroordeeld wegens het lekken van video-opnamen van Turkse wapenleveranties aan Syrische rebellen. Nog diezelfde dag trok Kilicdaroglu zijn witte sportschoenen aan en ging vanuit Ankara op weg. Bestemming: de gevangenis in de Istanbulse wijk Maltepe, waar zijn partijgenoot vastzit, zo’n 450 kilometer verderop. Met zo’n 25 kilometer per dag ging het voort, over de snikhete vlakte tussen de twee steden. Het was een politieke meesterzet. ‘Mars der Rechtvaardigheid’ noemde Kilicdaroglu zijn wandeltocht. Zijn medestanders en hij droegen een wit rond bord mee met daarop in het rood het woord ‘adalet’ (rechtvaardigheid). Het gaat hier niet om een partijpolitieke kwestie, was de boodschap, maar om een universele waarde, die alle Turken aangaat.

Er ontstond momentum. Parallellen werden getrokken met Gandhi’s Zoutmars in 1930. Gaandeweg sloten meer en meer mensen zich aan, ook van andere politieke voorkeuren. Ultranationalisten, conservatieve akp’ers, progressieve hdp’ers – van alles was er wat, al bleef de hoofdmoot afkomstig uit de chp.

Op de voorlaatste dag ontmoet ik de mars in een buitenwijk van Istanbul. Het is tegen het middaguur en de zon brandt ongenadig fel. Langs het tracé zitten tientallen politieagenten gehurkt tegen vers aangeplante palmbomen. Er zijn serieuze bedreigingen geweest en de laatste dagen wandelt Kilicdaroglu omstuwd door een cordon agenten. Maar oproerpolitie en waterkanonnen zijn er ook, alsof Erdogan tegen de deelnemers aan de mars wil zeggen: ik tolereer jullie, bescherm jullie zelfs, maar haal je niets in je hoofd.

Medium anp 52241741
Kemal Kilicdaroglu (in het midden) tijdens zijn Mars der Recht-vaardigheid, juni 2017, Istanbul © Ozan Kose / AFP / Getty

Duizenden, tienduizenden mensen rusten in een park nabij de kustlijn. In de schaduw eten ze een broodje of masseren hun opgezwollen voeten. Op een parkeerplaats staat de beige caravan waar Kilicdaroglu rust en gasten ontvangt. Ik herken Erdem Gül, de journalist van Cumhuriyet, die de gewraakte beelden van Turkse wapenleveranties in Syrië in ontvangst heeft genomen. Hij is tot vijf jaar cel veroordeeld, maar mag het hoger beroep in vrijheid afwachten. Hij trekt aan een sigaret en maakt grappen met collega’s. Zijn baard is geheel grijs geworden. Binnen heet Kilicdaroglu me welkom. Het ruikt muf. In een zitje verderop klinkt gedempt geroezemoes. Onder een wit overhemd is Kilicdaroglu’s hemd zichtbaar. Hij heeft de serene uitstraling van een pelgrim of een lange-afstandsfietser. ‘Er is geen justitiële onafhankelijkheid, parlementariërs en journalisten zitten in de gevangenis, academici zijn hun baan kwijt’, begint hij. ‘Het is belangrijk dat we het momentum vasthouden en druk blijven uitoefenen. In het parlement en daarbuiten.’ De mars heeft volgens Kilicdaroglu iets wezenlijks veranderd in Turkije. Grote woorden schuwt hij daarbij niet: ‘Mensen konden of durfden zich niet langer uit te spreken tegen het onrecht waaronder we in Turkije gebukt gaan. We hebben hun hun stem teruggegeven.’ Over Erdogan maakt hij zich weinig illusies, want de ‘cultuur van democratie is Erdogan vreemd’. Het is zaak nu door te pakken, een coalitie te smeden en de zittende president bij de verkiezingen van 2019 ten val te brengen.

De dag erop sluit Kilicdaroglu zijn 25 dagen durende mars af met een enorme, strijdbare rally met vele honderdduizenden, misschien wel een miljoen mensen. Wat drie weken eerder niemand voor mogelijk hield, heeft zich voltrokken. De weinig charismatische Kilicdaroglu is uitgegroeid tot een samenbindende figuur. Dat hij het in een run off tegen de president kan winnen houden weinig mensen voor mogelijk. Maar misschien effende Kilicdaroglu het terrein voor iemand die dat wél kan.

In het Westen overheerst het beeld van de onoverwinnelijke, almachtige Erdogan. Maar volgens Pérouse, de biograaf, is zijn speelruimte beperkt. Hij wijst me op de oorlog in Syrië, de fragiele economie, de Verenigde Staten, de Europese Unie, Rusland, en op de alliantie met Qatar die hem in oppositie plaatst met een groot deel van de Arabische wereld.

Tegelijk kalft volgens Pérouse ook Erdogans machtsbasis in Turkije zelf af. ‘Het referendum van maart wist hij maar heel nipt te winnen, en dan is er nog de sterke verdenking van fraude.’ Üsküdar, een traditioneel conservatieve wijk in Istanbul, heeft bijvoorbeeld in meerderheid tegen gestemd. Volgens Pérouse blijkt daaruit dat de middenklasse bezig is zich van Erdogan af te keren. ‘Zij willen dat hun kinderen naar goede universiteiten kunnen en een zonnige toekomst tegemoet gaan. In het huidige Turkije lijkt dat niet goed meer mogelijk.’

‘Het lijkt wel alsof Erdogan een monoloog houdt en denkt dat hij zich van niemand iets aan hoeft te trekken’, concludeert Pérouse. Ook een hoge westerse diplomaat in Ankara constateert dat Erdogan zich steeds meer afzondert. ‘Dat was al langer aan de gang, maar sinds de coupnacht zien we dat tot in het uiterste’, zegt hij. ‘Veel bewindslieden hebben nauwelijks nog toegang tot de president. In plaats daarvan omringt hij zich met een klein groepje adviseurs.’

De diplomaat, die anoniem wil blijven, noemt het huidige klimaat ‘griezelig en fascinerend tegelijk’. Fascinerend vanwege alle beweging die er is, de samenzweringstheorieën, de tirades tegen het Westen, het spel met de waarheid. Griezelig om precies diezelfde redenen. ‘We leven in een tijd waarin mensen als Bulut het oor van de president hebben. En dat is eng.’

‘De kemalisten wilden van Turkije een westers land maken, maar de prijs daarvoor was dat ze hun ziel verloren’

De centrale stelling van Pérouse’s boek is dat pragmatisme, gevoed door een vermogen om aan te voelen wat er in de Turkse samenleving speelt, de sleutel biedt tot Erdogans succes. Maar juist dát vermogen lijkt hij nu te zijn kwijtgeraakt. ‘Zoals Erdogan de Gezi-protesten niet zag aankomen, zo heeft ook de staatsgreeppoging hem verrast’, zegt Pérouse. Onlangs werd bekend dat de president een eigen inlichtingendienst heeft opgetuigd, illegaal, en buiten medeweten van het parlement. Volgens Pérouse is er sprake van ‘een geestvernauwing veroorzaakt door angst’.

EN NU NEEMT ERDOGAN dus in toenemende mate zijn toevlucht tot samenzweringstheorieën, waarin ‘het Westen’ als grote boosdoener figureert. Een centrale plaats wordt daarbij ingenomen door het inmiddels bijna honderd jaar oude Verdrag van Sèvres (1920). Dat verdrag, vernoemd naar een buitenwijk van Parijs, kwam tot stand in de marge van de Vredesconferentie van Versailles. In Sèvres verdeelden Frankrijk, Engeland en Italië het tijdens de Eerste Wereldoorlog verslagen Ottomaanse Rijk in invloedssferen. Er werd voorzien in een onafhankelijk Armenië en een autonome regio voor de Koerden. De Grieken verkregen op de valreep de regio rond Izmir. De etnische Turken kregen een gebied toegewezen dat ruwweg samenviel met het gebied van waaruit zij zevenhonderd jaar eerder de verovering van hun rijk waren begonnen. Het verdrag zou de aanzet vormen tot de glorieuze onafhankelijkheidsoorlog onder leiding van Mustafa Kemal, de latere Atatürk. Tijdens deze oorlog werd een territorium veiliggesteld dat in grote lijnen samenvalt met het huidige Turkije. Al met al een heel behoorlijk resultaat. Het merkwaardige is alleen dat ‘Sèvres’ tot een trauma werd dat de Turken tot op de dag van vandaag achtervolgt. Erdogan refereerde er afgelopen jaar meermalen aan, alsof hij wilde zeggen: wees op jullie hoede, het Westen staat klaar om ons land te veroveren en te verscheuren, net als toen.

Volgens de Turkse historica Fatma Müge Göçek is ‘Sèvres’ bovenal tot een trauma gemaakt. In een lang artikel getiteld Why Is There Still a ‘Sèvres Syndrome’? schetst ze de historische context. Grootschalige hervormingen gedurende de negentiende eeuw hadden niet kunnen voorkomen dat het Ottomaanse Rijk enorme gebiedsverliezen leed. Zo verloor het tijdens de Balkanoorlogen van 1912 niet minder dan zestig procent van zijn grondgebied aan Europese landen of aan Rusland. En de Jonge Turken verloren tussen 1912 en 1918 nog eens 35 procent van het deel dat overbleef. Miljoenen onderdanen van het rijk raakten op drift of kwamen om. Hoe kon ‘Sèvres’ van een te overkomen nederlaag een trauma worden?

Volgens Müge Göçek komt dat doordat de Turkse legertop het in de beginjaren van de republiek instrumentaliseerde. Aanvankelijk vanuit overwegingen van natievorming, om eenheid te smeden onder de groep soennitische moslims (en tevens etnische Turken), vervolgens met het doel de eigen macht te behouden. ‘Sèvres’ leende zich daar bij uitstek voor omdat het én een vijandig beeld van het Westen opriep én verwijzingen bevatte naar minderheden die later van de Turkse politieke gemeenschap uitgesloten zouden worden (Armeniërs, Koerden, christenen, alevieten et cetera). Enerzijds waren er de vijanden van buiten die uit waren op de opdeling van Turkije, en anderzijds de groepen die met het buitenland onder één hoedje speelden tegen de Turkse soennieten. Dit construct duikt nu weer voortdurend op.

Volgens Erik-Jan Zürcher, als hoogleraar Turks verbonden aan de Universiteit Leiden, speelt ook het gecentraliseerde schoolsysteem een belangrijke rol bij de instandhouding van het Sèvres-trauma. ‘Al drie generaties lang worden Turkse schoolkinderen opgevoed met het idee dat “het Westen” erop uit is om Turkije op te delen en dat het daar allerlei groepen binnen de landsgrenzen voor gebruikt’, zegt hij. Selim Koru, als analist verbonden aan de in Ankara gehuisveste denktank Economic Policy Research Foundation, vult aan: ‘Vraag een willekeurige Turk naar het Ottomaanse Rijk en hij zal zeggen dat het een tijd van grootheid voor Turkije was. En als je vervolgens vraagt waarom het rijk nu niet meer bestaat, dan zal het antwoord onherroepelijk zijn dat dit door de Europeanen komt.’

En er is nog een tweede beeld: dat van een materialistisch en spiritualiteit-arm Westen. Samen vormen die twee ideeën het narratief van een ‘onbetrouwbaar Westen’, waar in onzekere tijden dankbaar uit wordt geput. Het ‘decadente Westen’ kan de niet-westerling eenvoudig corrumperen als hij niet oplet. Het was het verwijt dat de Jonge Ottomanen de initiatiefnemers van Tanzimat in 1865 al maakten. Tanzimat was de naam van een ambitieus hervormingsprogramma dat in 1839 was gelanceerd en bedoeld was om het Ottomaanse Rijk de aansluiting bij de Europese machten niet te laten verliezen. Anders dan eerdere hervormingen, die zich tot het leger beperkten, strekte Tanzimat zich uit over tal van maatschappelijke terreinen: het openbaar bestuur, de rechtspraak, het onderwijs et cetera. Het was geïnitieerd door een op Parijs georiënteerde intellectuele elite – niet zelden lid van een van de vrijmetselaarsloges die in Istanbul door Europeanen waren opgericht.

De Jonge Ottomanen maakten zich zorgen over de sterk gereduceerde positie van de sharia, de islamitische wet. Ze prezen het Europese constitutionalisme en parlementarisme, maar wezen ondertussen op het essentiële belang van de islam als de grondslag van de politieke cultuur binnen het rijk. Verwestersing zoals de initiatiefnemers van Tanzimat die hadden opgevat kwam volgens de Jonge Ottomanen in de praktijk neer op ‘het bouwen van schouwburgen, het bezoeken van bals, niet te moeilijk doen over de ontrouw van je vrouw en je westers kleden’.

Tegen het einde van de negentiende eeuw ontstond een bloeiende literatuur waarin de westerse beschaving naast de islamitische figureerde. De veel gelezen roman Felatun _Bey__ ile Rakim Efendi_ (‘Mr. Felatun en Mr. Rakim’) van Ahmet Midhad is daar een representant van. In dat boek gaat het over het verschil tussen een nageaapte, cosmetische verwestersing en een model waarin steeds grote moeite werd getroost om de eigen Ottomaanse tradities een plaats te geven. Midhad was een van de prominentste Ottomaanse intellectuelen van zijn tijd en publiceerde uitvoerig over de spanning tussen de westerse beschaving en haar universele toepasbaarheid. Waar zijn personage Felatun zijn tijd gokkend en vrouwen verslindend doorbrengt op het Europese deel van Istanbul, daar toont Rakim zich veel behoedzamer. Net als Felatun spreekt hij Frans en is hij bekend met de Europese beschaving, maar tegelijk spant hij zich tot het uiterste in om een middenweg te vinden en zijn moslimidentiteit te behouden.

Dergelijke thema’s beperkten zich natuurlijk niet tot Ottomaanse auteurs. Cemil Aydin, de historicus, merkt op dat er sprake was van ‘een mondiaal moment’. In zulke uiteenlopende landen als Egypte, Rusland en Japan zagen intellectuelen en schrijvers zich vanaf het midden van de negentiende eeuw voor identieke dilemma’s geplaatst. Daarmee groeide ook de behoefte aan een alternatieve moderniteit, die niet bestond uit slaafs imiteren van het Westen, maar was geënt op de eigen tradities.

It is not the West that was hit by the world’, schreef de Britse historicus Arnold Toynbee ooit. ‘It is the world that has been hitand hit hardby the West.’ Hoe kon het dat de islamitische wereld zo achterop was geraakt? Hoe de islam te revitaliseren en te verbinden met de moderniteit? Naarmate het Westen zijn greep op de islamitische wereld tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw verstevigde werden dergelijke vragen steeds prangender. Het is lastig de politieke islam, die hier als antwoord op kwam, niet te zien als een identiteitsproject, ontstaan in reactie op het Westen.

Ook in Turkije kwam een proces van zielsonderzoek op gang, al werd dat snel gesmoord in Atatürks radicale hervormingsproject. Het doel was om van Turkije een westers land te maken: mystieke broederschappen werden verboden, het kalifaat werd afgeschaft, de fez ingeruild voor de hoed. Er kwam een Latijns alfabet en de godsdienst werd onder controle van de staat gebracht. De islam, aldus Atatürk, hoorde thuis ‘op de bodem van Middellandse Zee’. Pas tegen het einde van de twintigste eeuw zou er ruimte ontstaan voor politieke partijen die zich nadrukkelijk op de islam beroepen.

Eén figuur sprong er in de tussenliggende periode desondanks uit: de romantisch-nationalistische dichter en ideoloog Necip Fazil Kisakürek (1904-1983). Door de seculiere kemalisten werd hij gehaat en opgejaagd, maar in het huidige Turkije staat hij in hoog aanzien. President Erdogan mag graag memoreren aan de momenten die hij als twintiger doorbracht aan Kisaküreks zijde. In 2014, tijdens de uitreiking van de eerste ‘Necip Fazil-prijs’ noemde hij hem een ‘groot denker’, die er was voor iedereen die een ‘oudere broer’ zoekt of ‘een metgezel’.

Kisakürek kwam uit een rijk en westers georiënteerd milieu. Gedurende een studieverblijf in Parijs ging hij zich dermate te buiten aan alcohol en gokspelen dat van een beoogde promotie aan de Sorbonne niets terechtkwam. Een ontmoeting in Istanbul met een bekende Naqshibandi-sjeik in de jaren dertig veranderde alles. De Naqshibandi waren onderdeel van een grote islamitische revivalbeweging die in de achttiende eeuw in India was ontstaan in reactie op de Britse kolonisatie. Kisaküreks houding ten opzichte van het Westen kantelde radicaal. Hij begon een tijdschrift (Het Groot Oosten), waarin hij de opvatting verkondigde dat het Oosten een diepere spiritualiteit herbergde dan het Westen en dat deze door het westerse materialisme werd bedreigd.

Kisaküreks westers georiënteerde opvoeding kwam in een ander licht te staan. Dit schreef hij in zijn memoires over zijn grootmoeder: ‘Met haar voorkomen, de juwelen die iedereen in Istanbul haar benijdde, de soirées die ze organiseerde, de pianola, en de manden vol met uit het Westen geïmporteerde romans was ze de verfijnde Istanbulse dame bij uitstek. Tegelijk werd ze gekweld door neurotische angsten. Ze was als een hemellichaam dat uit zijn baan is geraakt en niet weet hoe daarin terug te komen.’

Wat Kisakürek volgens Erdogan bovenal symboliseert is de link met het Ottomaanse verleden. ‘Terwijl [met Atatürk] alles opnieuw begon en wij van onze tradities werden afgesneden, bleef Necip Fazil in contact met het verleden’, zei hij in 2014. ‘Als er vandaag de dag een Nieuw Turkije is, een Groots Turkije, dan heeft Necip Fazil er een aandeel in. Zijn handtekening staat eronder. Hij was zo gedreven, zo groots, dat als je hem zag je geneigd was te zeggen: “We hebben teruggevonden wat we ooit verloren.”’

‘KISAKÜREK VATTE DE MODERNISERING op als verraad, als een door het Westen gelegde valstrik voor moslims’, zegt Nuray Mert op de sofa van haar appartement in Nisantasi, een chique wijk in Istanbul die bekend staat om het seculiere karakter ervan. Hier tref je geen hoofddoekjes aan, maar westers geklede vrouwen. De sfeer is los. Er zijn bioscopen, luxe winkels en terrasjes.

Mert is politicologe, columniste en een veel gevraagde televisiecommentator. Ze promoveerde op het secularisme tijdens de eerste jaren van de republiek, later publiceerde ze veel over islamisme en nationalisme. Achter Mert staat een enorme Steinway, op het parket spelen twee grijze katten met opvallende gele ogen. ‘Kisakürek was allesbehalve een systematische denker’, vervolgt ze. ‘Hij was een dichter en een propagandist. En hij is bovenal de man van die ene dichtregel.’ Ze doelt op de zin ‘wij zijn als een vreemde in ons eigen huis’. Kisakürek poogde er het sentiment van de traditioneel levende moslim mee te vatten. Het secularisme van Atatürk beschouwde hij als iets dat de moslimpopulatie door de strot was geduwd. ‘De kemalisten wilden van Turkije een westers land maken’, zegt Mert, ‘maar de prijs daarvoor was dat ze hun ziel verloren.’

Mert neemt in het Turkse publieke debat een unieke positie in. Lange tijd wist ze als een van de weinigen het slappe koord te bewandelen boven de afgrond die de seculieren en de islamisten van elkaar scheidt. Maar afgelopen zomer viel ze eraf. Na een column over de evolutieleer van Darwin en een tweede over religieuze huwelijken besloot de directie van Cumhuriyet haar te ontslaan. En dat terwijl ze speciaal was ingehuurd omdat de krant de rigide opvattingen over secularisme wilde verbreden. ‘Als je naar de moskee ging, moest je wel een boertje zijn, als je je hoofd bedekte was je achterlijk.’ Zo omschrijft ze de houding van het seculiere milieu waarin ze opgroeide. Als puber verzette ze zich ertegen. Later, op de universiteit mengde ze zich in de strijd om de hoofddoek, wat ertoe leidde dat ze niet aan de slag kon bij een staatsuniversiteit. Links als ze op dat moment was, weigerde ze te solliciteren bij een privé-universiteit. Dertien jaar duurde de ban. Haar rijke familie voorzag in haar onderhoud, al begreep die verder weinig van haar engagement. ‘Ze troostten zich ermee dat ik nog steeds gewoon wijn dronk’, zegt ze.

Toen de akp in 2002 aan de macht kwam kon ze aan de slag bij de Istanbul Universiteit in de conservatieve wijk Fatih. Begin 2016 tekende ze echter een petitie die de Turkse staat beschuldigde van het gebruik van excessief geweld in het zuidoosten. Voor regeringsgezinde aanklagers werd de petitie al snel een hitlist om van academische lastposten af te komen. Mert hield de eer aan zichzelf. Niettemin onderschrijft ze het oorspronkelijke streven van de akp om het rigide secularisme te willen corrigeren, al wantrouwt ze het islamisme als zodanig. ‘De akp heeft het over re-islamiseren, maar nooit is duidelijk wat dat precies inhoudt, tot hoe ver dat gaat. Rechten moeten ook voor moslims gelden, uiteraard, maar op welke basis, uit welke naam? Gaat het over pluralisme, op basis van gelijke rechten? Of doe je het op basis van de religie?’

Medium hh 65249302
Portret van Erdogan op het Taksimplein, 2017, Istanbul © Henk Braam / HH
‘Islamisten willen de moderniteit enten op de islam, maar hoeveel moderniteit, en op welke islam?’

Bij IS of de Taliban is het volgens Mert volkomen helder wat ze willen. ‘Maar bij islamisten is dat veel minder duidelijk. Ze willen de moderniteit enten op de islam, maar hoeveel moderniteit, en op welke islam? Dat is allerminst duidelijk, ook niet binnen de akp.’

Evenwel lijkt van Kisaküreks zoektocht naar een ‘eigen, oosterse’ spiritualiteit, in het huidige Turkije weinig over. In Ankara doorkruis ik een wijk die zojuist gereedgekomen is: shopping malls, ruime appartementen, parken met fonteinen en kinderspeeltuinen. De moskee die boven alles uit torent heeft nog het meest weg van een kruising tussen het Topkapi-paleis en de Souleyman-moskee, maar dan als Disney-variant.

In het Nieuwe Turkije van Erdogan gaat het vooral om bouwen, om infrastructurele projecten, om wegen, bruggen, havens en vliegvelden. Meer en meer ontwikkelt zich een crony capitalism, met vrienden van Erdogan, die licenties, concessies en projecten krijgen toegespeeld. Een westerse diplomaat vertelde me dat hij recent op een bijeenkomst was van hoge akp’ers. ‘Het leek wel een bijeenkomst van sovjet-Kommissars, waar louter cijfers over graanoogsten en bouwprojecten worden voorgelezen’, zei hij.

OP ZONDAG 12 MAART VERZAMELDEN zich zo’n 1300 jonge Turken voor de Nederlandse ambassade in Ankara. De meesten behoorden tot de Osmanli Ocaklari, vrij vertaald de ‘Ottomaanse Haarden’. Een politieke partij is het niet, eerder een fanclub van Erdogan, of zoals boze tongen fluisteren een knokploeg. Tijdens de parlementsverkiezingen van november 2015 werden ze in verband gebracht met brandstichtingen bij partijkantoren van de hdp. In Istanbul hoorde ik de huisideoloog van de club tijdens een bijeenkomst eens tekeergaan tegen Koerden en seculieren. Als Turkije een lichaam was, dan waren zij er volgens hem respectievelijk de ‘endeldarm’ en de ‘anus’ van. Voor de ambassade was de sfeer grimmig. Er sneuvelden ruiten, na afloop zat de hele pui vol eierstruif.

De aanleiding voor het protest was de diplomatieke rel tussen Nederland en Turkije. De feiten zijn bekend: Mesut Cavusoglu, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, wilde naar Rotterdam komen om daar campagne te voeren voor de ja-stem tijdens het referendum. De Nederlandse regering wilde niet meewerken aan een dergelijk bezoek. Na een week van over en weer kaatsen dreigde Cavusoglu met ‘harde sancties’. Direct daarop trok Nederland de landingsrechten van het vliegtuig van Cavusoglu in. De Turkse minister Fatma Betül Sayan Kaya, toevallig op dat moment in Duitsland, kreeg de opdracht om naar Rotterdam te rijden. Toen ze daar arriveerde, escaleerde de situatie volledig. Kaya eiste toegang tot het Turkse consulaat. Die werd geweigerd. Ten slotte werd ze tegen haar wil de grens met Duitsland over gezet.

In de dagen die volgden noemde Erdogan de Nederlandse regering ‘fascisten’ en ‘overblijfselen van nazi’s’. In Istanbul werden incidentjes gemeld. In de wijk Sisli werd een Noor voor een Nederlandse journalist aangezien en bedreigd. Op het dak van het consulaat-generaal in Istanbul verwisselde een onbekende de Nederlandse driekleur voor de bloedrode Turkse vlag. Pro-regeringszenders programmeerden documentaires over de politionele acties in moslimland Indonesië en Erdogan refereerde meermalen aan het Nederlandse optreden in Srebrenica.

Was het opzet, een bewuste actie om een relletje te creëren in aanloop naar het referendum? Het kwam Erdogan zeker niet slecht uit, en ook premier Mark Rutte wist er vlak voor de Nederlandse parlementsverkiezingen wel raad mee. Toch is er van een specifiek anti-Nederlands sentiment in Turkije geen sprake, zegt een diplomaat. ‘Daarvoor zijn de betrekkingen simpelweg te diep verankerd.’ Maar bijgelegd is de ruzie nog altijd niet. Zo mag Kees van Rij, de Nederlandse ambassadeur in Ankara, tot op de dag van vandaag het land niet in. En in Ankara is het een publiek geheim dat Nederlandse diplomaten die naar Turkije reizen worden gepest. Ze moeten soms uren wachten tot ze het land in mogen.

Tussen Duitsland en Turkije zijn de relaties veel serieuzer aangetast. Behalve groeiende zorgen over het autoritarisme van Erdogan, de aanval op de persvrijheid en de massale zuiveringen na de staatsgreeppoging, is er ergernis over de arrestatie van een aantal Duitsers in Turkije. Zo is er de zaak van Deniz Yucel, een Duits-Turkse journalist, verdacht van ‘terrorismepropaganda’. En sinds juli is er ook de zaak van Peter Steudtner, een IT-instructeur die op Büyükada een cursus digitale veiligheid kwam verzorgen en die samen met de Amnesty-staf werd opgepakt. Net als in Nederland liepen de spanningen op toen Berlijn aangaf dat campagne voerende Turkse bewindspersonen niet gewenst waren, en Erdogan al helemaal niet.

Vervolgens liet de Turkse president alle reserve varen. ‘Ik dacht dat het fascisme in Duitsland voorbij was’, zei hij dit voorjaar op een bijeenkomst in Istanbul. ‘Maar het is er nog steeds, het gaat gewoon door.’ Hij dreigde ‘de wereld in vuur en vlam te zetten’, indien hem de toegang werd geweigerd. Nog weer later werd Duitse parlementariërs de toegang tot de Turkse militaire basis Incirlik ontzegd. Duitsland reageerde met het terughalen van aldaar gestationeerde F-16’s. Angela Merkel haalde tijdens haar verkiezingscampagne ongemeen fel uit. Ze zei dat Berlijn een veto zal uitspreken tegen de verlenging van de douane-unie tussen Turkije en de EU.

Binnen de Navo vaart Turkije inmiddels een geheel eigen koers. Zo werden wapensystemen aangeschaft in Rusland en in China. Turkije schrikt er zelfs niet voor terug het machtige Amerika tegen de haren in te strijken. Erdogan en Trump prijzen elkaar, maar tussen de landen als zodanig is het stevig mis. Lijfwachten van Erdogan sloegen op bezoek in Washington een aantal demonstranten het ziekenhuis in. Op beelden is te zien dat het Erdogan in eigen persoon was die vanuit zijn auto toestemming gaf. Ondertussen houdt Turkije een tiental Amerikaanse staatsburgers gevangen, onder wie een pastoor. Erdogan, gebrand als hij is op de uitlevering van Gülen, stelde unverfrohren dat hij wel tot een ruil bereid was. Na de arrestatie van twee lokale personeelsleden besloot de Amerikaanse ambassadeur in Ankara begin oktober om geen visa meer aan Turken te verlenen. Eerder deze week riep The New York Times de Amerikaanse regering in een hoofdredactioneel commentaar op uit voorzorg de in Turkije gestationeerde tactische kernwapens terug te halen.

Aan Turkse zijde is het ongenoegen niet minder groot. Een veel gehoord verwijt is dat er vanuit het Westen te weinig oog is voor de precaire veiligheidssituatie waarin Turkije zich bevindt. Helemaal omdat verontwaardiging over de zuiveringen en mensenrechtenschendingen wél luid en duidelijk klinkt. Wat ook niet hielp was dat het tergend lang duurde eer hoge EU-gezagsdragers zich na de coup in Turkije vertoonden. Daar is men niet vergeten hoe gemakkelijk er vanuit het Westen over de staatsgreep heen is gestapt waarmee de Egyptische generaal al-Sisi de democratische gekozen moslimbroeders, nota bene bondgenoten van Turkije, in 2013 aan de kant schoof.

ER HEERST EEN OPRECHT GEVOEL van miskenning. ‘We vechten tegen drie terroristische organisaties tegelijk’, zegt Duran, de regeringsgezinde denktanker, doelend op Islamitische Staat, de pkk en de Gülen-beweging. ‘Steun vanuit het Westen krijgen we daarbij nauwelijks.’ Hij wil maar zeggen: als er een antiwesters sentiment in Turkije heerst, dan komt dat niet zozeer voort uit een overgeërfde weerzin tegen ‘veroveringsgezind’ of ‘decadent’ Europa. Het is een gevolg van specifiek beleid.

De westerse diplomaat erkent dat de EU de veiligheidskwestie van Turkije te licht opneemt. ‘De reactie op de coup had adequater gekund. Maar vergeet niet: de sympathie voor Erdogan was toen al minimaal.’ Tegelijk zou de EU volgens de diplomaat de terreurdreiging in Turkije veel serieuzer moeten nemen. Die vanuit de pkk met name: ‘Die wordt bij ons in het Westen te veel gedoogd, er wordt te veel goedgepraat.’ Een ander groot punt voor de Turken zijn de meer dan vierduizend uitleveringsverzoeken die Ankara naar de verschillende EU-lidstaten heeft uitgedaan. In de meeste gevallen betreft het mensen die Turkije van banden met de pkk of de Gülen-beweging verdenkt en met wie tot dusver weinig of niets is gebeurd. Volgens de diplomaat is dat hoofdzakelijk de schuld van de Turken zelf. ‘Veel uitleveringsverzoeken voldoen simpelweg niet aan onze standaarden. Meestal zie je slechts onbeargumenteerde verdachtmakingen.’

Ook Kati Piri, de Turkije-rapporteur van het Europees Parlement, toont zich bij herhaling kritisch over de zuiveringsgolf en de willekeur die daarbij aan de dag wordt gelegd. Maar ook is ze van mening dat er in Europa te lichtvaardig over de pkk en Gülen wordt gedacht. Ze vertelt me dat ze eind augustus 2016 met een collega-parlementariër naar Turkije ging. Zes weken na de couppoging, ze waren de eerste Europese politici ter plaatse. ‘Wij beschouwden het niet als onze taak om te gaan’, zegt ze. ‘Maar toen er na een paar weken duidelijk werd dat er niemand ging, dachten wij: nou, dan gaan wij in ieder geval wél.’ De sfeer werd met de dag ongemakkelijker. ‘De retoriek werd harder, er werden steeds meer mensen opgepakt, het vingerwijzen naar de Gülen-beweging werd heftiger – terwijl de bewijzen er niet lagen.’ Later dat jaar bracht Piri namens het Europees Parlement een rapport uit dat de Europese Commissie adviseerde om de toetredingsonderhandelingen op te schorten.

Bij de Commissie leeft nog steeds de hoop dat de situatie genormaliseerd zal kunnen worden. In de marge van de laatste Navo-top ontmoetten voorzitter Juncker en Erdogan elkaar dit voorjaar in Brussel. ‘De Commissie vindt goede betrekkingen met Turkije belangrijk’, zegt de westerse diplomaat. ‘Tegelijk ligt het Europees Parlement dwars en zegt met zoveel woorden: met dat land kunnen we eigenlijk niet verder.’

Erdogan heeft al verscheidene keren laten doorschemeren dat het geduld wat hem betreft op is. Bij de opening van het Turkse parlement zei hij onlangs dat Turkije de EU “niet langer meer nodig heeft”. Daar zit de gekrenktheid van een afgewezen minnaar in. Deels is het grootspraak, want geloofwaardige alternatieven heeft Turkije niet in de regio.

Het Europese gedraal om Turkije concreet uitzicht te bieden op een volwaardig EU-lidmaatschap is nog steeds een open wond. Ondanks ingrijpende democratische hervormingen moest het land in 2004 de Oost-Europese landen (en zelfs aartsvijand Cyprus) laten voorgaan. Vervolgens gaf eerst Merkel en toen Sarkozy te kennen dat Turkije wat hen betrof nooit lid zou worden. Niet zozeer om wat het deed of naliet, maar om wat het ís: een groot moslimland. Volgens Piri zijn er nog steeds veel EU-leiders die zo denken. ‘“Zelfs al zou Turkije zo democratisch zijn als Zwitserland, dan nog blijven het tachtig miljoen moslims”, klinkt het dan.’

Een artikel van Selim Yenel, de staatssecretaris van het Turkse ministerie van EU-zaken, gepubliceerd op de website van Turkish Policy Quarterly, is veelzeggend voor de Turkse kijk op de zaak. Yenel schetst het toetredingsproces als een lange lijdensweg. Hij bracht het langdurige Turkse lidmaatschap van de Navo in herinnering en wees erop dat de eerste aanvraag om bij (toen nog de eeg) te komen dateert van 1959. Het laten voorgaan van de Oost-Europese landen las hij als een eerste signaal dat Turkije nooit werkelijk geaccepteerd was in de Europese familie. Vanaf toen begreep het land volgens Yenel dat de relatie ‘vooral zakelijk’ zou zijn, net als tijdens de Koude Oorlog en zag zich genoodzaakt het beleid daarop aan te passen.

Ibrahim Kalin, de hooggeleerde woordvoerder van Erdogan, en een van de weinige adults in the room, schreef onlangs dat de betrekkingen met de EU alleen hersteld worden als Europese leiders onder ogen zien dat de ‘oneerlijke en ongelijkwaardige’ relatie niet langer houdbaar is.

Serieus genomen willen worden, op gelijke voet staan, erkenning: het zijn sleuteltermen voor wie het moderne Turkije wil begrijpen. Tegelijkertijd lijkt er vanuit het Westen niet veel bereidheid om dat ook te doen. En eerlijk is eerlijk, heel gemakkelijk maakt Erdogan het ons daarbij ook niet. Het is lastig begrip hebben voor iemand die je voor ‘fascist’ uitscheldt of de principes van de rechtsstaat zo nadrukkelijk aan zijn laars lapt. Maar het antiwesterse sentiment in Turkije is reëel. Volgens Aydin, de historicus, moet je dat zien als onderdeel van een politiek discours, voortkomend uit de frustratie over een Europees centrum dat niet voldoet aan zijn beloften. ‘De bittere ironie is dat door het antiwesterse sentiment – en de samenzweringstheorieën die zich ermee voeden – het Westen juist weer tot het centrum van de wereld wordt gemaakt.’

De gevoelde ongelijkheid wordt op deze manier gecontinueerd. ‘Wanneer Europeanen Turkije bekritiseren nemen Turken dat serieus. Maar laten we eerlijk zijn: als Turken het Westen bekritiseren kan niemand dat in Europa of Amerika echt wat schelen.’