Meesterlijke pathetiek

In de nieuwe Nederlandse vertaling klinkt Marcel Proust astmatischer dan ooit: reutelende, naar adem happende zinnen leren je liefdeslessen die je pas snapt wanneer je ze niet meer nodig hebt.

Heb je de tijd gevonden of in de schoot geworpen gekregen (een ziekbed, een niet al te ingrijpende werkonbekwaamheid) om eindelijk Op zoek naar de verloren tijd integraal te lezen, in het Nederlands, niet in het Frans, want die taal beheers je voldoende voor Le Monde of een langzaam sprekende François Hollande, maar zeker niet voor een roman van deze categorie en omvang, en ben je na zo’n tweeduizend pagina’s op de laatste bladzijden van Thérèse Cornips’ plechtstatig krakende vertaling aanbeland, waarvoor je toch ook het geroddel en societygeleuter hebt moeten doorstaan dat vanaf De kant van Guermantes de overhand neemt, dan overheerst vooral de neiging om meteen weer van voren af aan te beginnen en te achterhalen waarom je ooit viel voor de naamloze verteller van dit boek, die zo gevoelige en intelligente jongeman die in de loop van de jaren een vermoeide, onbevredigde oudere man werd.

‘De ware paradijzen zijn de paradijzen die je verloren hebt.’ Dat is de grote ontdekking die Proust in De tijd hervonden (het slotdeel van De verloren tijd) doet en daarvoor al ervaarbaar heeft gemaakt door de lezer mee te nemen naar de herinnerde jongste jeugd van de verteller, toen de dagen nog eeuwigheden leken en het levensgeluk afhing van moeders kus. Volwassen wordt de jongeman in warm gestookte legerkazernes en in koele salons. Daar maakt hij kennis met de wreedheid van de liefde en de grilligheid van de macht, waardoor hij haast vergeten zal hoe het ook al weer was, destijds, in zijn jonge jaren, toen hij beloofde ‘niet hetzelfde dwaze leven als de andere mensen’ te gaan leiden.

In het allerlaatste deel vindt de verteller zichzelf terug en neemt zich voor, met herwonnen esprit, om eindelijk iets met zijn leven aan te vangen, dat wil zeggen dat ene boek te schrijven. Dat is, duizeling, de roman die de lezer net uitgelezen heeft. Maar waarom dat boek, waarom literatuur? Ook dat doet de verteller uit de doeken. Hij heeft ontdekt dat er niet zoiets als dé werkelijkheid bestaat. Spreek je over een restaurant, buizenpost of de liefde, dan hebben die eenvoudige woorden voor iedereen een andere betekenis, zijn ze verbonden met een verschillend gevoel. Sensaties staan nooit op zichzelf maar zijn verbonden met weer andere sensaties en de meest diverse herinneringen. Pas door er zijdelings en vergelijkenderwijs naar te kijken, ervaar je de volle diepte van de wereld. De verknoopte, verstrikte, subjectieve werkelijkheid – de onze, de echte – kan alleen ontward en weer verweven worden in de stijl van een groot schrijver; een auteur met de moed en de rijkdom van geest om zijn naïviteit op te sporen, iemand die in de verhullingen en schutkleuren van de natuur de aanzet tot grote kunst ziet. Marcel Proust dus.

Medium proust drawing color

Wat is het geheim van de schrijver Proust, en wat het prikkelende genot om hem te lezen? Zelf onthult hij in het eerste deel, Du côté de chez Swann, het ‘genie’ van de eerste romanschrijver. Die bestond erin af te zien van echte personen, in wie we toch nooit inzicht krijgen, en ze te vervangen door fictieve personages, vol eigenschappen en emoties die onze ziel zich eigen kan maken en die ‘de snelheid van onze ademhaling en de intensiteit van onze blik’ bepalen, ‘terwijl we koortsachtig de bladzijden van het boek omslaan’. Deze imaginaire levens grijpen ons aan als een droom terwijl we ze heel bewust meemaken en aan ervaringen worden blootgesteld die we in het echte leven maar een paar keer ondergaan, en die zich dan ook nog eens zo traag voordoen dat we alleen het verschil tussen twee toestanden opmerken, ‘maar gespaard blijven voor de gewaarwording van verandering zelf’.

Met Swanns kant op, zoals Du côté de chez Swann in de nieuwe vertaling van Martin de Haan en Rokus Hofstede heet, is er nu de mogelijkheid om de terugkeer van de verteller naar zijn verloren jeugd in kwiekere bewoordingen mee te maken. Een wonderlijke, machtige ervaring – het ondergaan van deze constructie van een jeugdige ontvankelijkheid, beginnend met het besef dat de zaken veel minder vast staan dan we geneigd zijn aan te nemen. Misschien krijgen de dingen hun ‘roerloosheid’ wel opgelegd, peinst de verteller al vroeg, ‘door onze zekerheid dat zij het zijn en geen andere, door de roerloosheid van het denken waarmee we ze benaderen’. Zelf heeft hij een andere manier van denken, een andere stijl; hij zet juist alles wat hem omringt en wat zich aan hem opdringt in beweging, of dat nu een bloem of een struik of zijn oudtante of een zakdoekverkoper uit Combray is – hij stelt ze in een voortdurend wisselend licht door ze uitgebreid te beschrijven in vergelijkingen en metaforen, die vaak zo gedetailleerd en uitgebreid zijn dat ze op zichzelf komen te staan, als prozagedichten of als de allegorieën op de fresco’s van de Italiaanse meester Giotto, voor wie de verteller zo’n groot ontzag heeft.

De langste zin in de Recherche is ongeveer vier meter lang als je hem achter elkaar op een behangersrol zou uitschrijven

Proust vertalen is geen sinecure. De legendarische Britse vertaler C.K. Scott Moncrieff, over wie dit jaar de biografie Soldier, Spy, Translator verscheen, was dolblij dat hij na de Recherche, die hij in een vermetel tempo verengelste, aan Stendhal mocht beginnen. Aan een vriend schreef hij opgetogen: ‘You can do it straight on the typewriter without even stopping to masturbate, as in the case of Proust.’ De Haan en Hofstede spreken in hun nawoord van een quatre-mains-vertaling, en afgaand op het puike resultaat mag aangenomen worden dat ze, in de jaren die het hun kostte om getweeën tot Swanns kant op te komen, hun handen ijverig boven het toetsenbord hebben gehouden.

Van dit eerste deel van de Recherche bestonden al twee vertalingen; de eerste verscheen in 1979, toen de drie hoofdstukken ‘Combray’, ‘Een liefde van Swann’ en ‘Plaatsnamen: de naam’ vertaald werden door respectievelijk C.N. Lijsen, M.E. Veenis-Pieters en Thérèse Cornips. Zes jaar geleden, in 2009, bracht Cornips solo een verbeterde versie van dat eerste deel uit; zij heeft daarmee zowat de hele Recherche in haar eentje vertaald. Het verschil tussen De Haan en Hofstede aan de ene en Cornips aan de andere kant is dat de laatste veel strikter de Franse syntaxis volgt, wat bijvoorbeeld al blijkt uit de inversie in de titel De tijd hervonden. De jongste vertalers permitteren zich meer vrijheid en zijn beweeglijker in hun omgang met het origineel en dat heeft een geheel nieuwe Proust opgeleverd, zoals ook de Engelstalige Proust veranderde nadat Lydia Davis het eerste deel vertaald had van wat Scott Moncrieff nog Rememberance of Things Past had genoemd. De Haan en Hofstede laten ook meer spreektaal toe, vooral bij de taal van Françoise, bestierster van het huishouden, de keuken en misschien wel het complete leven. Verkondigde zij bij C.N. Lijsen nog: ‘Ik geloof zelfs dat ik haar vanochtend al gezien heb’, dan werd dat bij Cornips: ‘Het lijkt mij d’rop of ik haar vanochtend al gezien heb.’ Bij De Haan en Hofstede beweert ze ferm: ‘’k Mag lijden als ik die vanmorgen niet al heb gezien.’ (Il me ressemble de l’avoir déjà vue ce matin.) Vertalen is schrapen en schrappen, passen en oppassen. Vertaalde Veenis-Pieters in het tweede hoofdstuk ‘ce vieux tableau’ – het gaat hier beslist niet over Françoise en evenmin over een kunstwerk – nog als ‘dat ouwe uitgewoonde schilderij’, daar verbeterde Cornips naar ‘die opgeschilderde taart’. De Haan en Hofstede zetten met ‘die opgedirkte taart’ het puntje op de i.

Bij Proust echter gaat het niet om afzonderlijke woorden, maar om hoe die woorden aan elkaar worden geregen door middel van lange, samengestelde zinnen. De langste zin in de Recherche, werd ooit gemeten, is ongeveer vier meter lang als je hem in een net handschrift achter elkaar op een behangersrol zou uitschrijven. Walter Benjamin, die samen met Franz Hessel delen van de Recherche in het Duits vertaalde, heeft die breedvoerigheid in verband gebracht met de zware astma waaraan de schrijver leed. Proust bracht het laatste decennium van zijn leven vooral binnenskamers door, schrijvend tussen stofvrije en geluidsdichte wanden van kurk, alleen ’s avonds laat naar buiten gaand om vrienden te bezoeken, met wie hij verder in contact bleef door middel van briefwisseling: ‘Het gereutel van mijn ademhaling overstemt het geluid van mijn pen en van een bad dat men op de etage onder mij laat vollopen.’ Deze kortademige Proust, bedenkt Benjamin, liet de gang van zijn zinnen zijn verstikkingsangst op de voet volgen; en in zijn vele beschouwingen en uitweidingen bespeurt de lezer het gevoel van opluchting ‘waarmee het pak der herinneringen van zijn hart valt’.

Neem je de astmatische syntaxis als uitgangspunt, dan slagen De Haan en Hofstede erin deze opwinding van beurtelings lichte benauwdheid en gulzig ademhalen te bewaren, ja zelfs af en toe te versterken, het meest opvallend misschien wel in de zinnen waar ze ervoor kiezen komma’s weg te halen, als de gespierde badmeester die zegt dat je nog best een paar meter extra onder water kunt zwemmen, geniet maar van wat je op de bodem ziet! Gebruikte Proust 13.701 komma’s in Du côté de chez Swann, daar claimen de vertalers op hun blog dat ze het in Swanns kant op met 2216 komma’s minder hebben gedaan. Lees ’t volgende zinsdeel, afkomstig uit een zin die in totaal nog drie keer zo lang is: ‘… en met de trotse vriendelijkheid van de man van de wereld die midden in de afkalving van al zijn morele vooroordelen in andermans verloren eer niets anders ziet dan een aanleiding om het soort welwillendheid tentoon te spreiden dat des te strelender is voor de eigenliefde van de gever naarmate het voor diens gevoel meer op prijs wordt gesteld door de ontvanger…’

Het zou heel goed kunnen dat Proust de meest invloedrijke auteur van de twintigste eeuw is. Hij emancipeerde de herinnering en vond een hoogontwikkelde kinderlijke ontvankelijkheid uit. In het Nederlandse taalgebied alleen al heb je minstens een handvol exceptionele schrijvers die in zijn voetsporen traden, van Vestdijk (‘Proust is het hoogtepunt, kort en goed, van alles’) tot Brakman en Eric De Kuyper, wiens herinnerde Brussel Prousts Parijs wat leefbaarheid betreft naar de kroon steekt. Maar bij herlezing nu in 2015 van Swanns kant op valt toch ook op hoe overdreven die verteller ‘Marcel’ soms is, hoe pathetisch het af en toe dreigt te worden als hij maar niet ophoudt over een meidoornstruik uit te weiden, ‘glimlachend in zijn frisse roze tooi’, die ‘katholieke, verrukkelijke struik’.

Tegelijk is pathetiek de kwestie waar het hier om draait. Alle belangrijke werken, zegt Walter Benjamin in zijn Proust-essay, komen voort uit de ‘ongestoorde ontvouwing’ van het banaalste, het sentimenteelste en het zwakste in het leven van de auteur. Zulke ontlede sentimentaliteit biedt De verloren tijd in overvloed. De koel beschreven en geanalyseerde jaloezie in ‘Een liefde van Swann’ is de voorafschaduwing van het onheil dat de verteller zal overkomen in zijn hartstocht voor de biseksuele Albertine. Ondertussen strooit Proust met machtige waarheden over de liefde, een van de redenen waarom hij inderdaad je leven zou kunnen veranderen, zoals Alain de Botton beloofde, al wist Proust zelf wel beter; kennis op dit gebied komt altijd te laat. Slachtoffers van ongelukkige relaties willen helemaal niet dat hun ongeluk ophoudt te bestaan, want dan zou ook hun liefde zelf voorgoed verloren gaan. Mocht je dus ooit, in een nachtmerrie of in de onvoorziene toekomst, in een quiz belanden waar een man in een gouden glitterjasje (is dat Terry Jones?) je oproept Proust in vijftien seconden samen te vatten, weet dan dat deze maxime uit Swanns kant op kan volstaan: ‘Hou je van iemand, dan hou je van niemand meer.’