Amsterdamse Cellobiënnale 2012

Meesters en gezellen

Concours, ­concerten, masterclasses. De ­Amsterdamse ­Cellobiënnale is een festival zonder ­lacunes. Maar welke ­toekomst wacht cellist en repertoire?

BIM-huis, masterclass. We noemen de pupillen uit consideratie met de prilheid van hun loopbanen pupil één, twee en drie. Ze zijn in Amsterdam om onder toezicht van de Noorse topcellist Truls Mørk even bekwaam Brahms en Sjostakovitsj te leren meesterstrijken als hun goeroe, die enige verlegenheid lijkt op te roepen door zich met nadruk niet als maestro op te dringen. Tussen de nuchtere adviezen door – strijk sneller, fraseer vrijer, duik dieper in de snaren, de gewone meesterklassenwijsheid waarvoor tieners en twintigers op cv-jacht stad en land afreizen – is hij de milde cellovorst die met zijn volk in dialoog wil blijven. Zijn opmerkingen beginnen vaak met ‘I think’ of ‘maybe’ of ‘I have the idea that…’, waarop een overweging volgt die de student ook naast zich neer schijnt te mogen leggen. Hij stelt nogal wat vragen. Bijvoorbeeld die hoe pupil twee de stemming zou typeren van de noten op de lessenaar. Daar had hij niet op gerekend. Leraren geven antwoord. Zij zijn de deskundigen.

Pfff. Nou, vrolijk dan maar, zegt de student. Je moet wát zeggen.

Mørk rekent het goed. Voor voorbehoud is het te laat, het half uur is toch voorbij. Dank nummer twee, breng eens wat variatie in je toon, vaarwel en tot nooit ziens.

Mørks slimste raad aan pupil twee: probeer je voor te stellen wat je hoorde als je iemand in de zaal zou zijn die naar je luisterde. Dat is de zijnsvraag. Wat, vraagt de vraag, wil ik overbrengen? Ik, de speler? Een dodelijk oordeel, al zal dat vast niet Mørks bedoeling zijn geweest.

Inderdaad: wie luistert? In het Muziek­gebouw zaten de zalen afgelopen weekeinde mudvol leden van de grote cellofamilie die niche-evenementen als deze altijd iets knus sektarisch geven, maar wie zijn de oren van de toekomst? Wie luistert? Waar? Waarnaar? En hoe? Wat is dat, spelen?

Wat nummer twee in zijn kop heeft, zie je op de vierde editie van de Cellobiënnale 2012, dat unieke Nederlandse cellofeest, een wonder dat we het nog hebben. Het programma is een showcase van zijn toekomstdromen. Er is een concours, dat ten eerste. Het Nationaal Celloconcours is de wedstrijd die je als nummer één, twee en drie moet willen winnen, met een finaleplaats als wildcard voor een internationale carrière. Talrijk zijn de premières: Theo Loevendie, Yannis Kyriakides, Peteris Vasks, Julia Wolfe, Diego Soifer, Alexander Raskatov, Uljas Pulkkis. De wereldberoemde componist Tan Dun, behept met een sterke voorkeur voor de cello, is als artist in residence vertegenwoordigd met eerste Nederlandse uitvoeringen van The Map voor cello en orkest met video en de Four Secret Roads of Marco Polo voor orkest en twaalf celli, op de openingsavond door hemzelf gedirigeerd met het effect van duizend stokslagen, verpletterend. Er is een keur aan cellisten uit de top en net daaronder. David Geringas speelt dagelijks een cellosuite van Bach bij het ontbijt, de eerste keer dat ik hem hoor – in suite nummer vier – met de iets te ervaren glans van iemand die het vaker even zeker heeft geweten. In de foyers een cellomarkt met instrumentenbouwers, anachronistische helden met een hoger ambacht. In de Grote Zaal concerten met kanonnen als Mørk, die begeleid door het Nederlands Philharmonisch Orkest onder Otto Tausk ronkend overrompelend Sjostakovitsj’ Eerste celloconcert speelt, met de pathetische verlatenheid die hij de dag daarop verklaart aan pupil drie, present met de cadens uit dat concert; stel je een weids Russisch landschap voor, zoiets. Het trefwoord Stalin slikt hij in, waarvoor langs deze weg mijn dankbaarheid.

Tegen die achtergrond zie je in het BIM-huis pupil twee dermate serieus het ijzer smeden dat je schrikt. Weer een virtuoos, na al die honderden in wier voetsporen hij hoopt te treden, van Casals tot Rostropovitsj. Als hij goed genoeg is, maar helaas, zal hij Haydn, Dvorák, Sjostakovitsj en een al dan niet plichtmatige, speciaal voor hem vervaardigde première spelen op de grote podia, gevierd in het tot ministaat gekrompen culturele reservaat. Toch reikt zijn roem tot in Berlijn, Parijs, New York, Buenos Aires. Zijn met klm- en _Fragile-_stickers bestikte cellokist reist op een eigen stoel met zijn beroemdheid mee, van het ene cultuureiland naar het andere. Heeft hij humor – en dat schijnen cellisten vaak te hebben, volgens cellist Anner Bijlsma zijn het rondborstige karakters – dan komt de toegift in de kleine zalen met een kwinkslag. Hij zal het uitzingen tot rond zijn tachtigste. Over twintig jaar geeft hij zijn eerste masterclass aan Nummer Twee jr, die van hem hoort hoe terecht zijn meester ooit in Amsterdam door Grote Mørk werd afgestraft voor zijn hardnekkige vibrato.

Mijn God.

Het hoeft niet zo te gaan. Er zijn cellisten die voor een leven op herhaling passen. Siegfried Palm, Anssi Karttunen en Frances-Marie Uitti hebben hun bestaan zinvol gewijd aan levende muziek. De kans is niettemin aanzienlijk dat nummer twee zo eindigt als Truls Mørk, een soort opvolger van een soort voorganger. Die sonates en concerten zijn er nu eenmaal, geliefde relikwieën. Hij zal ze spelen als bewijsstukken: ik ook. De zalen zullen het van hem vragen, wegens publieksbereik. Je staat er nooit bij stil en het is een onthutsende gedachte dat een man of vrouw wil doen wat duizend anderen minstens zo goed hebben gedaan, voor de hele wereld voor de eeuwigheid opvraagbaar met een muisklik. Voor nummer twee, dat weet hij ook, hoeft niemand meer de deur uit, nu alle nummers één in de computer zitten. Het zwaard van Damocles van nummer twee heet Spotify, waar Yo-Yo Ma en Rostropovitsj wonen.

Je ziet het nummer twee niet aan. Hij wil geloven. Dat doen op zaterdag ook de 120 prille cellisten in het Mega Kinder Cello Orkest onder leiding van de componist in een speciaal voor dit festijn geschreven opdrachtstuk van Marko Fondse, een primitieve kindersymfonie van hoop en wil, met rock en wat Strawinsky, Orff met gevoel voor humor. Mooi plan, ontroering verzekerd. Een Muziekgebouw vol nette ouders breekt de tent af en in de Grote Zaal heerst de sfeer van een EO-jongerendag met dekselse muziek in plaats van God. Zie je wel, kunst leeft. De jeugd, de toekomst.

Dan zegt Anssi Karttunen in de Kleine Zaal van het Muziekgebouw opeens iets interessants. Het gebeurt tijdens het eerste van de vrijwel dagelijkse panelgesprekken met Biënnale-toppers die onder leiding van Anner Bijlsma de stand van zaken in de cellobusiness moeten ijken. Met Tan Dun en de Japanse cellist Tsuyoshi Tsutsumi aan zijn zijde vertelt hij hoe hij in The Map, voor Dun een terugkeer naar zijn wortels als Chinese plattelandsjongen, zichzelf als musicus opnieuw moest uitvinden. Hij refereert aan de videobeelden in The Map, pretentieloos raadselachtige filmpjes met blazers, slagwerkers en een lief vals zingend zangeresje. In The Map staan ze, subliem gesynchroniseerd met live gespeelde zwijmel- en beukmuziek, voor de herinnering aan Duns verdwenen culturele voedingsbodem. Ze zijn de volkse rockers van Duns jeugd, mensen die maar gewoon begonnen van boemboem en retteketet, omdat het wilde binnenleven er eens uit moest. Een van de mooiste muzikanten op het scherm boven het fantastisch spelende orkest van het Amsterdams Conservatorium is een man die met een boomblad tussen zijn lippen hemelhoog snerpend cantilenes blaast die je Chinees vindt zonder eigenlijk te weten wat het is.

Die mensen zijn natuurkrachten, heeft Karttunen ingezien. Ze doen maar wat. Het hart. En dat spoor moest hij volgen, terug naar de basis, met glissandi die nog wenen als een kind. Hij wist niet hoe hij het had. Namens de westerse cultuur spreekt hij zijn vonnis uit. ‘We zijn zo bezig met voordrachtsinstructies en techniek dat we niet eens aan de basisvragen toekomen.’

Right. Welke basisvragen dan? Ten eerste die, lijkt me, waarom je musicus bent geworden. Neem aan dat het daartoe kwam omdat je iets tot expressie wilde brengen. Niet plat een stukje van jezelf, misschien niet eens je diepste gevoelens. Dat heeft de romantiek ervan gemaakt. Nee, vormen van aandrang. Stampen en slaan, janken en blaffen. De dierlijke, onbedwingbare dingen. Impulsen, Tan Duns jachtdomein in The Map. Het is muziek over wat mensen doen als ze iets onbedwingbaar willen zeggen maar geen woorden hebben en uit arren moede tot muziek en dans geraken, waarin men ‘alles kwijt kon’. Duns muziek bij The Map is soms banaal, soms confectie-avant-garde, soms toeristenchinees, soms onvoorstelbaar lyrisch prachtig – maar wat je hoort is dekmantel voor wat hij doet, het loswrikken wat vastzit, het primaire. Daar zit de winst. Dat het kitsch lijkt is volstrekt bijzakelijk.

Dynamiek, zegt Dun in antwoord op Karttunens diagnose, is bij mij misschien wel het belangrijkste. Exact; de golf die uit de tenen welt en klank wordt. Je moet geen redder van Dun willen maken. Europese muziek stampt ook heel ferm, waar nodig; wij hebben Beethoven en Strawinsky en Xenakis en Andriessen, cellisten die de beest uithangen. Dat is alleen niet wat je ziet als je een begaafde jonge celliste onder leiding van Tsuyoshi Tsutsumi op een zaterdagmiddag Kol Nidrei van Bruch ziet uitvoeren, met keurige pianobegeleiding. Het is zwaar en bewust, muzikaal en bezield en toch absurde Victoriaanse conventie, muzikale geletterdheid – doen hoe het hoort. Dat moet muziek niet, niet alleen. Muziek moet keten. Absurd dat je als muzikant in aantocht naar een masterclass zou moeten om te leren hoe het werkt. Dat zou je moeten voelen. Hoe vreemd is het onbestemde gevoel dat je met de poten in de modder van een crisis staat op een florerend evenement als de Biënnale, waar hulpbehoevende gezellen de meesters komen vragen hoe het moet. Je moet denken aan wat de Duitse dirigent Wilhelm Furtwängler zei toen zijn jonge collega Sergiu Celibidache om advies vroeg over het tempo van een episode uit een symfonie van Brahms. ‘Je nachdem, wie es will.’ Die onmiddellijkheid moet terug op de kaart. Wij denken dat we alles kunnen leren. Die maakbaarheid is illusie. Wij weten niets. De school des levens moet je hebben.

En hoe loste Karttunen zijn problemen op? Hij ging The Map gewoon maar op instinct te lijf.

Dun glimlacht.

Nog t/m zaterdag 3 november.

amsterdamsecellobiennale.nl