Meesters in de afdwaalkunde

Atte Jongstra, Familieportret. Uitgeverij Contact, 217 blz., f39,90
DE MUS IS EEN van de bekendste dieren in de Nederlandse literatuur. Dat heeft de grauwste en gewoonste onder de vogelsoorten te danken aan W./F. Hermans, die hem in zijn essaybundel Het sadistisch universum tot sleutelfiguur maakte van de klassieke roman. In een klassieke roman, zo betoogde Hermans, is alles wat gebeurt en alles wat beschreven wordt, doelgericht, en wel zo dat er geen mus van het dak valt zonder dat het gevolgen heeft. De schrijver moet zogezegd met elke mus, met elk nietig detail in zijn werk een onmiskenbare bedoeling hebben.

Atte Jongstra is een schrijver die de mussen juist graag van de daken ziet vallen zonder dat er reden voor is, ze mogen van hem gewoon vallen omdat het snikheet is en hoeven geen directe rol te spelen in de ordening van de roman. Uit de essays die hij bundelde in Familieportret blijkt dat hij met Hermans’ klassieke roman weinig op heeft omdat, simpel gezegd, de suggestie van orde, coherentie en heelheid - niets gebeurt om niets, vogels vallen niet zomaar van daken - botst met de chaos die de werkelijkheid is. De heelheid is uit de wereld verdwenen en het is onzin die in de literatuur te herstellen.
Maar wat heet klassiek? In Familieportret heeft Jongstra essays gebundeld over romans die allemaal klassiek te noemen zijn en ook klassiek worden genoemd - Dode zielen van Gogol, Tristam Shandy van Sterne, Milioenenstudien van Multatuli, Metamorfosen van Apuleius - en toch zijn het allemaal boeken met een op het eerste gezicht ordeloos, brokkelig en hapsnapachtig karakter. Het zijn romans die geenszins de chaos uit de weg gaan, romans die een wereld presenteren waar je snel het spoor in bijster raakt, waar je in verdwaalt of verdrinkt. En de mussen zitten erin op daken en vallen zonder dat er een diepere betekenis aan te geven valt.
Zo'n mus is bijvoorbeeld een officier in Dode zielen. Jongstra wijst erop: de officier zit in een zin voor het raam zijn laarzen te poetsen; na een paar regels is het laarzenleer gewreven en de officier verdwenen. Hij keert niet weerom.
HET IS EEN mooie gewoonte: schrijvers die hun eigen literaire bedoelingen en werkwijze demonstreren door hun literaire stamboom prijs te geven. Jacq Vogelaar, Charlotte Mutsaers, Willem Jan Otten, Huub Beurskens, allemaal zijn het ‘bewuste’ schrijvers en publiceerden ze de laatste jaren essaybundels waarin ze aangeven met wie ze zich verwant voelen. Die demonstratie heeft vaak ook een beetje met vermeend onbegrip te maken, want de goede lezer zou eigenlijk wel moeten zien in welke traditie een schrijver zich thuisvoelt. Het onbegrip duikt bij Jongstra in een alinea expliciet op. 'Minder verwante lezers’, schrijft hij in zijn essay over Montaigne, 'beschouwen mijn boeken als “groteske wangedrochten, in elkaar geflanst van allerlei ledematen, zonder vaste vorm, in een toevallige orde, opeenvolging en samenhang”.’
Dat het allemaal niet zo toevallig is, legt hij in Familieportret uit.
Natuurlijk is het een vermetele titel, Familieportret. Het heeft iets hoogmoedigs om Sterne, Montaigne, Gogol, Multatuli, Brakman en Cervantes ronduit 'vaders of broers’ te noemen. Maar het is ook een verademing in deze tijd van generatiedenken, waarin elk half jaar een nieuwe groep schrijvers of dichters een gezamenlijke nietsontziende blik op de wereld en de literatuur meent te hebben omdat zij in hetzelfde jaar in een soortgelijke nieuwbouwwijk geboren zijn en dezelfde videoclips kennen, het is dus ook een verademing dat de 'generatie’ van Jongstra zich over de eeuwen en de groeikernen heen uitstrekt.
De schrijversfamilie van Atte Jongstra kenmerkt zich door veel meer dan schijnbaar chaotisch proza. Het begrip dat steeds terugkeert in de essays is 'opengewerkt proza’. Jongstra heeft een voorkeur voor schrijvers die zich bewust zijn van de manier waarop ze vertellen en dat niet verbergen. Ze vertellen niet alleen een verhaal, ze vertellen ook over het vertellen zelf. Zo vergelijkt hij Milioenenstudien met het Centre Pompidou: 'De constructie is van buitenaf zichtbaar, of beter, het gebouw zelf gaat schuil onder alle mogelijke bouwkundigheden, die normaliter aan het het oog worden onttrokken.’ Dat geldt ook voor Tristam Shandy van Sterne en de Essais van Montaigne: ze hebben literaire bouwwerken gemaakt die schuilgaan achter een wirwar van voetnoten, citaten, uitweidingen, heen-en-weerverwijzingen en anekdoten. Al zijn familieleden laten zich sturen door de taal zelf, ze associeren en babbelen er lustig op los, zijn niet bang dat ze afdwalen van de verhaallijn, ze schrijven over alles. En het rare is dat ze net als Zola of Dickens, schrijvers die de werkelijkheid in gesloten romans wilden vangen, realisme nastreven.
HET OPENGEWERKT proza kan allerlei vormen aannemen. In het essay over Brakman draait het om het aan een personage van Vestdijk ontleende begrip polydiagnostiek. Dat personage is een dokter die een nieuwe vorm van diagnostiseren voorstaat: de ziekte moet niet aan een oorzaak worden toegeschreven, maar aan een lijst van mogelijkheden. Dat is volgens Jongstra precies wat er aan de hand is in de romans van Brakman, zoals in diens pseudo- detective De vadermoorders waarin de raadsels anders dan in een gewone whodunnit niet worden opgelost. De lezer blijft met een hand vol mogelijkheden achter.
In verschillende essays wijst Jongstra erop dat de schrijftafel van de 'opengewerkte’ schrijvers vol ligt met boeken - romans, curiosa, deelstudies op velerlei gebied, naslagwerken. Ze maken vrijelijk gebruik van literaire voorbeelden en andere bronnen en komen daar ruiterlijk voor uit. Hun citeerlust is wat anders dan eruditie, legt Jongstra uit. Het is in zijn geval - en voor veel familieleden gaat waarschijnlijk hetzelfde op - 'betrekkingswaan’, bij de concentratie die voor schrijven nodig is, wordt zijn associatievermogen geactiveerd.
In die zin is het 'opengewerkt’ schrijven vergelijkbaar met converseren. Zo omschreef Sterne het althans: 'Schrijven, mits behoorlijk beheerd (en u mag aannemen dat het mijne dat is), is slechts een ander woord voor conversatie.’ En Jongstra beaamt het: Sterne is een grillige prater, een groot redenaar die zich improviserend van het een op het ander laat brengen. 'Meesterschap in de afdwaalkunde’, zo karakteriseert Jongstra de literaire capriolen van Sterne. Uit dat meesterschap blijkt dat Sterne heel goed weet wat hij doet, afdwalen is wat anders dan vrijblijvend rondbanjeren.
En met vrijblijvendheid, het 'in elkaar flansen van allerlei ledematen zonder vaste vorm’ heeft opengewerkt schrijven niets van doen. Ook al houden Jongstra en zijn vaders en broers van babbelen, associeren, 'lezertjepesten’, versieringen, tegenspraken, paradoxen, kronkels en krullen, ze reiken in feite naar het hoogste, hun poging alles in woorden te vatten is hoogst ernstig.
Dat blijkt al uit de realistische pretenties die Jongstra zijn familieleden toedicht. Onder de chaotische microkosmos die Multatuli bijvoorbeeld in zijn Milioenenstudien presenteert, gaat volgens hem een zoektocht naar orde in al het zichtbare, naar de 'Waarheid’ schuil, een streven naar de juiste representatie van het 'Zyn’. Evenzo zoekt Montaigne in zijn fragmentarische probeersels naar de wetten die de zo veelvormige, chaotische natuur verbergt.
Jacq Vogelaar definieerde het essay ooit als een roman zonder eigennamen. Het essay en de roman of het verhaal verschillen minder van elkaar dan wel wordt gedacht, alleen zijn de personages vervangen door boeken en gedachten. Voor de essays van Atte Jongstra gaat dat zeker op. Je zou ze 'opengewerkte’ essays kunnen noemen: de essayist is er nadrukkelijk in aanwezig, hij bespiegelt soms expliciet over de vorm van zijn probeersels, laat zich leiden door associaties, laat het ene woord het andere oproepen.
In het stuk over Montaigne bijvoorbeeld vraagt hij zich af of hij een essay a la Montaigne moet schrijven, wat zou betekenen dat hij zich niet aan het beloofde onderwerp houdt. Hij lost het op door tegelijk over het werk van Montaigne en het lezen van Montaigne te schrijven. Omdat hij de Essais van Montaigne bestudeerde op een Zweeds eiland is het stuk, net als de tekst over het IJslandse landschap en de de IJslandse Njals saga, een eigenzinnige mengeling van reisverhaal en essay geworden. Het stuk over Madame Blavatsky - niet echt familie - is een regelrecht verhaal geworden. De erotiek van het lezen en schrijven wordt een letterlijke liefdesgeschiedenis met veelciteerster Blavatsky als ideale vrouw.
JONGSTRA gebruikt nogal wat geografische metaforen als hij over zijn familieleden schrijft: hun teksten zijn als een kronkelige rivier, je raakt er als lezer makkelijk het spoor in bijster, ze zijn als het IJslandse landschap: brokkelig, bizar, vol kraters en spleten waar je in kan vallen. Welnu, in de essays van Jongstra is het ook prettig wandelen. Hij slaat humoristische paden in, neemt opeens eigenzinnig een zijweg, laat je plotseling struikelen en zorgt dat je hier en daar uitkijkt over een weids panorama.