Meesterschap

Ambachtslieden die oude voorwerpen herstellen, een tv-hit op de BBC. In Nederland is vakmanschap van een ‘meester’ al helemaal verdwenen. Hoezo eigenlijk?

In een gerestaureerde oude schuur in het Weald and Downland Museum in Singleton, West Sussex, houdt zich een handvol ambachtslieden op die elke week oude voorwerpen herstellen. Ze maken deel uit van het team van The Repair Shop, een BBC-programma dat alweer vijf jaar loopt en in die tijd is uitgegroeid van culthit tot nationale schat. Het is inmiddels ook in Nederland nageaapt, maar ik weet niet of die versie de snaren van nostalgie en weemoed zo weet te raken als de Britse versie.

De ingebrachte voorwerpen zijn vrijwel zonder uitzondering van geringe waarde: speelgoed van nog geen honderd jaar oud, een goedkoop klokje, veel teddyberen (die allemaal een naam hebben en worden gezien als lid van het gezin), muziekinstrumenten en gebroken keramiek van het kitscherige soort. Alles wordt met bloedige ernst schoongemaakt en hersteld en als dat eenmaal is gebeurd volgt de hereniging met de eigenaren.

Het gaat om twee dingen in dat televisieprogramma: de band die mensen door middel van voorwerpen voelen met personen of momenten uit het verleden en de ambachtelijkheid van het reparatiewerk. Het eerste leidt tot golven van emotie bij het weerzien van het herstelde object. Ik moet vaak iets wegslikken als iemand breekt bij de onthulling van een klokje dat bij mij in de buurt voor tien euro in de kringloopwinkel ligt, maar dat voor de inbrenger van onschatbare waarde is. Datzelfde geldt voor de restaurateurs. Als The Repair Shop iets duidelijk maakt, dan is het dat de musea weliswaar vol mogen liggen met ‘collectief erfgoed’, maar dat al het Meissen, zeventiende-eeuws zilver en met ebbenhout ingelegd meubilair van de wereld het aflegt tegen de rotzooi die we van opa hebben geërfd. In de werkplaats wordt de geschiedfilosofie van de Annales-school tastbare werkelijkheid.

Dan het repareren.

Een tijdje geleden vroeg iemand: ‘Wie stopt er nog sokken?’ Dat was natuurlijk een retorische vraag. Sokken worden niet meer gestopt. Nieuwe zijn goedkoop, niemand heeft tijd en zin om zijn sokken te stoppen en ik vraag me ook af of iemand nog weet hoe dat moet. Maar het idee is dat we in een wegwerpcultuur leven en dat sokken, apparaten en andere voorwerpen met tonnen tegelijk worden weggemieterd als er ook maar dít mee aan de hand is. Volgens mij valt dat wel mee. Gebruiksvoorwerpen en apparaten gaan veel langer mee dan vroeger en zelfs de meest ingewikkelde kunnen vaak worden gerepareerd. De vraag is of we dat willen.

Er is helemaal geen ‘elite versus arbeiders’-probleem

Reparatie is een afweging tussen de inspanning en kosten van het herstelwerk en de aanschafprijs van vervanging. Ik ben niet goed in wiskunde, maar er is vast een formule voor te verzinnen. Een onbekende factor die daar dan nog in moet is de emotionele waarde die het object in kwestie vertegenwoordigt. Doe dat en de Nobelprijs voor Economie ligt voor het oprapen.

De fascinatie voor The Repair Shop heeft weinig te maken met de wegwerpmaatschappij, maar veel met ambachtelijke vaardigheden die pas ontwikkeld kunnen worden door ze te leren van iemand die het al kan (de meester) en zelf ervaring op te doen. Meesterschap kennen we niet meer in ons land. In Duitsland nog wel. Daar is de weg naar het vakmanschap wettelijk geregeld in wat met een typisch lang Duits woord het ‘Aufstiegsfortbildungsförderungsgesetz’ heet. Dat heeft veel te maken met het hiërarchische van de Duitse samenleving en het egalitaire van de Nederlandse. Dat egalitaire van ons heeft voordelen, maar ook nadelen: we zijn mondig en zelfbewust en gehoorzaamheid aan het gezag is niet vanzelfsprekend. Dat laatste breekt ons op in tijden van nood, zoals de coronacrisis. Maar dat is weer een andere kwestie.

Als een politiek filosoof als Michael Sandel zegt dat ‘de elite’ neerkijkt op het werk van de arbeider en de arbeider zelf, dan wil je graag eerst weten wie de elite is, wie de arbeider en wat ‘het werk’ van die arbeider precies behelst. De termen lijken vooral van toepassing op een situatie die nauwelijks nog bestaat. De arbeider is, in ieder geval in Nederland, een zeldzaam verschijnsel. Zware industrie is er nauwelijks nog en voor zover die er is zijn de weinige arbeiders die na de automatisering overbleven vooral procesbestuurders. Mensen die handwerk verrichten vind je vooral in de technische beroepen en ik moet de eerste nog tegenkomen die zichzelf ‘arbeider’ noemt. Ze zijn meestal hooggekwalificeerde technici met een mbo- of hbo-opleiding. Bijna tachtig procent van de technische vmbo’ers stroomt door naar het mbo (cijfers: Platform Talent voor Technologie), waardoor je rustig kunt stellen dat er maar weinig laaggeschoolde technici zijn.

Dat heeft allemaal niet te maken met een elite die neerkijkt op de arbeider, maar met een breed gevoelde afkeer van een bepaald soort werk. Het hoogste ideaal van de Nederlander is een kantoorbaan en wie niet op kantoor kan of wil zitten, haakt naar een busje met keurig opgeborgen gereedschap en een fleece jack van de baas.

Er is helemaal geen ‘elite versus arbeiders’-probleem. Er is wel een probleem met de manier waarop we naar techniek kijken. En dat is ontstaan toen de opwaartse sociale mobiliteit ons aanzette om toch vooral zo veel mogelijk te studeren, zodat je niet ‘in de fabriek’ terechtkwam. De technische beroepen werden daardoor het domein van wie zogenaamd niet goed kon leren, alsof het verwerven van vakmanschap niet een even grote vaardigheid vereist als het in je hoofd stampen van het wetboek of vier jaar lang toeristiek studeren.