Ger Groot

Meesterwerk

Een van de hoogste dingen die een schrijver kan bereiken is de schepping van een literaire icoon. Kafka’s K, Goethes Werther, Shakespeares Hamlet en Cervantes’ Don Quichot zijn stuk voor stuk levende figuren en tegelijk incarnaties van een begrip. Tezamen werden zij oriëntatiepunten van een cultuur die in hen haar centrale mythen en contradicties herkent, want een beschaving is zich het scherpst van zichzelf bewust wanneer het in haar inwendig schuurt.

Met onverwacht meesterschap heeft Frits Bolkestein een dergelijke figuur weten te scheppen in zijn zojuist verschenen roman Grensverkenningen (Bert Bakker). Vlijmscherp toont hij in dit als dagboek geschreven portret de figuur van een politicus met onduidelijke, maar kennelijk belangrijke werkzaamheden in het Europese circuit. Wezenloos trekt aan Bolkesteins ik-figuur de internationale politiek voorbij, zonder dat hij de geringste moeite doet om de relevantie ervan uit te leggen. Niets of niemand interesseert deze mopperaar behalve het eigen natje en droogje, en de enkeling die hij zijn geest waardig acht. Voor hem is de wereld één grote confederacy of dunces waaruit, kenmerkend, alleen een fraai landschap, stadsgezicht of muziekwerk hem af en toe verlost.

Gemakkelijk zou een dergelijke portrettering in satire kunnen uitmonden en oppervlakkig gezien lijdt deze roman onder een overmaat aan fletse bijfiguren en raadselachtige affaires die soms («het Zweedse alcoholprobleem») het karakter van een running gag aannemen. Literair gezien vormt deze schimmenparade echter de perfecte weerspiegeling van de geportretteerde ziel. Tegenover diens pure idolatrie moet alles vervlakken tot de eindeloze verveling waarin Bolkesteins «ik» de bureaucratische tegenhanger van Gontsjarovs Oblomow wordt.

Dat het boek tot nu toe door de kritiek schromelijk werd miskend, lijkt vooral te wijten aan het onvermogen van de recensenten te doorzien welk verfijnd literair spel door Bolkestein gespeeld wordt. Toch ligt het vernuft van Grensverkenningen open en bloot op tafel. Het absurdisme van een politiek dagboek waaruit elke samenhang geweken is («Herhaling is de moeder van de politiek. Zie Maggie Thatcher. En daarom is Mario Vargas Llosa geen President van Peru geworden»), is niet alleen hilarisch, maar drukt iedere zweem van realisme effectief de kop in. Met zijn vele herhalingen, ogenschijnlijke slordigheid en spel met de doodse verveling koos Bolkestein voor een literair postmodernisme waarbinnen het boek meteen als een meesterwerk mag gelden.

De literaire verwantschappen van zijn hoofdpersoon (van Oblomow tot Gogols Revisor, van Rostands Cyrano tot Shaws Henry Higgins) weven bovendien een fascinerend netwerk van postmoderne intertekstualiteit. Uiterst gewiekst brengt hij in zijn karakterschets het snobisme van Bouvard en Pécuchet in het spel (zeg bij de Bank van Engeland altijd: «The old lady of Threadneedle Street», bij Vlaanderen altijd: «Ze kunnen daar goed koken»). Genadeloos wordt deze erudiete schijn vervolgens onthuld in een passage over Szymanovski’s opera Koning Roger, die onder de pen van Bolkesteins dagboekschrijver Koning Froger wordt.

Bolkesteins onthullingskracht concentreert zich soms in enkele verbluffende zinnen. Zo laat hij zijn hoofdpersoon in het paleis op de Dam de lezing bijwonen van een beroemd Engels filosoof en na afloop enige vragen stellen over intern-Nederlandse problemen. Zelf heb ik daar ooit mogen meemaken hoe een politicus – uit eenzelfde geldingsdrang – Jonathan Israel in verlegenheid bracht. Bolkestein, die zich wellicht door hetzelfde incident liet inspireren, brengt de verwatenheid van zijn protagonist in diens woorden met vlijmende subtiliteit tot uitdrukking: «Ik vraag waar Israel hier staat maar het antwoord ontgaat mij.»

In de creatie van zijn weergaloze literaire icoon heeft Bolkestein slechts één onhandigheid begaan die de duurzaamheid ervan op het spel kan zetten. Hij heeft hem in zijn boek geen naam gegeven. Onoverkomelijk hoeft dat niet te zijn; tenslotte weten we van Dostojevski’s Man uit het ondergrondse ook niet hoe hij heet – maar omslachtig is het wel. Noodgedwongen zal deze archetypische nurks de literaire geschiedenis dus moeten ingaan als de «ik» van Bolkestein.