Tien jaar na Rotterdam culturele hoofdstad

Meesterwerken zonder publiek

Wat doe je met een havenstad in verval? Vol inzetten op kunst en cultuur. Maar wat is er tien jaar na Rotterdam culturele hoofdstad van Europa nog over van de kunstscene? ‘De energie van toen is er niet meer.’

COMEBACK CITY van 2011 in de Lonely Planet, volgens The Guardian een der meest eclectische en designbewuste steden van Europa, door Wallpaper gekozen tot vierde designstad van de wereld en volgens Time Out een van de tien leukste onbekende Europese steden. Het kan niet op: Rotterdam krijgt internationaal eindelijk de erkenning waar het in Nederland al veel langer op kan rekenen. Tegelijkertijd is het al een paar jaren wat stiller aan de Maas. De vraag rijst dan ook hoe goed het in werkelijkheid gaat met de culturele hoofdstad van 2001. Heeft de stad de opmars die eind jaren tachtig werd ingezet, kunnen voortzetten in de 21ste eeuw?
Achter een zware ijzeren deur aan de Eendrachtstraat bevindt zich V2_ Institute for Unstable Media, instituut voor mediakunst. Een serie industriële ijzeren trappen brengt de bezoeker op de open werkvloer. Directeur Alex Adriaansens zit in zijn kantoor, een klein kamertje in de hoek van de ruimte. Hij is blij met het bezoek, want praat graag over de kunsten in Rotterdam. Zijn instituut verhuisde zeventien jaar geleden van Den Bosch naar deze zijstraat van de Witte de Withstraat, het nieuwe culturele hart van de Maasstad. Tot begin jaren negentig was het een paradijs voor gokbazen, pooiers en ander louche volk. Inmiddels vind je er galeries, eettentjes en hippe winkels en is het de meest levendige straat van de stad.
Adriaansens maakte de ontwikkeling van de straat en van cultureel Rotterdam van dichtbij mee. Gevraagd naar de stand van zaken in het plaatselijke wereldje reageert hij voorzichtig. Hij wil het niet echt laten merken, maar eigenlijk heeft hij de nodige zorgen: ‘We hebben net een moeilijke periode achter de rug. En met dit kabinet ziet de toekomst er voor de kunsten ook niet echt rooskleurig uit. De kunstwereld in Rotterdam zit in een cruciale fase.’
Wat doe je met een havenstad in verval? Het was de grote vraag aan het einde van de jaren tachtig toen Rotterdam de werkgelegenheid en activiteiten rondom haar grootste inkomstenbron steeds verder zag teruglopen. Het antwoord: je gaat op zoek naar de creatieve klasse, de voorhoede in het proces van gentrification en stedelijke vernieuwing. Kunstenaars, designers, ICT'ers, architecten, televisiemakers en alle mogelijke andere varianten binnen de term creatieve kenniswerker. In het kielzog van deze groep volgen in theorie de grotere bedrijven plus de bijbehorende hoogopgeleide werknemers. Samen vormen ze de basis voor een toekomstbestendige stad, in een wereld waarin noeste arbeid steeds minder gewaardeerd wordt en de dienstenindustrie domineert.
Juist voor een stad met een rijke geschiedenis op het gebied van noeste arbeid was de uitdaging groot. Rotterdam kampte met leegloop, en wie achterbleef was vaak laagopgeleid en weinig kansrijk in de moderne economie. Bovendien was er veel concurrentie. Utrecht had zijn positie als dienstenstad al verworven, Amsterdam was hard op zoek naar dezelfde creatieve klasse, met het voordeel dat de stad van oudsher de stad van de kunsten en intellectuelen was. Den Haag had en heeft het eeuwige voordeel het politieke hart van het land te zijn en verzekert zich daarmee bij voorbaat van werkgelegenheid voor tienduizenden hoogopgeleide ambtenaren en werknemers van bedrijven die zich graag in de buurt van de politiek vestigen. Voor Rotterdam was de uitdaging dan ook niet gering en dat was reden om flink uit te pakken.
Vanaf eind jaren tachtig zette de stad vol in op kunst en cultuur als een van de nieuwe pijlers van de stad. Musea, hoogstaande architectuur, galeries en een bruisend avondleven moesten de stad aantrekkelijk maken voor de bestaande maar vooral voor toekomstige bewoners. 'De wederopbouw was voltooid en het was tijd voor de laatste fase. Bij een grote stad hoort een volwaardig cultureel aanbod en dat ontbrak nog’, blikt Wim van Krimpen terug. Hij verhuisde zelf van Amsterdam, waar hij een succesvolle galerie runde, terug naar zijn thuishaven Rotterdam om de Kunsthal op te zetten, waarvan hij twaalf jaar directeur was. 'Dat was onderdeel van een deken van cultuur die in die periode over de stad heen is gelegd. Een totaal gepland proces, geïnitieerd en gestuurd door het stadsbestuur onder leiding van burgemeester Bram Peper.’
Ruim twintig jaar later is het vreemd om te bedenken dat Rotterdam ooit géén Kunsthal had. Of dat de Witte de Withstraat een van de meest beruchte straten van Nederland was. Nu is het de culturele as van de stad. Een imago dat het te danken heeft aan hetzelfde actieve cultuurbeleid, weet Van Krimpen: 'Rotterdam had twee publiekstrekkers: het Maritiem Museum en Museum Boijmans Van Beuningen. Die worden door de Witte de Withstraat met elkaar verbonden. Door die straat een culturele functie te geven ontstond vanzelf een soort culturele as. Doordat rondom Museum Boijmans Van Beuningen ook nog eens de Kunsthal en het Nationaal Architectuur Instituut werden gebouwd, ontstond een echt cultuurgebied. Als je nu naar Rotterdam gaat, dan weet je precies waar je moet zijn als je op zoek bent naar kunst. Dat was twintig jaar geleden wel anders.’

EEN ZOEKTOCHT naar het huidige kunstklimaat in Rotterdam begint dan ook vanzelfsprekend in diezelfde Witte de Withstraat. Galeries MAMA, MK en Blaak10, Witte de With Center for Contemporary Art, TENT, het Ro Theater en het Scapino Ballet zijn te vinden binnen een afstand van honderd meter. Net als dus V2_, dat in 1994 neerstreek in de stad. 'Het was duidelijk dat er in Rotterdam veel gebeurde en er veel mogelijkheden waren. Dat kwam ook omdat de stad toen heel actief beleid voerde om kunst en cultuur te stimuleren’, zegt directeur Alex Adriaansens. 'Amsterdam is natuurlijk de culturele hoofdstad van het land, maar in Rotterdam is veel meer ruimte voor kunstenaars en instellingen. Je kunt zo een woning en een atelier krijgen en als je een idee hebt zijn mensen vaak meteen enthousiast. Als ik in Amsterdam met een project bezig ben, moet ik eerst zes keer vergaderen voor er een besluit is genomen. Hier zit je dezelfde week nog aan tafel met zes andere instellingen en zegt iedereen meteen “ja, doen”. Dat werkt heel prettig. En het is gewoon leuk.’
Om die redenen trokken in de jaren negentig kunstenaars, vormgevers en architecten vanuit het hele land en zelfs van over de grenzen naar de Maasstad. Een nieuwe kunstwereld werd geboren, precies zoals Peper dat voor ogen had. Bovendien maakte de kwaliteit van het Rotterdamse kunstaanbod indruk.
Tijdens het verblijf aan de Witte de Withstraat groeide V2_ uit tot een internationaal gerenommeerd instituut. 'We werken overal ter wereld’, zegt Adriaansens. 'In het jaar van de Olympische Spelen hadden we een tentoonstelling in Beijing met honderdduizend bezoekers. Bizar. V2_ is een van de oudste mediakunstinstellingen ter wereld, veel vergelijkbare instellingen in het buitenland kijken naar wat wij doen. Ze modelleren zich zelfs naar ons.’
Om de hoek van V2_ bevindt zich misschien wel het kloppend hart van kunstig Rotterdam. De zalen op de eerste twee verdiepingen worden gebruikt door TENT, een tentoonstellingsruimte speciaal voor Rotterdamse beeldende kunst. Een initiatief van de gemeente die plek wilde bieden aan lokale kunstenaars. Boven in het gebouw huist Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst (WdW), zeker in de jaren negentig een trekpleister. Een plek waar je gezien wilde worden en waar je als kunstenaar van droomde. Met zijn experimentele insteek is het centrum nog altijd symbool voor het jonge, hippe karakter van de plaatselijke kunstwereld. Maar in de verschillende zalen is geen bezoeker te vinden; de objecten uit de tentoonstelling Making is Thinking staan er verlaten bij.
Ongeveer een kilometer bij het culturele hart van de stad vandaan, in de wijk Middelland, staat een oude Franciscaanse nonnenschool. Sinds 1992 is het een ateliergebouw van kunstenaarsinitiatief het Wilde Weten. Zeventien kunstenaars en een artist in residence hebben hier een atelier en samen beheren ze een projectruimte waar ieder zijn werk kan tonen. Fotografe Kim Bouvy leunt tegen het aanrecht in de gezamenlijke keuken. In de projectruimte achter haar hangt een expositie van het fotoproject 1 maand Marxloh. Gedurende een half jaar wisselden zes Rotterdamse kunstenaars elkaar af in Duisburg en brachten ieder op eigen wijze de wijk Marxloh in beeld. Bouvy was een van de zes. Net als bij V2_ worden vragen over het huidige kunstklimaat in de stad ook in het Wilde Weten beantwoord met gefronste wenkbrauwen. Want, zegt Bouvy, na het hoogtepunt dat de stad als culturele hoofdstad van Europa doormaakte in 2001 gaat het moeizaam. 'In en voorafgaand aan dat jaar was er heel veel geld en aandacht voor cultuur, maar dat is daarna minder geworden. De energie van toen is er niet meer.’
En dat is ook merkbaar in de Witte de Withstraat, waar flink wat galeries al weer zijn weggetrokken en waar WdW niet meer de trekpleister is van voorheen. Was het in de jaren negentig nog een instelling met internationaal aanzien, inmiddels wordt er veel geklaagd over stagnatie en het ontoegankelijke karakter. 'Het zijn bijna academische projecten’, vindt Arjo Klamer, hoogleraar kunsteconomie en lange tijd lid van de Rotterdamse Raad voor de Kunsten. Ook Van Krimpen is niet enthousiast: 'WdW is er niet in geslaagd zich te vernieuwen. Ze doen al te lang hetzelfde.’ Of zoals Kim Bouvy het verwoordt: 'Het richt zich nu nogal op het discours over beeldende kunst zoals dat in een bepaald circuit, tussen curatoren, over de betekenis van beeldende kunst, gevoerd wordt.’

TOEVAL of niet, de stagnatie in de ontwikkeling die Rotterdam als kunststad doormaakte, viel samen met de opkomst van Pim Fortuyn. De opstand in 2002 en de tijdelijke macht van de Leefbaren van 2003 tot 2007 komt in ieder gesprek over de Rotterdamse kunsten terug. Ook Adriaansens, hoe optimistisch ook, heeft zorgen: 'Het voelde alsof iedereen vier jaar lang zijn adem heeft ingehouden. Ineens werden we weggezet als elitaire graaiers. Ik ben daar erg van geschrokken. Terwijl je weet dat ze de subsidies niet stop kunnen zetten omdat die voor langere tijd vastliggen, durf je toch niet echt verder. Inmiddels heb ik het gevoel dat de energie langzaam weer terugkomt, maar die periode heeft er echt ingehakt.’
In de bestuursperiode van Leefbaar Rotterdam verloor kunst en cultuur zijn status en werd de nadruk gelegd op veiligheid, regels en handhaving. Factoren die met gemak het leven uit een bruisend kunstklimaat kunnen zuigen. Daar kwam bij dat het Ontwikkelbedrijf Rotterdam in 2002 de huren van de atelierruimtes na een grondige renovatie verhoogde. Bouvy: 'Veertig euro per vierkante meter per jaar. Vergeleken bij de prijzen in Amsterdam is het nog steeds een laag bedrag, maar het is veel meer dan we gewend waren.’
De ruimte, de lage prijzen en de beperkte concurrentie maken Rotterdam nog steeds een aantrekkelijke stad voor beginnende kunstenaars. Wie succes heeft kan de stad gebruiken als opstap naar Amsterdam of zelfs Londen, Parijs of New York. Vooral voormalige studenten van de Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch en van de voormalige Academie voor Kunst en Industrie in Enschede, tegenwoordig onderdeel van hogeschool ArtEZ, komen graag deze kant op. Bouvy studeerde in Den Bosch, net als haar collega Jeroen Bosch, die een rondleiding geeft door het gebouw en ook zijn eigen atelier laat zien. Een mooie lichte ruimte met grote ramen die uitkijken op de achterkant van de imposante Laurentius en Elizabeth Kathedraal. Aan de muur hangt wat hij zelf zijn meesterwerk noemt. Maar of het publiek zal zien is de vraag. 'Er is in Rotterdam bijna geen publiek. Kunstenaars kopen elkaars werk, steunen elkaar. Het is een klein wereldje. Maar verder is er eigenlijk geen markt. Omdat goedkope werkruimte bovendien opdroogt, merk ik dat steeds meer kunstenaars de stad ook weer verlaten.’
Een aantal jaren geleden was er een grote uitstroom richting Berlijn, waar het klimaat de laatste jaren vergelijkbaar was met dat in Rotterdam in de jaren negentig.
Of de creatieve klasse gaat naar Amsterdam, zoals galeriehoudster Cokkie Snoei. In de jaren negentig opende ze een galerie in de Witte de Withstraat, ze maakte de hoogtijdagen mee, maar vertrok daarna gedwongen naar de Mauritsweg. 'Ik huurde de ruimte van een nogal louche eigenaar. Hij besloot op een gegeven moment de huur heel erg te verhogen.’ Zoals dat ook bij andere galeries gebeurde. Aan de Mauritsweg liep het aardig, maar toch opende ze in februari een tweede galerie, in Amsterdam. Daardoor is de deur in Rotterdam de helft van de week gesloten. 'Het is niet dat ik geen vertrouwen meer heb in mijn galerie in Rotterdam, maar ik vind het gewoon leuk om ergens te zitten waar wat meer aanloop is. In de Hazenstraat zit ik tussen allemaal andere galeries. Daar komt publiek dat af en toe echt iets koopt.’
Van Krimpen was zich al bij aankomst in Rotterdam bewust van de onmogelijkheid om zijn Kunsthal te vullen met publiek uit de eigen regio: 'Ik heb vanaf het begin gezegd dat ik een internationale instelling wilde zijn en me niet wilde richten op Rotterdams publiek. Die komen gewoon niet. Dat kan je wel willen, maar het gebeurt niet. Als je in Rotterdam-Zuid aan een willekeurige voorbijganger vraagt wat Boijmans is, dan zal hij je heel glazig aankijken.’

EEN BIJKOMEND nadeel is het gebrek aan cultureel bewustzijn in het bedrijfsleven. Vooral als galeriehouder is dat jammer, zegt Snoei: 'In Amsterdam heb je allemaal grote bedrijven met een kunstcollectie. ABN Amro, Akzo Nobel, De Nederlandsche Bank, noem maar op. Dat zorgt voor veel omzet in de galeriewereld. In Rotterdam heb ik wel geprobeerd om bedrijven zo ver te krijgen, maar het zit niet in de cultuur.’
Daar is Sjarel Ex, directeur van Boijmans Van Beuningen, het niet mee eens: 'ABN Amro Rotterdam, de Rabo, Ploum Lodder Princen, Sikkens, Unilever en andere doen aan kunstengagement. Het is voor Rotterdam wel moeilijker om landelijke corporate sponsorship aan te trekken, maar dat heeft meer met de middelpuntvliedende kracht van Amsterdam te maken dan met gebrek aan kwaliteit in Rotterdam.’
Bovendien werkt het museum samen met het Havenbedrijf Rotterdam. Ex zette met directeur Hans Smits het project Onderzeebootloods op. Vorig jaar leverde dit de bijzonder succesvolle expositie Infernopolis op. Beeldhouwer en ontwerper Joep van Lieshout, misschien wel de bekendste Rotterdamse kunstenaar van het moment, kreeg lyrische recensies en ook over de loods zelf als expositieruimte waren pers en bezoekers laaiend enthousiast. Komende zomer komt het vervolg, nu van het Deens-Noorse kunstenaarsduo Elmgreen & Dragset.
Van gebrek aan energie is bij Ex geen sprake. En ook van gebrek aan energie in de plaatselijke kunstwereld weet hij niets: 'Wat een gezeur. Typisch iets voor Rotterdammers om dat te zeggen. Die zeuren altijd, net als Amsterdammers trouwens. Nee hoor, ik heb het erg naar mijn zin en kom veel mensen tegen die juist veel energie hebben. Dat zorgt voor mooie samenwerkingen. Zoals die met het Havenbedrijf. Maar ook zoals Boijmans TV, dat we maken met Wilfried de Jong, het Ro Theater en Popov TV.’
Ex heeft ook niets te klagen over de aandacht voor zijn museum en de bezoekersaantallen. Factoren die uiteraard met elkaar samenhangen. Boijmans TV trekt duizenden virtuele bezoekers en bereikt veel mensen die het programma op TV Rijnmond voorbij zien komen. De tentoonstelling De grote ogen van Kees van Dongen, die begin dit jaar sloot, kreeg volop aandacht en positieve beoordelingen in de nationale en internationale pers en trok meer dan tweehonderdduizend bezoekers. Nog recenter wist Ex alle nieuwsbulletins te halen door de Pindakaasvloer van Wim T. Schippers toe te voegen aan de permanente collectie van het museum. Ex weet prima te balanceren tussen eigenzinnig en populair. En dat zorgt voor succes. Zoals ook de Kunsthal, het Nationaal Architectuur Instituut en de Onderzeebootloods succesverhalen zijn. Publiek uit binnen- en buitenland komt ervoor naar Rotterdam. Maar of ze ook nieuwe bewoners naar de stad trekken? Nee, dat niet.

EN NIEUWE bewoners was nu juist waar het Rotterdam allemaal om te doen was. Met een goed cultureel aanbod moest de middenklasse worden aangetrokken die de stad ontbeerde. Maar uit alle cijfers blijkt dat de middenklasse in de stad nog steeds bijzonder klein is. Het lage opleidingsniveau van de bevolking en de onmacht van Rotterdam om hier verandering in te brengen baart inmiddels heel Nederland grote zorgen. Bijna iedereen met een goede opleiding trekt weg en de stad verwacht de komende decennia zelfs een verder krimpende bevolking. De mooie musea ten spijt.
De leegstand is zelfs zo erg dat woningbouwcorporatie Woonstad in de Vogelaarwijk Charlois huizen in slechte staat bijna gratis in beheer geeft aan de stichting Nieuwe Ateliers Charlois, omdat niemand anders de huizen wil hebben. Via de stichting kunnen kunstenaars voor honderd euro per maand een woning inclusief atelier krijgen. Via deze weg is in de buurt inmiddels een ware kunstenaarskolonie ontstaan die de woningen opknapt en zich met name richt op participerende kunst in de openbare ruimte.
Zelfs Wim van Krimpen heeft Rotterdam de rug toe gekeerd. Hoewel hij het zelf niet als een symbolische gebeurtenis wil zien ('soms is het tijd voor een nieuwe stap in je leven’), komt zijn vertrek het imago van Rotterdam niet ten goede. Na twaalf jaar Kunsthal en acht jaar als directeur van het Haags Gemeentemuseum is hij terug in Amsterdam. Hij woont weer in zijn huis op de Prinsengracht waar hij ooit begon als galeriehouder. 'Het is wel een verademing om weer ergens te wonen waar mensen op straat zijn. Ik woonde in een prachtig huis in hartje Rotterdam, maar ging ’s avonds laat echt niet meer de straat op. Hier is het om elf uur nog druk. Om acht uur ’s ochtends zie ik al rondvaartboten voorbij varen. Prachtig is dat.’
Dat het centrum van Rotterdam zo leeg is, komt volgens Van Krimpen mede door de ontwikkeling van de Kop van Zuid, de andere kant van de Maas. Het Foto Museum verruilde de locatie in de Witte de Withstraat voor het nieuwe centrumgebied. Ook theater en filmhuis Lantaren/Venster werd vanuit het oude centrum overgeplaatst. 'Je denkt toch niet dat ik elke zaterdag de Maas over ga zwemmen? Je gaat toch de stad in, niet de stad uit? Het is funest voor het bestaande centrum, terwijl daar de toekomst van de stad ligt. Ik heb al vaker voorgesteld om het centrum aan te pakken. Daar moet een kwaliteitsslag worden gemaakt zodat het aantrekkelijk wordt om er te verblijven.’
Dat de ontwikkeling van de Kop van Zuid, maar ook de vele subsidies in een wijk als Charlois, schadelijk is voor het kunstleven ten noorden van de Maas vindt ook Bouvy. 'Het is een waterbedeffect. Als er op Zuid meer gebeurt, verschraalt het aan de Noordzijde.’
Hoe nu verder? Bloedt Rotterdam als cultuurstad weer dood? Of is er licht aan het einde van de tunnel? Bouvy weet het niet: 'De stad drijft heel erg op het idee dat er wordt gewerkt aan iets wat nog niet is. Je vraagt je af wat voor leven er is na dat van de opkomende kunststad.’
Daarop weet Van Krimpen het antwoord wel: 'Tussen de bodem en de top moet ook binnen de kunsten een middenklasse ontstaan. Maar dat is niet gebeurd.’ Hoe jammer hij het ook vindt, zorgen heeft Van Krimpen niet over zijn kunststad: 'Rotterdam hoeft helemaal geen hoogculturele stad te zijn. 25 jaar geleden was er op cultureel gebied weinig te beleven, nu is de stad voorzien. Dat is het en meer hoeft het niet te zijn.’