Meeuw en kauw

Ik fietste over de Poppendammergouw naar de tuin die niet bestaat zonder de bazin. Waar het eenzaam is zonder een geregeld ‘Hoehoe!’, lui blaffende buurthonden en een spiedende buurvrouw. Op de weg, een stuk verderop, zag ik een kraai. De kraai pikte in iets. Het bleek een net dode haas te zijn, het was of de damp er nog afsloeg. De kraai was even van plan niet eens op te vliegen van mijn naderende voorwiel, klapte toen toch weg. Het schokte me. Dat is raar, want zeker kraaien halen hun neus niet op voor een kadavertje hier en daar. Toch heeft het iets obsceens, een niet-roofvogel een zoogdier zien aanvreten. Daarna een veel te warme dag in de tuin, zo’n dag waarop je om elf uur al zegt: ‘Ik ben hier niet tot half zes, hoor’, en dan toch blijven omdat het allemaal wel meevalt. Gewoon flink veel gras maaien, dat sleept je er altijd wel doorheen, vooral als de grasmaaier voorzien is van een handgreep die het ding bijna uit zichzelf laat rijden.
Later las ik in de wetenschapsbijlage van de krant iets over meeuwen, dat die vanaf het moment dat ze dieper het land ingetrokken zijn, ook hun eetgewoontes hebben aangepast. Dieper het land ingetrokken? dacht ik. Ik weet niet beter of overal zitten meeuwen, een favoriet spreekwoord in mijn geboortestreek is: ‘Meeuwen op het land, storm op het strand’ en dat vond ik altijd een raar spreekwoord, want het zwermde altijd al van de meeuwen. Maar goed, in het artikel weer zoiets schokkends. Er schijnt een meeuw te zijn (ja, één) die altijd te vinden is bij de veerboot naar Texel. Dat is niet opzienbarend, want die vogels eten al sinds mensenheugenis patat die vaargasten overboord gooien. Maar deze ene meeuw heeft iets nieuws bedacht, hij stalkt kauwtjes, die inmiddels eveneens die patat ontdekt hebben. De meeuw pikt er een uit, volgt hem, grijpt hem en duwt hem dan minutenlang onder water zodat het kauwtje verdrinkt. Daarna vreet hij hem op. Ik sloeg de krant subiet dicht. Er is een grens aan mijn voorstellingsvermogen.