Laaghangende oordelen

Megakerken

De afgelopen jaren maakte ik vier werkgerelateerde reizen: naar Brazilië, de VS, Maleisië en Zuid-Afrika. Overal waren er godshuizen van een omvang waar je stil van wordt. Als ex-refo weet ik hoe het is om psalmen te zingen in een refo-dome met tweeduizend zitplaatsen. Maar dit waren megakerken in een orde van grootte die gewoon niet te bevatten is. Ze worden bezocht door evangelische groeperingen die zich meestal geen ‘kerk’ noemen om te benadrukken dat het hun niet gaat om het belijden van traditionele waarheden, vastgelegd in belijdenisgeschriften, maar om een levende relatie met God.

De evangelische beweging groeit hard. Harder dan de islam. In de VS zijn inmiddels zestienhonderd megakerken (meer dan tweeduizend bezoekers).

Op dit moment heeft de groei voornamelijk plaats rond de evenaar en op het zuidelijk halfrond. De allergrootste kerken staan in Zuid-Korea, India, Nigeria, de Filippijnen, Indonesië en Brazilië met gemiddeld zeventigduizend zit/staanplaatsen. In de gigagrote Yoido Full Gospel Church in Seoul komen per zondag zelfs tweehonderdduizend mensen bij elkaar. Wereldwijd zijn er op dit moment bijna zevenhonderd miljoen evangelische christenen: charismatische gelovigen, plus bezoekers van een pinkstergemeente, plus iedereen die lid is van een van de vele evangelische (internationale) organisaties.

Medium megakerken plat 19 2017

Waarom lopen kleine kerken leeg en doen megakerken het zo goed? Om dat te onderzoeken werden vierduizend kerken in de VS bezocht door dertienduizend mystery guests die zelf geen binding met een kerk hadden. Kerken met minder dan tachtig bezoekers scoorden goed op gastvrijheid, maar slecht als het ging om kinderwerk of informatie. Zo bleek de website vaak niet bijgehouden. Megakerken scoorden het hoogst: goede preken, charismatische sprekers en een grote invloed in de lokale gemeenschap (denk aan armoedeprogramma’s). Bijkomende voordelen: genoeg ruimte om prettig te zitten, en de publiciteit is professioneel geregeld, zodat er een gevoel van urgentie ontstaat.

Evangelische bewegingen handelen als succesvolle multinationals

In het Westen trekken evangelische gemeenten voornamelijk mensen die bij een traditionele kerk zijn afgehaakt. Maar evangelicals bekeren ook. In 1900 telde Latijns-Amerika slechts tienduizend leden van een pinkstergemeente. In 2000 waren dat er 150 miljoen. Het aantal christenen op het Afrikaanse grondgebied steeg van ongeveer negen miljoen in 1900 tot meer dan 330 miljoen in 2000. Ruim 120 miljoen van hen zijn pinkstergelovigen. In Azië is het verhaal niet anders. In 1900 was het aantal christenen ongeveer twintig miljoen. Tegen het jaar 2000 was het gegroeid tot meer dan 300 miljoen – 130 miljoen evangelisch. Hoe kan dat?

Allereerst wordt de evangelische boodschap via moderne (massa)communicatiekanalen verspreid. Daarbij is het concept ondubbelzinnig: er is de basisidee dat Jezus zondaren verlost, er is een onaantastbare heilige tekst, er is veel ruimte voor vrolijke muziek en spirituele aanbidding, er is een pastorale autoriteit die de persoonlijke religieuze ervaring centraal stelt, er is verzet tegen de zondige wereld en er is morele discipline. Van dat laatste profiteren met name vrouwen in gebieden met weinig bestaanszekerheid. Qua organisatie is er flexibiliteit, geen hiërarchie. Samenkomen kan overal en door iedereen. Er is ruimte voor lokale, inspirerende sprekers om naar eigen inzicht aan een netwerk te bouwen, waarbij de verpakking van de boodschap mag aansluiten bij de cultuur ter plaatse, zolang oude goden het veld maar ruimen. Zo gebruikt voorganger Paul Yonggi Cho (van die megakerk in Seoul) bepaalde sjamanitische technieken van visualisatie, maar zet hij zich tegelijkertijd juist af tegen deze vorm van volksgeloof.

Niet zelden worden bezoekers van de samenkomsten aangesproken op hun onthechte, individuele manier van in het leven staan en wordt hun, via celgroepen, een veilig en prettig netwerk geboden. Daarbij worden groeicijfers van de gemeente met trots gepresenteerd. Gelovigen ontlenen eigenwaarde aan het wereldwijde succes van hun ‘kerk’. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hardwerkende Chinese minderheid in Maleisië, die buitengesloten en gediscrimineerd wordt door de moslimmeerderheid. Pinksterkerken zoals de Calvary Church in Kuala Lumpur (vijfduizend zitplaatsen) bieden hun een gevoel van empowerment en persoonlijke transformatie in lijn met hun middenklasse-aspiraties. Daarbij helpt het dat evangelicals rijkdom beschouwen als een bewijs van Gods gunst, en als iets wat ten goede komt aan de gemeenschap.

Evangelische bewegingen handelen als succesvolle multinationals. Leiders hebben bijna altijd een ondernemersachtergrond, denken in marktaandeeltermen en beschikken over de modernste lichtshows en presentatietechnieken. Ze zijn informeel gekleed en praten op losse, persoonlijke toon. Ze zijn lokale celebrities. Op de websites staan glossy foto’s van hun gezinnen. Preken zijn emotioneel en doorspekt met anekdotes uit het eigen gezinsleven, zoals we die kennen van politici. Maar deze gezinnen zijn traditioneel, en relaties zijn strikt heteroseksueel. Overspel en scheiding worden streng veroordeeld, evenals abortus en euthanasie. Naast de boodschap van het evangelie komt dus (onbedoeld) de boodschap van westerse moderniteit mee, plus een manier om zich daar weer tegen af te zetten.

Hebben christenen en niet-christenen elkaar iets te zeggen? Christenen communiceren vooral onderling, via hun eigen media. Niet-christenen kijken en lezen niet mee, en voelen meestal niet de behoefte mensen te begrijpen die in ‘sprookjes’ geloven. Maar religie is, met de groeiende zichtbaarheid van de islam in Nederland, weer een publieke zaak. De luxe van de onverschillige positie kunnen we ons niet langer veroorloven. Laten we praten.