Megakitsch en bibliothrillers

Het nieuwe literaire bling bling-seizoen

Medium cover1

Overweldigend, hilarisch, meeslepend. De superlatieven buitelen weer over elkaar heen in de najaarsprospectussen van de literaire uitgeverijen. Glimmende cadeaupapiertjes, grappige gadgets en bijgeleverde cd-roms kunnen niet verhullen dat het aanbod steeds uniformer wordt. Er waart een vraatzuchtig monster door boekenland; al naar gelang de lichtval lijkt hij opgetrokken uit delen Dan Brown en Donna Tartt, of Paulo Coelho en Dave Eggers. Is er nog leven buiten dit gevaarte te ontdekken?

Het is altijd een feestelijk moment als de catalogi van de literaire uitgeverijen weer op de deurmat ploffen. Met name de najaarsaanbieding is een belangrijk moment in uitgeversland: de Frankfurter Buchmesse komt eraan, gevolgd door lange donkere leesmaanden met alle mogelijke feestdagen en ook wordt alvast een voorproefje getoond van de speciale boekenweekuitgaven volgend jaar maart. Dit jaar moest de postbode een paar keer aanbellen: de pakken zijn zo dik dat ze niet meer door de brievenbus passen. Opvallend is dat uitgevers er steeds meer toe overgaan om aparte uitklapfolders te maken voor auteurs die gefeliciteerd worden met hun verjaardag of met een andere mijlpaal, of voor boeken waarvan blijkbaar veel wordt verwacht. Als je al deze beloftes, felicitaties, glamourportretten en aanbevelingsteksten op een rijtje legt – wat niet echt aan te raden is – weet je dat het nooit meer beter zal gaan met deze boeken dan nu, op dit glimmende maagdelijke moment. Alles is nog mogelijk. Auke Hulst gaat verpletterend debuteren bij Meulenhoff met Jij en ik en alles daartussenin, een «intense roman over onmacht en obsessie», de loftuitingen zullen nog lang naklinken als Natalie Koch haar eersteling Streken (een «beeldende» roman over blinde ambitie in de muziekwereld, Querido) wereldkundig heeft gemaakt, en het kan niet anders of Wil Boesten gaat met Spiltijd («Een liefde tijdens een verdrongen episode in de Poolse naoorlogse geschiedenis – een verrassend literair debuut», uitgeverij Augustus) de Debutantenprijs winnen.

Het is wel moeilijk zoeken in de catalogi naar dit Nederlandse aanstormende talent. De grootste blikvangers zijn de vertaalde auteurs – De Zweedse Stephen King! De vrouwelijke Dan Brown! – die het patent lijken te hebben op een type roman dat instant-succes belooft. Zo’n roman gaat dan bijvoorbeeld over een onmogelijke liefde – Duitse soldaat en Franse spionne – bij voorkeur in een tot de verbeelding sprekend oord – Parijs – ten tijde van een roerige periode – de Tweede Wereldoorlog. De intrige handelt om verborgen of dubbele identiteiten, in combinatie met een niet-te-stuiten passie. Ook heb je de romans waarin een moordmysterie centraal staat op z’n Donna Tartts. Een «buitengewoon intelligent meisje» sluit zich dan bijvoorbeeld op een kostschool deep down North-Carolina aan bij een groepje charismatische vrienden, onder aanvoering van een al even intrigerende docente. Als een van die vrienden doodgaat en later ook nog die docente opent zich «een wereld van raadsels en geheimen, vol culturele symboliek». Ook de zogenaamd Victoriaanse roman, waarin met identiteiten gegoocheld wordt, maskerades worden opgevoerd en sinistere complotten gesmeed, bevindt zich kennelijk op het toppunt van zijn populariteit.

Natuurlijk, dit soort romans werd altijd al geschreven en verslonden. Nieuw is echter dat iets wat in essentie pulp is, wordt opgepimpt tot literatuur. Dat zit ’m niet alleen in het sjieke ontwerp van de omslagen, de kwaliteit van het uitgevershuis waar ze worden ondergebracht en de ernst waarmee de auteur ons vanaf paginagrote foto’s aanblikt, maar juist ook in de culturele pretentie die uit deze romans spreekt. Kenmerkend is de grote rol die erin is weggelegd voor boeken as such, en aanverwante zaken als manuscripten, bibliotheken en geheimschriften. Sinds De naam van de roos van Umberto Eco en Obsessie van A.S. Byatt zitten de bibliothecaris en de literatuurprofessor als romanpersonage in de lift, en behoren de boekhandel en de bibliotheek tot de meest populaire plaatsen van delict. De Franse spionne van daarnet is niet toevallig dochter van een boekhandelaar. En de genoemde roman over de kostschoolmoorden is opgezet als een leeslijst van hoogtepunten uit de wereldliteratuur: het eerste hoofdstuk heet Othello, het tweede A portrait of the artist as a young man, en zo verder.

De grote literaire hamvraag voor het komende seizoen wordt dan ook: is het echt of is het nep, kunst of kitsch? Het afgelopen jaar heeft jan en alleman zich in de luren laten leggen door De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafon en Extreem luid & ongelooflijk dichtbij van Jonathan Safran Foer. Zal dat nu gaan gebeuren met April in Paris van Michael Wallner (Bezige Bij, oktober), de roman met die Franse spionne annex dochter van een boekhandelaar ten tijde van de Duitse bezetting van Parijs? En zal Calamiteitenleer voor gevorderden van Marisha Pessl (Anthos, september), het boek dat is opgezet als een leeslijst, eindelijk het succes van De verborgen geschiedenis evenaren, zoniet voorbijstreven?

Gerrit Komrij neemt in ieder geval alvast een voorschot op het niet-aflatende succes van deze bibliothrillers, door met een pastiche te komen. De tempel van Diana verschijnt in november bij de Bezige Bij, en belooft een soort doldwaas avontuur te worden met zonderlinge boeken, dito verzamelaars en magische plaatsen. Dit alles door de eeuwen heen. Het is even afwachten of het Komrij gaat lukken om behalve satirisch ook nog spannend te schrijven, want hoe je het ook wendt of keert: dat is een kunst op zich.

Opvallend in dit verband is het grote animo waarmee maar liefst twee literaire uitgevers zich op aspirant-schrijvers storten. Alsof er nog niet genoeg geschreven wordt, is dan toch de eerste gedachte, maar misschien kan het gewoon allemaal wel meer en vooral béter. (In dit land, hoor je er dan bittertjes aan toe te voegen.) «Schrijf!» roept uitgeverij Querido enthousiast, en brengt in samenwerking met Trouw een reeks boeken over de kunst van het schrijven. Schrijven doe je zo door journaliste Iris Pronk belooft een soort praktische handleiding te worden voor alle genres. In De kunst van het schrijven buigt Kees ’t Hart zich over de vraag hoe het komt dat vrijwel iedereen kan leren schrijven, maar het slechts weinigen gegeven is ook iets van wereldklasse te maken. Hij doet dat met behulp van gesprekken met schrijvers die hun talent al ruimschoots hebben bewezen, zoals Hella Haasse, AFTh en Tom Lanoye. Uitgeverij Augustus presenteert een heuse «schrijfbibliotheek», met ook hierin een aantal praktische handleidingen, uitgesplitst naar genre. Zo komt er onder meer een boek over het schrijven van kinderboeken door Wim Daniëls, en een boek over hoe je moet interviewen door Arjan Visser.

De eerste aankondigingen van de Boekenweek – thema: de lof der zotheid, dat is vragen om problemen – stemmen niet direct tot vrolijkheid. Humor om te lachen was blijkbaar de voornaamste ingeving op de uitgeversburelen, en dus worden diverse blikken belegen cabaretiers ruimhartig opengetrokken. De enige geestige vrouwen «in dit land» zijn blijkbaar Annie M.G. Schmidt, en die schrijft niet zo veel meer – een verzameling van haar liedteksten verschijnt bij Nijgh & Van Ditmar onder de titel Zeur niet! – en Sylvia Witteman. De laatste wordt met gepast klaroengeschal door de Arbeiderspers binnengehaald; ten tijde van de boekenweek verschijnt een verzameling van haar columns (Pekingeend bij nacht, en andere vergeefse pogingen tot Echt Heel Erg Gelukkig worden) én al in oktober verschijnt een hoogstpersoonlijke selectie van de beste Kronkels van de hand van haar literaire vader (Ik lieg de waarheid).

Ander opvallend nieuws bij de Arbeiderspers: Pauline Slot komt met een nieuwe roman. Weliswaar verschijnt De inwendige pas in januari, maar dát die eraan staat te komen na een lange radiostilte is goed nieuws. Even ter opfrissing van het geheugen: Slot maakte zeven jaar geleden een daverende entree in de letteren met de roman Zuiderkruis, en schreef snel erna nog twee romans die goed verkochten maar steeds snerender werden ontvangen. De inwendige belooft een «zintuiglijk tijdsbeeld van de eetcultuur in Nederland sinds de jaren zestig» te geven, en te midden van al die bibliokitsch klinkt dat opeens buitengewoon nieuwsgierigmakend.

«Thrillerachtig» moet de nieuwe Arie Storm worden, zijn eerste bij uitgeverij Mouria, die onder anderen met hem in haar fonds iets van haar vrouwelijke imago afwerpt: De bruid en de kogel. Afgaande op de aanbiedingstekst hoeven we desondanks geen mannelijke Saskia Noort te verwachten, of een Néderlandse Stephen King, maar kunnen we uitkijken naar een authentieke Haags/Amsterdamse Storm, «zijn meest ambitieuze roman tot nog toe», waarvan de verteller weer austeriaans verstrikt raakt tussen fictie en werkelijkheid.

Mooier dan nu, aan de vooravond ván, kan het niet meer worden. Iedere auteur een potentiële succesauteur, ieder aangekondigd boek een bestseller-in-de-dop. Na een paar vrolijke uurtjes met haar toenmalige uitgever Theo S. noteerde Mensje van Keulen in haar dagboek van 1976 (onlangs gepubliceerd onder de titel Alle dagen laat) een versje:

Ach uitgevertje, laat ons nog maar een uur

Dan nemen we nog een glas wijn

En proosten op alle gelul en chagrijn

In het land van de literatuur.

Zo kun je het wel een tijdje volhouden, bewijst de schrijfster van wie een nieuwe roman in januari wordt verwacht: De laatste gasten (uitgeverij Atlas). Hulde, bij voorbaat.