Mei ‘68

Vannacht heb ik alweer in mijn bed geplast. Dit verschijnsel is nieuw en ik kan het niet nader verklaren. Waarom toch heeft het tot mijn elfde moeten duren alvorens ik mijn bed begon te bevuilen? Bijna iedere nacht schrik ik op dezelfde manier wakker. Mijn buikje voelt warm aan en mijn billen zijn plakkerig. Bevend en op kousevoeten loop ik de trap af en bereik ik in het donker de badkamer. Niemand mag dit weten. De flacon met het lichtblauwe vlekkenwater waarmee ik mijn pyjamabroek besprenkel, raakt langzaam leeg en dit baart me zorgen.

Het zal wel toeval zijn, maar mijn zindelijkheid is begonnen te haperen bijna op de dag dat er in het Quartier Latin de eerste straatstenen werden losgewrikt. Nu vliegen ze iedere avond door de luidspreker van mijn kleine transistor die permanent op de zender Europe 1 staat.
Ik vind het fascinerend: hoe krijg je zo'n zware kei uit de grond en vervolgens in de lucht? Wat er achthonderd kilometer verderop in Parijs gebeurt, is mij niet helemaal duidelijk, maar boeiend is het wel. Met een zekere trots weet ik al die namen op te zeggen die als een magisch gebedsnoer van woorden uit de radio sijpelen. Mijn vriendjes zijn diep onder de indruk: Sorbonne, Nanterre, boulevard St. Germain, rue Gay-Lussac. Ik vertel de armzaligen die geen transistor bezitten of onder hun dekens weten te verstoppen dat er op een avond meer dan zestig barricaden in Parijs zijn geteld en dat sommige hoger zijn dan drie meter. Wij zijn allen vreselijk jaloers op Parijs. Hier in de Provence zie je geen reporters van Europe 1.
Soms droom ik dat ik net als de kleine Gavroche uit Victor Hugo’s Les MisÇrables op zo'n hoge barricade klim. Ik draag alleen geen grote slappe pet maar een glinsterende motorhelm. Met mijn katapult haal ik ÇÇn voor ÇÇn de zwarte schaduwen van de CRS-politie omver. Ik win altijd, maar af en toe eindigen mijn dromen met een warm en plakkerig gevoel.
’s Ochtends, als ik mijn vader een afscheidskus geef, heb ik last van schuldgevoelens. Hij draagt een uniform en een kepie met erop een blauw-wit-rood schildje van de Police Nationale. Wat zou hij zeggen als hij te weten zou komen dat ik ’s nachts op zijn collega’s schiet?
Toen de onlusten begonnen, haalde hij nog zijn schouders op. Spelletjes van verwende studenten, mompelde hij. Maar naarmate meer politiemannen gewond raken in Parijs, zie je hem feller worden. De verwende studenten zijn nu criminelen geworden. Net als Raspoetin dragen ze lange baarden en slierthaar. Ze stinken en komen rechtstreeks uit de gevangenis, zegt papa. Met ijzeren staven vallen ze de onschuldige agenten aan met geen andere bedoeling dan te doden. Maar wat de onderbrigadier van de Police Nationale met vijftien dienstjaren amper onder woorden kan brengen, betreft de kleur van hun vlag. Stel je voor, hij is zwart! Zwart als het dood en verderf dat ze in deze maatschappij willen zaaien. De ogen van mijn vader spugen vuur en zijn hoektanden lijken op die van een Bengaalse tijger: ‘Het zijn anarchisten!’
Mijn moeder luistert naar haar man maar lijkt meestal afwezig. Ze doet alsof er niets gebeurt maar ik zie haar peinzen. Ze boent, schrobt, kookt, wast en heeft de keukenkast volgestopt met suiker, olie, pasta en rijst. De winkels zijn bijna leeg. En ook is er geen benzine meer. Iedereen staakt en niemand krijgt meer een brief bezorgd. Ik ga niet meer naar school omdat de scholen zijn gesloten. Le joli mois de mai! Op de muren verschijnen grote zwarte en rode letters die zeggen dat het voortaan verboden is te verbieden en dat ergens onder het plaveisel het zand van het strand moet liggen.
Tot op een dag mijn vader niet zoals gewoonlijk door de geuren uit de keuken wordt verwelkomd. Het fornuis is steenkoud en er drijven wolken in zijn blik. Mama komt pas een halfuur later en luistert glimlachend naar de verontwaardigde borrelingen die uit onze magen stijgen. Ze heeft snel bij de traiteur wat hapjes gekocht. Te druk had ze het bij de bar-PMU waar ze de hele ochtend op paarden heeft gewed - voor het eerst. Mijn vader zwijgt. In zijn ogen zie ik de weerspiegeling van mijn moeders gedaante: ze houdt een zwarte vlag fier in haar hand en heeft een motorhelm op.
De volgende dag wordt er op het muurtje tegenover de oprit van ons huis aan de route de Nice een nieuwe leus in druppelende groene letters geverfd: 'En mai, fais ce qu'il te plait.’