Meisje in panterrok

Je zou denken dat sommige antwoorden na verloop van tijd gewoon wel voor in de mond liggen. Hoe oud je bent. Hoe lang je ergens werkt. In welk jaar je debuteerde. Hoeveel boeken je hebt geschreven. Met hoeveel mensen (…) je seks hebt gehad.

Je zou het denken, maar ik moet het telkens opnieuw bedenken. Telkens op mijn vingers tellend terug gaan in de tijd, een zolderkamertje op, of juist een trappetje af, witte onderbroek vlaggend in het verschiet.

Ik kwam er weer eens op omdat ik in een panel zat. Over seks ging het, naar aanleiding van een nieuw boek over vrouwelijke lustbeleving. Vlak voor we begonnen vroeg het meisje naast me, mede-panellid, of ik die interviews deed in VK Magazine. Ik denk dat ze dacht dat ik Corine Koole was. Nee, zei ik. Ik schrijf voor De Groene. O, zei ze. Had jij dat stuk over nieuwe preutsheid geschreven? Nee, zei ik. Dat heeft een collega geschreven. De conversatie viel even stil. Ik was er al achter dat zij research had gedaan voor de nieuwe documentaire van Sunny Bergman, Sletvrees. Van de verwarrende ruimte die zou kunnen ontstaan tussen haar uiterlijke présence en haar strijdvaardige intenties maakte ze maximaal gebruik. Daar heb ik zelf ook een handje van, en toch moet ik er bij een ander altijd erg over nadenken. Met de moderator van de avond had ze even een onderonsje over wat misschien een nieuw ‘ding’ moest worden: gewoon eerst zeggen, bij de aanvang van welk gesprek dan ook, hoeveel bedpartners je had gehad. Bij wijze van slet-statement.

Ik begon ’m een beetje te knijpen. O god hoeveel. En wat zegt het over mij. Telt het als iemand ‘slechts’ naast je ligt? Als iemand gefrustreerd aan je vraagt of hij je dan tenminste mag aaien? Als je zelf vraagt of het erg is als je er even een slaapzak bij haalt om je in op te rollen als in: kom me niet te nabij? Over verwarrende ruimte gesproken: er zit altijd zoveel ruimte tussen net nog leuk op de fiets – ja gezellig, tuurlijk, nog even wat drinken bij jou thuis – en dan opeens een lichaam dat zich aandient, bloot, vreemd ruikend, niet te stoppen.

Ik had het er niet lang geleden over met twee goede vriendinnen. Over de kwantiteit. Verbijsterd hoorden we elkaar aan. Wát? Hóeveel? Een van ons – niet toevallig ook degene met de meest wereldlijke baan en navenant salaris – sloeg haar grote avonturenboek open. Een keer belandde ze bij een even razend dominante als knappe figuur in zijn caravan, nadat hij haar al zo’n beetje de hele avond verbaal had vernederd. Inderdaad, wat je voorspel noemt. Tot haar schrik, zij het gemengd met opwinding, nam de vernedering eenmaal in de caravan ook een wat meer fysieke wending. Ze vertelde er nog luchtigjes over. ‘Wat klapjes’, kreeg ze. Omdat de caravan vlak bij Artis was geparkeerd, werd het een en ander – kléts kléts – begeleid door het klaaglijk geschreeuw van pauwen.

Een paar jaar geleden ging ik op bedevaart naar het huis van de Amerikaanse schrijfster, tevens pauwenhoudster Flannery O’Connor. Als je haar hebt gelezen, kijk je voorgoed anders naar die beesten. O’Connor schreef aanstekelijk over ze, met name over het ijzingwekkende geluid dat ze maken. Lee-yon lee-yon!

En dan opeens een lichaam dat zich aandient, bloot, vreemd ruikend, niet te stoppen

Voor melancholici een melancholiek geluid, voor hysterici hysterisch, aldus O’Connor. Voor haarzelf klonk het als het gejuich voor een onzichtbare optocht.

Voor mijn – kléts kléts – geslagen vriendin raakte het lee-yon lee-yon van pauwen voorgoed doordesemd van angst en seks, afkeer en plezier.

In het panel ging het van voelen naar porno naar sm-fantasieën. Een van de panelleden bekende aan ‘bdsm’ te hebben gedaan. Zijn ‘lief’ wilde dat. En ja, verklaarde hij met een blos op de wangen, dan zet je die voet op haar handen. Het publiek roerde zich. Dat E.L. James met haar Fifty Shades de zaak geen goed had gedaan. Maar wie weet, opperde de moderator, werd er wel veel meer gepraat over wat wél en wat niet. En dat dat toch wel weer goed was. De kwestie werd opeens mijn richting op geduwd. Of ‘we’ er toen ook zo veel over praatten, over wat we wel en niet. Ik dacht aan mezelf, meisje in panterrok, op kamers in de stad. Mijn zachte vriendje, altijd bereid het me naar de zin te maken, bij voorbaat geïntimideerd door wat het meisje wilde. Wat hier te zeggen over die landerige middagen, in mijn herinnering aaneengeregen tot een langgerekte glorieuze optocht, een illegaal verblijf in een hooiberg, dansende stofdeeltjes in diffuus zonlicht, en broodjes tartaar van de snackbar op de hoek.

Dat we andere dingen aan ons hoofd hadden, zei ik toen maar, in een onhandige mengeling van ergernis over mijn eigen stugheid en angst mijn leven in de uitverkoop te doen.

Wat dan? vroeg de moderator.

Kernenergie, zei ik. Het was ook echt zo. We hadden het nergens anders over. De rest voltrok zich in gewijde stilte.