Perquin

Meisjes

Toen ik klein was had ik een vriendinnetje met slaapproblemen. Een tenger, bleek meisje met rode krullen: Karin. Haar moeder had alles geprobeerd. Warme melk, uitputtende fietstochten, eindeloos voorlezen. Niets hielp. Ze kón wel slapen, zei de arts, maar ze deed het niet. Het zou vanzelf wel overgaan. Karin woonde in een groot huis vol deftige meubels. Er was een hoge boekenkast met een ladder die heen en weer kon rijden. Van Karins vader, een ontzettend grappige man die altijd thuis was, mocht ik er soms op klimmen, waarna hij het ding een zetje gaf. Karin vond daar niet zoveel aan. Ze wachtte verveeld tot we naar haar kamer gingen. Daar stond haar barbiepoppenverzameling. Tientallen blondines en een enkele brunette, op een plank boven het bureau. Eigenlijk weet ik nog steeds niet waarom Karin en ik destijds met elkaar omgingen. Zij was een poppenmeisje, ik was een boomklimmer - tegengestelde naturen. Toen haar ouders een paar jaar later gingen scheiden en zij met haar moeder naar Deventer verhuisde, waren we elkaar al lang uit het oog verloren. En toch, toen ik haar daar afgelopen jaar tegenkwam op de boekenmarkt, herkende ik haar onmiddellijk. Die rode krullen, dat smalle gezicht. Zij herkende mij ook. We praatten dus wat over vroeger, zoals dat gaat. Over de buurt waar we woonden, over onze schooltijd. Ik vertelde wat ik nog wist: haar slaapproblemen, de ladder, die poppen op haar kamer. ‘Kun jij je mijn vader nog herinneren?’ vroeg ze. Dat kon ik, natuurlijk. 'Nou’, zei Karin. 'Dat was dus mijn slaapprobleem.’ Ze trok een onbeholpen grijns. Daarna werd ze heel rood. 'Ik kreeg er barbies voor’, zei ze. Ik keek naar de mensen die voorbijkwamen, beladen met boeken. De meesten waren al op weg naar station: er zat regen in de lucht. Ik dacht aan de blondines en brunettes. Aan die vader, die ik zo grappig had gevonden. Aan de meisjes die we waren geweest. Ik vroeg haar, plompverloren, omdat ik niets anders kon bedenken: 'Zullen we in een boom klimmen?’ En Karin lachte even.
'Ja’, zei ze. 'Laten we dat maar eens doen.’