Naomi Rebekka Boekwijt, Pels

Meisjes en andere trouwe beesten

Het korte verhaal heeft in Nederland niet het aanzien dat het in het buitenland heeft en dat gaat het niet krijgen ook. Daar veranderen sterke bundels van Manon Uphoff of Philip Huff niets aan.

Medium images

Sanneke van Hassel kan de ultieme sociologie van de Rotterdamse bakfietsmoeder schrijven, A.H.J. Dautzenberg kan alle perverse fantasieën in Noord-Brabant catalogiseren – nog altijd zijn verhalenbundels uitgesloten van de Libris Literatuurprijs, een schijnbare schrikreactie van het bestuur van de prijs nadat Bernard Dewulf met een serie miniaturen van het huiselijk bestaan in 2010 had gewonnen. Graag wordt er gewezen naar de Verenigde Staten, waar de populaire schrijvers debuteerden op de pagina’s van populaire tijdschriften – Atlantic Monthly, The New Yorker, bladen die nog steeds kort fictiewerk publiceren. In Nederland heeft die traditie nooit bestaan, en alle tijdschriftredacties weten uit lezers­onderzoeken dat de gemiddelde lezer korte verhalen matig interesseren. Het zijn ‘uitstapmomenten’ in het blad. Vonne van der Meer klaagde er een paar jaar terug over in een winterboek van De ­Revisor: ‘We zappen erop los, maar vinden het vervelend om ons (…) na vijftien bladzijden opnieuw, in weer andere personages in te moeten leven.’

Maar dat is het niet. Denk ik. Het heeft er ook mee te maken dat zoveel bundels verschijnen van romanciers die een uitstapje maken naar het korte verhaal, en een wereld willen ­creëren die maar vijftien bladzijden bestaat (en wat dat betreft: verhalen in Amerikaanse bundels zijn vaak aanzienlijk langer). Het ­standaard­verhaal volgt een standaardprocédé: er wordt een ­personage neergezet, een leven, een baan, een relatie, en vijftien bladzijden later valt er iets op zijn plaats waardoor het personage ziet dat zijn leven/baan/relatie niet is wat het dacht dat het was. Een geheim wordt onthuld. Het ­gordijn valt. Alsof het korte verhaal geen op zichzelf staand genre is, maar een vingeroefening, een miniromannetje dat als voorproefje dient van de echte roman waar de auteur ijs en weder ­dienende vlug weer mee aan de gang gaat, hoor.

Natuurlijk generaliseer ik. Er zijn uitzonderingen te bedenken. Waar Pels, de verhalen­bundel van Naomi Rebekka Boekwijt (1990), een voorproefje van is zou ik niet durven zeggen. Het zijn ijle verhalen, compromisloos literair, en bovendien verhalen die niets anders kunnen zijn dan een verhaal: het is bijna onmogelijk dat ze uitgerekt zouden kunnen worden tot een novelle, of opgeblazen tot een volledige roman. Ze werken niet naar een clou toe, niet naar een openbaring, ze bestaan op zichzelf.

Neem het openingsverhaal, Buiten niet (tien bladzijden lang), over een jong (?) meisje dat naar een boerderij trekt die min of meer gerund wordt door een iets oudere (?) vrouw, zwijgzaam en hardwerkend. Openingszinnen: ‘Hoe zij al het menselijke wil vernietigen. Alles wat zij aan zachtheid kan opbrengen, gaat naar de dieren.’ Hoe het meisje de vrouw kent wordt niet uitgelegd, ook niet wat ze komt doen op de boerderij, of waar ze vandaan komt. Dat het meisje wel klaar is met de feestjes en de mannen van de stad is duidelijk (‘Ik maak me los van de mannen, die altijd maar willen en willen en heel soms ook mogen’), maar wat haar dan precies naar de vrouw toe drijft wordt ook niet uitgesproken, zoals er niets wordt gezegd als het meisje in haar bed gaat liggen wachten tot ze thuiskomt. De vrouw zwijgt, en gaat er uiteindelijk bij liggen. ‘Er is een holletje in haar lichaam waar ik in pas. De booglijn van haar zijde, die loopt van heup tot borst als een gestileerde fjord. Haar spieren en pezen rollen onder haar huid wanneer ze werkt op het land, de handen met daarin de riek hoog boven het hoofd om zoveel mogelijk gras op de kar te krijgen. Zij is zoals de paarden: het werk mat haar niet af maar vergroot haar kracht.’

Boekwijt schrijft het op in een zelfverzekerd soort proza dat nauwelijks psychologisering verdraagt – anders zou ik zeggen dat het meisje in feite zelf een dier zoekt, een trouw beest dat je aanwezigheid erkent, maar zich er verder niet aan aanpast; een paard waarschijnlijk – maar puur in de taal, het observeren (niet wát ze observeert, maar hoe ze zo geconcentreerd observeert), zit de liefde. ‘Er zijn fijnere meisjes. Meisjes met smalle polsen en bescheiden blikken. Zij kent alleen grote bewegingen en gebaren, geen tekens of bedoelingen. Ik ruik haar geur van slaap, van zurig en zoet buiten.’

‘Buiten’ is het terugkerende woord in deze dunne bundel, fysiek en mentaal. Het gaat over mensen op boerderijen buiten de stad, ver van hun gewone habitat; mensen die sterk het gevoel hebben buiten de groep te staan. Een jongen rijdt de teckel van een meisje aan. Een student ontvlucht zijn godsdienstige familie, zonder vervolgens echt zijn best te doen er op de universiteit bij te horen.

Boekwijt stelt geen grote vragen over dat buitenstaanderschap: in deze norse, bonkige en originele verhalenbundel lijkt het simpelweg de menselijke toestand. Dat is een thema waar je ten minste tientallen romans mee zou kunnen vullen, mocht ze daar zin in hebben.

Naomi Rebekka Boekwijt

Pels

De Arbeiderspers, 123 blz., € 17,95