Meisjes met rode haren

Een unieke roman, eindelijk weer eens. Het tegendeel van een makkelijk leesbaar boek. Idiosyncratisch. Adembenemend. En – natuurlijk – uit Ierland.

Small mcbride agirlisahalfform

Update, maandag 9 juni: De Britse Baileys women’s prize for fiction, voorheen de Orange Prize for Fiction, wordt jaarlijks uitgereikt aan de beste, door een vrouw geschreven Engelstalige roman die tussen april in het voorgaande jaar en maart dit jaar bij een Britse uitgeverij verscheen. Aan de prijs is een bedrag van 30.000 pond verbonden (een kleine 37.000 euro).

McBride (1976) maakt inmiddels een kleine triomftocht door Groot-Brittannië. Eerder won ze ondermeer al de Irish novel of the year award en de Goldsmiths prize, een literaire prijs voor experimenteel proza.


Het is een mooi verhaal, het meest favoriete zelfs in zekere kringen, als het een goeie afloop heeft. Schrijver-in-de-dop zendt keer op keer manuscript naar uitgeverijen. Zo’n beetje alle grote uitgevers in Engeland worden aangeschreven. Dat de schrijver van zoveel uithoudingsvermogen getuigt, heeft te maken met de aard van de reacties. Niet een standaard ‘past niet in ons fonds’-brief, maar telkens enthousiaste opmerkingen over het manuscript, hoe literair, bijzonder, oorspronkelijk. Maar geen uitgever die het aandurft, want ‘te experimenteel’, ‘niet commercieel genoeg’. Negen jaar later, als de schrijver Londen heeft verruild voor Norwich, en het manuscript nog eens onder handen heeft genomen, belandt het pak papier op de burelen van de kleine plaatselijke uitgever. En ziet, totaal onmodieus, bijna oldschool Frans, ligt daar op zeker moment een geheel in zwart uitgevoerde paperback, auteursnaam in rood, titel in wit, binnenwerk felrood. Geen fancy beeld op het omslag, louter zakelijke typografie. Onder de titel in offwhite de tekst:

‘I think your face the very best.

When we were we were were young.

Het is alsof je een langgerekt gedicht leest, iets heel extreems met een eigen cadans

When you were little and I was a girl.

Once upon a time.’

Medium girl thing

Een paar maanden later heeft Eimear McBride (1976) met haar roman A Girl Is A Half-formed Thing de Goldsmith Prize gewonnen, de prijs voor onconventioneel proza die het Goldsmith College van de Universiteit van Londen uitreikt – Ali Smith was bijvoorbeeld ook genomineerd voor het fantastische en verdrietige Artful – en nog eens twee maanden erna staat ze op de shortlist van de Folio Prize, de prijs die onlangs in het leven is geroepen in reactie op de Man Booker Prize die alleen nog maar good reads zou bekronen. Op 10 maart zal bekend worden of zij de veertigduizend pond zal winnen, of toch Rachel Kushner voor The Flamethrowers, George Saunders voor zijn verhalenbundel Tenth of December, of Amity Gaige voor Schroder, om maar drie van de andere genomineerden te noemen, acht in totaal.

A Girl Is A Half-formed Thing is een krankzinnig boek, een ware tour de force, zo niet voor de schrijver dan wel voor de lezer. Zaak is om je over te geven aan proza dat op je afkomt als een geplaagde geest, iemand die zich binnenstebuiten keert, niet bang is voor de bodem. Maar vooral: proza van een schrijver die weer helemaal opnieuw heeft bedacht hoe ze moet schrijven, hoe ze iets levends kan opwekken met letters.

Ik weet het, dit klinkt potentieel vreselijk, een martelgang in romanvorm. Zoals Anne Enright in haar recensie in The Guardian onverwacht openhartig schreef dat haar man aan haar vroeg: ‘So is the author a genius or is she just very good?’, en niet anders kon concluderen dan dat ze zeker een genie was, maar dat ze niet kon besluiten hoe goed ze was. Nog niet. Maar briljant, ja, want: compromisloos, waarachtig, en – hier en daar – moeilijk te lezen. Om daarmee terug te komen op mijn potentiële martelgang: wat is er uiteindelijk mooier (dit is een retorische vraag) dan het idee een echt boek onder ogen te hebben, iets dat leeft, dat nergens mee vergeleken kan worden?

Maar laten we niet bij voorbaat hysterisch worden, dat is al moeilijk genoeg als zich een jonge Ierse schrijfster aandient. Voor je het weet zit je weer in Ulysses te bladeren (Molly Bloom, eat your heart out), en worstel je met de lange schaduwgestalten van Dylan Thomas, Samuel Beckett, Edna O’Brien, Anne Enright zelve. Wat niet wegneemt dat er ‘iets’ is met die Ieren. De traditie, het weer, de galm van Yeats die opklinkt uit het knoestige land, Where dips the Rocky highland/ Of Sleuth Wood in the lake,/ There lies a leafy island/ Where flapping herons wake. Waarschijnlijk verstaat de Ierse literatuur zich tot de Engelse als de Vlaamse letteren zich tot de Hollandse verhouden. Over en weer een minderwaardigheidscomplex, zelfhaat, na-ijver. De Ieren gaan door voor duister en wild, zoals bij ons de Belgen het patent op diep en poëtisch hebben.

Eimear McBride is Iers indeed, maar ook weer niet helemaal. Ierse ouders, zeker, maar geboren in Liverpool. Op haar derde terug in Ierland, en toen ze zeventien was weer als een haas naar Londen. Het doet er misschien wel helemaal niet toe. Edna O’Brien woont ook al een levenlang in Londen. Het doet ertoe zoals je Franca Treur in een directe lijn kunt beschouwen met Jan Wolkers, Jan Siebelink, Maarten ’t Hart. Allemaal een tik van de calvinistische molen, ieder hun eigen variant van de zingevingstocht, het schuld-en-boete-verhaal, de losmaking. Maar au fond onvergelijkbaar in hun oplossingen.

A Girl Is A Half-formed Thing vertelt het verhaal van… en hier stokt het al, want degene die het verhaal vertelt heeft geen naam. Ze heeft wel een stem, een heel eigen geluid, dat gaat van woede naar bezwering naar gelatenheid. Als ik haar daverende zinnen zou moeten vertalen naar een overzichtelijk gegeven, kom ik uit op een meisje dat opgroeit met een moeder en een iets oudere broer. De moeder slaat en schreeuwt, en bidt, bidt de godganse dag, de broer is niet helemaal gezond. Voor hem voelt het meisje zich verantwoordelijk, ze wil hem beschermen tegen de pesterijen op school, ze is continu op ramkoers. Ze is dertien als ze wordt belaagd door haar oom, en dan zeg ik het eenduidig. Hij activeert in haar een seksuele, destructieve energie. Wat een nette manier is om te zeggen dat ze zich hierna door jan en alleman, hoe goorder hoe beter, laat neuken.

Briljant, ja, want: compromisloos, waarachtig, en – hier en daar – moeilijk te lezen

In twee opzichten is deze roman meesterlijk, wilde ik schrijven. In de manier waarop de schrijfster ambigue – seksuele – verlangens op papier krijgt, dat allereerst. Dat je wil, maar eigenlijk ook helemaal niet. In nogal wat recensies en samenvattingen van de roman wordt gerept van ‘sexual abuse’. Een botte vertaling van iets veel ingewikkelders, iets verslavends zelfs. De oom is een terugkerende figuur in het verhaal, ze zoekt bij hem troost en laat zich tegelijkertijd – en ook nog eens tot zijn eigen diepe schaamte – volkomen verrot door hem slaan.

Daarna: hoe ze schrijft over de liefde tussen broer en zus. Een vreemde, moeilijke band die wordt gedefinieerd door intimiteit en afstand, zorg en zoekhetmaaruit. Nu ligt er in dit geval van meet af aan een doem over de broer. Hij kan niet meekomen met de rest, vanwege een afwijking in zijn hoofd. Wat is er mis met die broer? ‘He’s a bit. You know. You know. What? Well he’s a bit you know. Know? Ahem. A little bit strange? He looks a bit. Is he a bit slow? No. That’s a really stupid thing to say. Jesus, who are you saying things like that to me? You’re a fucking bitch sometimes you know that. I’m sorry.’

Waarmee ik eindelijk iets heb geciteerd uit deze roman. Gevaarlijk, want buiten de context wederom potentieel hysterisch. Het moeilijke, en natuurlijk tegelijkertijd het aantrekkelijke, van dit proza is dat het soeverein is. Het is alsof je een langgerekt gedicht leest, iets heel extreems met een eigen cadans, dat alle wetten van grammatica, interpunctie en transparantie tart. Het is een stream of consciousness, inderdaad, maar in zijn meest radicale vorm. ‘Ik wilde iets anders doen met de stem’, zegt de schrijfster zelf hierover in een interview, ‘ik wilde kijken of er een manier was om iemands ervaringen heel direct bij de lezer te krijgen. I tried to write what I saw in my head. Dus was het gebaseerd op beelden, niet op woorden.’

Het resultaat is verrassend hecht en licht, en heel eigen, solide als een huis. In de Nederlandse literatuur ken ik zoiets alleen van Manon Uphoff, die in haar kleine roman De ochtend valt via de gedachtestroom van een verteller met idiosyncratisch vocabulaire (met ‘pah’ en ‘mah’ worden de ouders aangeduid) een onzegbaar verhaal van incest en verwaarlozing net niet naar het oppervlak brengt. En in zijn bezwerende herhalingen moest ik denken aan het lange gedicht Koerikoeloem van Tjitske Jansen, dat ook een misbruikdrama lijkt te bergen, en waarin iedere strofe begint met ‘Er was iemand die …’, uitmondend in: ‘Er was mijn broer die zei’, en: ‘Er was een ochtend dat’. Bij McBride klinkt het zo: ‘I met a man. I met a man. I let him throw me round the bed. (…) I met a man who took me for walks. (…) I met a man I met with her. (…) I met a man with condoms in his pockets. (…) I met a man who knew me once. Who saw me around when I was a child. (…) I met a man who was a priest I didn’t I did. (…) I met a man. I met a man. Who said he’d pay me by the month. (…) I met a man who cracked my arm.’

‘Ik kom van een vurig volk’, bezwoer Edna O’Brien me toen ik haar vorig jaar interviewde ter gelegenheid van de publicatie van haar memoires. In haar lyrisch proza is de invloed van James Joyce onmiskenbaar. Eimear McBride verwijst met de titel van het slothoofdstuk van haar roman, ‘The stolen child’, expliciet naar Yeats, naar zijn gelijknamige gedicht uit 1886, dat hij schreef toen hij 21 was. In dit gedicht wordt een mensenkind ontvoerd naar een sprookjeswereld, weg van het tranendal dat de echte wereld is. Het gedicht is gesitueerd in Yeats’ woonplaats Sligo, waar ook McBride opgroeide, en waar de vertelster in Anne Enrights verhaal Foute weekendseks (opgenomen in Het weer van gisteren) een keer dronken is geworden, samen met een paar gasten van een plaatselijk rockabilly-bandje. Sligo, schrijft Enright, ‘waar het de godganse dag regende en de jongenshoeren wachtten op de kerels uit Noord-Ierland (…) je kon er naar de bliksem gaan of je kon er als de bliksem uit vertrekken’.

Swish swish all the hospital doors in the world sound the same, schrijft McBride in het laatste hoofstuk. Prachtig hoofdstuk, op een andere manier moeilijk om uit te lezen. My brother. My brother and my love. For you’re the first one that I ever had. And we’ll be good as good we ever were. Gold. Children with running noses straggly hair and cheeks all chapped and braised by the wind by the sea. Het moge er de godganse dag regenen, de kerkklokken mogen eeuwig hel en verdoemenis banjeren, je krijgt er wel vurige literatuur van.


Eimear McBride - A Girl Is A Half-formed Thing
Galley Beggar Press, 205 blz., € 15,99

Anne Enright en Edna O’Brien zijn te gast op het City2Cities-festival in Utrecht, 5 t/m 13 april. Zie city2cities.nl