Meisjes van nu

Ik moet het mezelf niet te moeilijk maken en gewoon vertellen over Boltanski. Kunst is veilig, zeker als het in een museum hangt. Of Boltanski hangt is overigens nog even een lastige kwestie. Misschien is ‘staan’ een beter werkwoord in deze.

Het eerste kunstwerk van Boltanski dat ik zag, op een foto in de krant - ik had nog nooit van de man gehoord - lág overigens en raakte mij onmiddellijk en diep. Ik zal niet meteen zeggen dat de tranen in mijn ogen sprongen, maar het was wel zoiets. Het was een enorme hoop kleren op de grond, kleurig en voddig, echt een gigantische hoop, en het werk heette Personne.
Het moeilijke van kunst is dat het vaak zo duidelijk te herleiden is tot een ideetje. Dit was ook een ideetje, maar dan toch met maximaal effect, zelfs via een krantenfoto. Zo'n anonieme berg kleding, waarvan niet duidelijk is of je naar vodden kijkt of naar kleding die nog maar net gedragen is en om een of andere reden misschien wel acuut is uitgetrokken en nooit meer nodig zal zijn, roept natuurlijk onmiddellijk associaties op met andere bergen nutteloos geworden persoonlijke parafernalia. Schoenen. Tanden. Brillen.
In het Fotomuseum in Rotterdam is nu een andere Boltanski te zien, een ander ‘ideetje’. Langs een gigantisch buizenstaketsel wordt in een razend tempo een soort filmrol rondgedraaid, met daarop zwart-wit close-upfoto’s van net geboren baby’s. Chance heet dit gevaarte. Om de zoveel tijd, een minuut of tien, klinkt er een snerpend belgeluid. Schafttijd. De band wordt stilgelegd, als in een rad van fortuin tikt opeens in tergend langzaam tempo een aantal babyfoto’s op een groter verlicht scherm voorbij tot één babygezichtje de gelukkige blijkt en een tijdlang het scherm vult. Alsof deze speling van het lot je nog niet met genoeg nederigheid zou kunnen vervullen, zijn elders in de ruimte twee grote digitale tellers aan het werk. Het roodverlichte snel stijgende getal geeft het aantal mensen aan dat in de gehele wereld vandaag overlijdt, het groenverlichte nog sneller stijgende getal geeft het aantal geboortes aan van deze dag.
We zijn met zoveel, we komen en we gaan, iedereen is vervangbaar, ieder leven is uniek, iedereen kan alles worden, het kan ook zo allemaal voorbij zijn, iemand moet de lul zijn.
Het zijn deze clichés die Boltanski een opdringerig gezicht geeft, met zijn Chance.
'Pak je moment’, zou Wendy van Dijk zeggen, om het even welke show ze aan het presenteren is.
Maar er speelt nog iets anders mee, net als in Personne. Ik weet niet hoe Boltanski dat voor elkaar krijgt. Komt het door het type babyfoto’s, zwart-wit, korrelig, niet appetijtelijk, gefotografeerd alsof ze op het punt van overlijden staan in plaats van net geboren? Iedere keer als de bel snerpend klinkt, denk ik maar één ding. Gaskamer.
Sowieso ben ik de dankbaarste museumgast die je je kunt voorstellen. Toon mij een knop en ik druk erop. In het Fotomuseum in Rotterdam, ik noem het nog maar een keer voluit want ze zijn daar erg bezig met hun bestaansrecht, valt er heel wat in te drukken en interactief bezig te zijn.
Ik zeg het nu al weer lullig, misschien omdat ik eigenlijk over meisjes wilde schrijven, echte meisjes bedoel ik, meisjes die je in de trein ziet praten met elkaar, en meisjes die zingen op televisie. Mijn nichtje, net haar scooter in de prak gereden. En het meisje dat ik tegenover me heb wonen. Vanuit mijn zolderkamer zie ik haar meisjeskamer, kamerbreed heeft ze de skyline van New York op de muur. Ik kan de toon niet zo goed vinden. Voor je het weet ben ik jaloers want eeuwig-meisje-af.
Het tragische is dat ik dat zelf overigens niet denk. Niet echt.
Dus loop ik nog maar even door dat fotomuseum, waar ze in de kelder een 'donkere kamer’ hebben. Je wordt geacht een ontwikkelpapier te pakken en dat vervolgens in een bak onder te dompelen, om vervolgens getrakteerd te worden op beeld en geluid. Het is zo levensecht - je houdt het vel in een bak, ziet vervolgens de ontwikkelingsvloeistof klotsen en langzaam een beeld scherper worden - dat ik totaal in verwarring raakte. Waar moest ik straks met mijn unieke beeldmateriaal naartoe? Waar was de handdoek waaraan ik mijn handen kon drogen?
Ik zei het al: ik ben de dankbaarste gast ever. Wat me gewoon opvalt aan meisjes, nu, is dat ze eruit zien als vermoeide hoeren.
Ook dat zei ik al: ik kan de toon niet zo goed vinden. Hun stemgeluid is zo laag, hun wimpers zijn zo nadrukkelijk gekruld. Ze roken sigaretten alsof ze al jaren op de stoep schande aan het spreken zijn over de prijs van rode kool. Maar wás dat het dan ook maar. Als je met ze praat blijft er niets van ze over. Of laat ik het zo zeggen: ze geven opeens licht. Een beverig maagdelijk licht. Ik bedoel: als ik er al gek van word, hoe zit het dan met de rest van de mensheid.