KUNST

Melancholie

Jan van de Pavert

In 1993 nam de beeldhouwer Jan van de Pavert (1960) deel aan de Sonsbeektentoonstelling. Van de Pavert was toen een gezien kunstenaar - Prix de Rome 1987 - en hij bouwde in Arnhem een ‘huisje’, een semi-permanent bouwwerk van beton, dat tussen de fly-overs van het Roetersplein kwam te staan. Het was een on-af huis, eigenlijk, een basisstructuur van platen en rechthoekige gaten; het was een suggestie voor architectuur, vergelijkbaar met ontwerpen van Van Eesteren en Van Doesburg voor een 'Maison Particulière’ en een 'Maison d'Artiste’ uit 1923. Een etude in 3D, niet een blauwdruk. Voor wat voor soort bewoner was dat huisje bedoeld? Voor een mens, maar wat voor soort mens? Van de Pavert: 'Ik denk dat de mens opnieuw uitgevonden moet worden. Maar niet als ideologisch gegeven, niet als bijvoorbeeld het centrum van een filosofisch bouwwerk en niet als het individuele ik, maar als een groep personen.’
Nu was Van de Pavert in de jaren daarvoor niet echt een ideologisch gemotiveerde kunstenaar. Zijn beeldhouwwerken behandelden vooral de beeldhouwkunst zelf: verzonken sokkels, afgietsels van ramen, meestal in was of kwetsbare paraffine. Maar in de jaren negentig adopteerde Van de Pavert nadrukkelijk de vormentaal van het modernisme, niet alleen van het Bauhaus (Van Doesburg, Schlemmer) maar ook van barokke schilders als Diego Rivera. Dat leidde tot heel verschillende werken. Gevels uit 1994 was een installatie van gevels van het wederopbouw-rijtjeshuis, strak, simpel, rode deuren, fris als nieuwe lego. Van de Pavert maakte ook talloze modellen die sterk leken op de ontwerpen van Van Doesburg of Rietveld, maar dan uitgevoerd in zink of oud hout, beplakt met bladgoud. Daarentegen zijn Diego Rivera in de Sovjet-Unie (1998), Ondergrondse (2004-2006) en Lounge (2004-2008) schitterende animaties van ruimtes met enorme wandschilderingen, panorama’s van arbeideristische vooruitgang, puttend uit de beeldtaal van Lissitzky en Malevich én het socialistisch realisme. Enthousiasmerend werk, zoals je dat overal in de openbare sovjetgebouwen aantrof.
In 2007 schreef de curator Mark Kremer dat er sinds 2000 een 'herinneringsoffensief’ gaande was, waarbij 'de moderniteit’ opnieuw werd onderzocht door kunstenaars en theoretici. Dat offensief speelde zich af tussen 'kritische hommage’ en 'bitterzoet démasqué’. Van de Pavert werd bewogen door een 'lucide melancholie’, zei Kremer, omdat hij tegelijkertijd de betovering van de toekomstgerichte geest leek te ervaren als het inzicht dat zulke utopieën per definitie onmogelijk te verwezenlijken zijn. Wie nu Van de Paverts werk ziet, ziet denk ik die paradox wel. De eerlijke charme van de ideologie is te proeven in de 3D-'modellen’ voor een beter leven, en tegelijkertijd zijn ze onmiskenbaar museaal. Vervormd, zelfs, onbruikbaar gemaakt als de uitelkaargehaalde en dan weer in één knoop aanelkaarvastgelaste buizenframes van stoelen van Breuer en Stam.
Daarmee blijven twee indrukken hangen. Eén: een zekere melancholie, inderdaad, een niet-ironische interpretatie van de goede bedoelingen van het Nieuwe Bouwen, de Wederopbouw, of de architectuur uit Chroesjtsjovs tijd. Twee: een krachteloze, esthetische reflectie. Alsof het allemaal een droom was, die niet werkelijk serieus te nemen is. En dat is merkwaardig, bijvoorbeeld als je de voortdurende relevantie van de architectuur van zo iemand als Van Eesteren beschouwt, en zeker als je werkelijk zou vinden dat de mens 'opnieuw uitgevonden’ zou moeten worden, 'als een groep’. Daar is deze dagen wel wat voor te zeggen, lijkt mij. Maar in Van de Paverts integere reflecties lijkt het modernisme definitief naar de historie te worden verwezen.

Jan van de Pavert, Werk. Galerie Paul Andriesse, Amsterdam, t/m 15 oktober. www.paulandriesse.nl, www.janvandepavert.nl