Melancholieke dwaalwegen

W.G. SEBALD
DE RINGEN VAN SATURNUS
Uit het Duits (Die Ringe des Saturn: Eine englische Wallfahrt, 1995) vertaald door Ria van Hengel
De Bezige Bij, 296 blz., € 18,90

Toen dit boek in 1996 voor de eerste keer in vertaling verscheen – bij Van Gennep, dit is een heruitgave en zelfs een herziene vertaling – was het moeilijk te plaatsen. De titel leek naar Walter Benjamin te verwijzen, die vaker zinspeelde op de klassieke verbinding tussen het sterrenbeeld Saturnus en melancholie. De in 1944 in Zuid-Duitsland geboren en sinds 1966 in Engeland wonende en docerende Sebald (1944-2001) debuteerde in 1988 met een lang gedicht. Zijn werk – verder voornamelijk verhalende essays en één roman (Austerlitz) – is praktisch helemaal vertaald. Er is inmiddels al veel meer óver Sebald geschreven dan wat hij zelf gepubliceerd heeft; het werk is bij academici zeer in trek.
De heruitgave van De ringen van Saturnus laat, nu het werk is afgesloten, duidelijker zien dat deze manier van vertellen, waarbij de schrijver waar hij maar kan zijwegen inslaat om verder nauwelijks meer acht te slaan op de hoofdweg of vorige trajecten, in literaire zin Sebalds gewone doen was geworden. Een Engelse pelgrimage luidt de ondertitel, en die is typerend: hij is wat pontificaal en ook maar amper waar. In augustus 1992 loopt Sebald een dag of tien door het graafschap Suffolk – hijzelf woonde in het eveneens aan de oostkust gelegen Norfolk. Je mag aannemen dat hij de streek vaker had bezocht; nu liep hij volgens plan. Ik formuleer het zo, omdat Sebald over zichzelf in dit boek even weinig vertelt als over de motieven van zijn wandeling.

Hij is op zoek naar sporen van het verleden; nee, zo gericht is zijn onderzoek niet: hij neemt overal tekenen waar van verval, vernietiging, verandering, en dat stemt melancholiek – bij voorbaat, mag je wel zeggen. De titel van een eerder boek van Sebald, Melancholische dwaalwegen, was even goed op deze geschreven wandeling van toepassing geweest. Keurig vertelt hij van waar naar waar hij loopt, wie hij tegenkomt, bij toeval of volgens afspraak, waar hij overnacht. Die tocht volgens het boekje doet er nauwelijks toe. Hij vermeldt nog dat hij een jaar later in het ziekenhuis verbleef, en zich toen kennelijk gedachten over de tocht, of over het verslag, begon te vormen. Weer een jaar later begon hij te schrijven. Sebald noemt geen bronnen, en al helemaal niet waar hij ze zocht en vond. En omdat het nauwelijks om de tocht gaat maar om de wetenswaardigheden met betrekking tot de streek, huizen, landgoederen, historische gebeurtenissen en personen in Suffolk, dien je toch minstens te weten hoe die tweede speurtocht verlopen is, te meer daar de lezer in het ongewisse blijft over wat Sebald al wist voordat hij zijn half-historische, half-archeologische tour d’horizon ondernam.

De methode van Sebald is die van de toevallige of geënsceneerde ontmoeting, de kruising van levenspaden. In het eerste hoofdstuk is hij op zoek naar de schedel van Thomas Browne, zoon van een zijdehandelaar, natuurkundige en arts die begin zeventiende eeuw een traktaat over cremeren en urnen schreef, auteur van het compendium Pseudodoxia epidemica. Browne was (misschien) aanwezig bij de door Rembrandt geschilderde sectie op de stadsboef Aris Kindt, waar (misschien) ook Descartes bij was. Het hoofdstuk wordt een speldenkussen waar van alles op geprikt kan worden – je kunt die insteeksels ook zien als uitlopers. Eén ervan duikt in het laatste hoofdstuk weer op, waar Sebald een smakelijke opsomming geeft van alle rariteiten die Browne verzamelde: ‘maar verder wil ik daar nu niets van noemen, behalve misschien die holle bamboestok…’ Hoe vaak dat ‘misschien’ niet dient als opstap voor een nieuwe speculatie. Hier leidt het tot twintig pagina’s over de geschiedenis van de zijdeteelt, te beginnen in China 2700 jaar voor onze jaartelling, tot mislukte pogingen in Duitsland en rouwkleding anno nu.

De bruggetjes zijn soms erg smal en wankel, de aansluitingen op het randje, de coïncidenties gezocht, maar het zijn vondsten. Al met al een soms adembenemende demonstratie van vrij associëren. Sebald maakt zelf een vergelijking tussen weven en schrijven: het gaat erom geen draden uit het oog te verliezen. En dat is lastig met zo’n doorzichtig stramien – een pelgrimage naar een verdwenen verleden – en zo’n abstract thema: rouwen om wat verloren ging. Voordat je het weet, vooral dankzij de nogal omslachtige en niet voor grote woorden terugschrikkende stijl, kunnen alle waarnemingen worden samengevat als sic transit gloria… Melancholie wordt dan obligaat: ‘Het werkelijke verloop van de geschiedenis is natuurlijk heel anders geweest, omdat je tenslotte altijd wanneer je net met de prachtigste toekomstplannen bezig bent, alweer op de volgende ramp afstevent.’

Het is, zoals zo vaak, een boek voor meegaande lezers: je moet bereid zijn mee te gaan, op allerlei zijpaden, en genoegen beleven aan het uitpluizen van volstrekt nutteloze geschiedenissen. Anderen zullen zich allicht ergeren aan al die gezochte verbanden en losse eindjes. Maar als het klopt, moet ik in weerwil van mijn eigen vraagtekens zeggen, is het fascinerend Sebald van hot naar her te volgen. Neem het voorlaatste hoofdstuk. Na een gepland bezoek aan een oude boer die, vanaf zijn jeugd verslingerd aan modelbouw, eind jaren zestig besloot de tempel van Jeruzalem op schaal te reproduceren, komt hij al lopend, in gedachten dus, op een wiskundige en hellenist van eind achttiende eeuw, die bij gelegenheid fungeerde als predikant. Een Franse vicomte, op de vlucht voor de revolutie, vond bij hem onderdak en kreeg op het laatst zelfs de dochter des huizes als echtgenote aangeboden.

In Herinneringen van over het graf zou de gast ook de verdere avonturen van zijn leven verhalen. Het hadden ook andere verhalen kunnen zijn, maar het zijn boeiende, elkaar bestuivende geschiedenissen. Haken slaand komt Sebald bij iets heel anders terecht: het oogstrelende, schijnbaar grenzeloze landschap dat in de tweede helft van de achttiende eeuw mode werd. Sebald legt uit hoe het ontstond of liever hoe het gemaakt werd. Bezitters van landhuizen breidden hun uitzicht uit door stukken grond erbij te kopen, boerderijen, paden, wegen en soms hele dorpen te slechten, hagen te verlagen, singels te laten zakken. De realisatie van dit van leegte vervulde natuurideaal heette emparkment. Dat het met geweld gepaard ging, was er later niet aan af te zien – over sporen van vernietiging gesproken. Toen mettertijd de horizon toch weer door (veelal exotische, allochtone) bomen vervuilde, herstelde de natuur zelf de orde: rond 1975 dunde de iepenziekte de groene gelederen uit en wat gespaard bleef, werd in de herfst van 1987 door storm geplet. Dat heeft Sebald nog met eigen ogen kunnen zien. Emparkment, toch weer iets nieuws geleerd; en zo weet ik ook weer wat meer over haringvangst, zijderupsen, zeeslagen en luchtoorlog. Maar nog weet ik niet wat Sebald zelf tijdens zijn voettocht gezien heeft.