Melancholieke roadnovel

Er zijn vast al scripties geschreven over de rol van rivieren in de Nederlandse literatuur. Er stromen er ook nogal wat, traag door dat oneindige laagland van ons, en ze lijken vanzelf scheepsladingen symboliek aan te trekken. De rivier als sociale scheidslijn (Over het water, H.M. van den Brink), als herinneringsplaats (de Dommel, Waal en Amstel bij A.F.Th.), als fatale overgang (De onderwaterzwemmer, P.F. Thomése), als oerkracht en levensader (Rivieren, Martin Michael Driessen). Heraclitus dobbert meestal mee, de Styx is een vaste onderstroom.

Het wonderlijke is dat die literaire rivieren nooit vervelen. Ze blijven appelleren aan een primitieve aantrekkingskracht. Ook bij Joke J. Hermsens nieuwe roman, Rivieren keren nooit terug, ben ik onmiddellijk gegrepen, en niet alleen omdat ik de plek enigszins ken: Pont-du-Gard, het romeinse aquaduct over de Gardon, in buurt van Nîmes. Het is de plek waar de hoofdpersoon, kunsthistorica Ella Theisseling, de zomers van haar jeugd doorbracht, en zich elk jaar door haar vaste vakantieliefde Marc liet meeslepen.

Medium cropvoorkeursfoto   joke hermsen   koos breukel

Na de dood van haar vader besluit Ella die rivier opnieuw op te zoeken, en de roman volgt die autorit naar Zuid-Frankrijk, een melancholieke roadnovel langs kerkjes en kastelen, langs gîtes en hotels, met allerlei ontmoetingen, gesprekken, goede maaltijden en veel wijn, vreemde nachtmerries en vooral jeugdherinneringen.

Die laatste zijn het sterkst en springen er onmiddellijk uit. Niet zozeer omdat Ella hier in de ik-vorm spreekt (de rest is in de zij-vorm), maar omdat ze een universum oproepen waarin alles intens gekleurd is. Met een paar details – de avondlucht die ‘zoet en peperachtig’ is, een ‘met harissa en muscat gestoofde nacht’, of slippers die aan het gesmolten asfalt kleven – komt die hele wereld tot leven van verliefde tieners die ’s nachts stiekem hun tentje uit kruipen en op avontuur gaan, en overdag in de rivier zwemmen, die aan het begin van de zomer hoger staat. Mooi beeld is deze eerste confrontatie met de vergankelijkheid: ‘We lezen de kalkwitte lijnen die de zakkende rivier op de rots achterlaat, het is onze kalender. Als de lijnen een hand breed zijn, moeten we weer gaan, altijd met spijt, altijd met een brandend gevoel van gemis op de plakkende achterbank van de Ford Taunus.’

Bijna ongemerkt kom je erachter dat die zonovergoten jeugd ook allerlei pijnlijks herbergt

Net toen ik me begon af te vragen waarom Hermsen ons niet méér van zulke hoofdstukken geeft – méér cicaden, méér bezwete vrijpartijen, méér tochtjes achter op brommers – begreep ik dat het hier wel eens om kon gaan: over hoe krachtig een handjevol herinneringen in het hele leven kan doorwerken. ‘Het verleden is geen gedane zaak, dacht Ella (…). Het verleden is zelfs geen verleden, maar een springplank naar het heden. Alles wat reeds gebeurd of voorgevallen is, bundelt zich samen tijdens die sprong in het ongewisse van het nieuwe moment.’

Deze roman gaat over het mechanisme van herinneren en vergeten, en de vorm weerspiegelt dat subtiel. Bijna ongemerkt kom je erachter dat die zonovergoten jeugd ook allerlei pijnlijks herbergt. Een vader die sloeg. Een aanranding door de vader van haar oppaskinderen. Verdrongen, vergeten, zo lijkt het, totdat ze de man jaren later tegenkomt op een receptie: ‘Ze had de gescheurde blouse in een la verstopt, en was in bed gekropen. Pas toen ze van de receptie terugreed naar huis overheerste eerst de verbijstering over dit vergeten, en vervolgens over haar zwijgen.’

Op een vergelijkbare manier is ze het slaan van haar vader vergeten, samen met het zwijgen hierover van haar moeder (‘míj sloeg hij nooit’). Het knappe is dat het boek je een paar keer dwingt om terug te bladeren, en dat je het dan pas ziet. Als Ella te laat van haar avontuur met Marc terug op de camping komt, staat het er wel degelijk: ‘In de tent onderga ik gelaten het gesmoorde gevloek en de klappen. Nooit zeg ik iets terug, maar niets zal mij ervan weerhouden om de benen te nemen, zodra de gelegenheid zich voordoet.’

Dat de verhaalstructuur zelf een rivier is, meanderend, zonder rechtlijnige dwang, is natuurlijk ook niets nieuws. Hier viel mij een euvel op dat je in veel romans ziet: ze beginnen heel sterk, vlakken in het middendeel af, zijn dan een tijdlang richtingloos, waarna een stroomversnelling tegen het einde het min of meer goed maakt. Over begin en einde is nagedacht en het midden, ach, dat komt later vanzelf wel goed.

Meestal gebeurt dat niet. Ook hier hebben we zo’n rondtastend middendeel. Er worden allerlei lijntjes en zijweggetjes geopend – een ontmoeting met een Spaanse antiquair, kunsthistorische mijmeringen over een reliëf met Adam en Eva, een zoektocht naar de adellijke lijn in de eigen familiegeschiedenis – die stuk voor stuk geprobeerd worden, en uiteindelijk toch niet de kern van het conflict zijn, dat is namelijk de verstoorde verhouding met haar overleden vader.

In de essayistische schil rond de vertelling hebben die zoekende zijlijntjes weliswaar een functie, maar ook omdat Hermsen in deze roman een minder sterke beschouwer is dan in haar filosofische werken als Stil de tijd (2009) of Melancholie van de onrust (2017), doen ze net iets te geforceerd aan. Al ben je dat weer vergeten bij het einde, dat eerst ontnuchtert (bij de Pont-du-Gard is een betaalde parkeerplaats, de rivier is bijna opgedroogd), en dan alsnog een ontroerende wending neemt.