Ger Groot

Melk

In 1924 vertrekt de dichter Hendrik de Vries voor een reis van ruim drie weken naar Spanje. Het zal de eerste worden van een lange reeks. Tot 1936 is hij jaarlijks de Pyreneeën overgestoken, bijna steeds in het voorjaar of de vroege zomer. Alleen in 1928 gaat het oostwaarts, naar Duitsland. Zijn twaalfde en laatste reis ademt al de catastrofe die nog geen twee maanden later over het land zal neerdalen.

‘Het land was desolater en onheilspellender dan ooit’, schrijft De Vries op 27 mei 1936 naar zijn familie. Maar veel politiek zit daar nog niet bij. Het is vooral het weer dat niet mee wil zitten. De ‘verwoestingen’ waarover hij op zijn doortocht door Aragón spreekt zijn slechts veroorzaakt door ‘voorbijgeraasde stormen’. De grimmiger wordende sfeer bemerkt hij vooral aan de verplichting zich op elk van zijn halteplaatsen bij de politie te melden. Dat had hij sinds het einde van de dictatuur van Primo de Rivera in 1930 niet meer hoeven doen.

Vooral de eerste vier jaar schrijft De Vries uitvoerige verslagen naar huis, soms zelfs als hoofdstukken genummerd alsof hij ermee al een reisboek voorbereidde. Dat boek is er driekwart eeuw later alsnog gekomen. Jan van der Vegt, die vorig jaar al een biografie van De Vries publiceerde, heeft ze bijeengebracht in een bundel Spaanse brieven (Meulenhoff), 85 brieven in totaal, inclusief de kattebelletjes die De Vries op ansichtkaarten naar Groningen verstuurde.

Hij was aan Spanje verslingerd, van jongs af aan: zozeer dat hij zich met genoegen ‘Enrique’ hoort noemen en een paar brieven lang het Spaanse taaleigen tot onverstaanbaarheid toe in het Nederlands imiteert. Hij wil Spanjaard met de Spanjaarden zijn en trots vermeldt hij het steeds wanneer een autochtoon aan hém de weg vraagt of hij bij hotelinschrijving een formulier voor nationale ingezetenen krijgt voorgelegd.

Dat is de eeuwige illusie van de toerist die alles liever zou willen zijn dan dát. Dus moet er Spaanse kleding worden gekocht en Spaanse touwschoenen gedragen. Het spreken gaat al bijna beter dan bij de autochtonen zelf; de laatste losse eindjes zijn nog maar een zaak van dagen, weken hoogstens. De vakantie wordt vanzelf één lang, vrijwillig inburgeringstraject.

Maar het is allemaal vergeefs. Eenmaal de kindertijd voorbij wordt niemand één met een land dat niet het zijne was – tenzij dat zelf rond inburgering is opgebouwd. Een land dat overwegend uit oud-ingezetenen bestaat, laat zich hoogst half veroveren. Zodra de vaart er werkelijk lijkt in te komen, het spreken ‘bijna’ moeiteloos verloopt en zelfs de vreemdste eigenaardigheden gewoon geworden lijken, begint het afstoten. Vanaf dat ogenblik zal alles niet meer makkelijker maar steeds moeilijker blijken. De taal wordt voor perfectionering steeds weerbarstiger, de gebaren van de nieuweling steeds hoekiger, en onhandiger zijn pogingen ‘een van hen’ te zijn.

Op die barrière moet ook Hendrik de Vries gestuit zijn – met inbegrip van de onverwoestbare naïviteit waarin de buitenlander zich zijn eigen vreemdheid niet bewust is. Juist daarin blijft hij onmiskenbaar wat hij is – en niet wil zien. Zelfs tegen het einde van het boek blijkt nog hoe ‘Enrique’ steevast als el rubio wordt aangeduid: ‘de blonde’, in een land waarin zelfs diep-kastanjebruin nog voor die kleur doorgaat.

Het wonderlijkst wreekt die hardnekkigheid zich in het eten en het drinken van De Vries. Voortdurend is zijn maag van streek. Dat was ze al in Groningen, maar gebrek aan hygiëne en een overvloed aan olie maken dat niet beter. Is het daarom dat hij met zoveel hardnekkigheid melk blijft drinken in een land dat dat alleen voor kinderen geschikt acht? Met genoegen ziet De Vries hoe in Madrid goedkope ‘koeierijen’ kunnen voorzien in wat hij kennelijk het liefst drinkt. ‘Wijn heb ik nog geen druppel gebruikt’, schrijft hij in zijn tweede brief. Hij is dan al zo’n vijf dagen in Spanje.

Twee reizen later is dat niet veranderd. ‘De rekening was slechts twaalf pesetas voor twee nachten slapen en drie goede maaltijden met veel melk’, schrijft hij vanuit Valladolid. Het moet zijn disgenoten vreemd te moede zijn geweest. ‘De andere gasten meenden dat ik ziek zou worden; wijn of koffie was beter’, voegt hij toe.

Díe gewoonte moet de barrière zijn geweest waarop hij zijn Spaanse identificatiedrang zag afstuiten, ongenaakbaarder naarmate hij zich van die vreemdheid minder goed bewust was. Eén keer lijkt het of hij zijn noordelijke hebbelijkheid eindelijk heeft afgelegd, maar ook dat blijkt een drogbeeld. Op 31 mei 1933 schrijft hij in Plasencia te hebben gedineerd met wijn: ‘een reusachtige fles die onder mijn handen niet noemenswaard leger wordt’.