Ger Groot

Mémé

Wanneer in 1942 in Parijs de anti-joodse razzia’s beginnen, wordt rabbijn Bereck Kofman al snel opgepakt. Zijn vrouw en kinderen ontkomen en zullen de oorlog op diverse schuiladressen doorstaan. Ruim vijftig jaar later vertelt zijn dochter Sarah, inmiddels uitgegroeid tot een filosofe van internationale faam, hoe ze die jaren heeft beleefd. Twee jaar na de publicatie van Rue Ordener, rue Labat — de twee straten waar zij ondergedoken zat — maakt zij een einde aan haar leven.

Kofmans getuigenis is nu in een mooie Nederlandse editie verschenen (De Arbei ders pers), de eerste vertaling van een boek van haar, op een fors uitgevallen artikel over Nietzsche na. Typerend is het allerminst. Kofman schrijft met een bijna naïeve eenvoud, waarin ze terugkeert naar het achtjarige meisje dat ze was. Een romantische interpretatie zou willen dat ze een lange omweg van geleerdheid nodig had om die kindertijd te hervinden.

Urgentie moet Kofman in ieder geval hebben gevoeld. Het verhaal moest eruit en daarbij kwamen geen stilistische of filosofische gewiekstheden meer te pas. Ze vertelt dan ook een onthutsende jeugdgeschiedenis, waarin de oorlog en vervolging slechts het dramatische decor vormen. Veel wranger is de wijze waarop ze tijdens en na de bezetting heen en weer getrokken wordt tussen haar eigen moeder en de vrouw die haar als onderduikster opnam.

Oma (mémé), zoals ze door Sarah wordt genoemd, steelt vanaf het allereerste begin haar hart. Ze is de toverfee naast wie haar eigen moeder heksachtig afsteekt. Plotseling geen slaag meer, aandacht voor de leeshonger van het kleine meisje, gevoel voor de mooie dingen in het leven en een keuken waarin eten niet langer als een straf geldt. De bevrijding uit het harde bestaan van het inmiddels vaderloze gezin Kofman eist haar tol: «Of ze het nu bewust deed of niet, oma was erin geslaagd een krachttoer te volbrengen: in aanwezigheid van mijn moeder had ze me van haar losgemaakt.»

De strijd tussen beide vrouwen, die na de Duitse nederlaag uitmondt in een openlijke oorlog, wordt door Kofman beknopt, direct en daardoor des te snijdender beschreven. Ondubbelzinnig kiest ze voor haar «oma», tegen de wreedheid van haar moeder, de vraag openlatend hoezeer die extreme rolverdeling mede door haar eigen verzwegen ambiguïteit kan zijn ingegeven.

Tweeslachtig is Rue Ordener, rue Labat niet alleen in het persoonlijke. Ook Kofmans relatie tot het jodendom is dubbelzinnig en zou dat altijd blijven. De centrale plaats die Nietzsche later in haar oeuvre inneemt — in een tijd waarin menigeen hem nog als een antisemiet beschouwde — getuigt van moed, maar zal haar ook enige zelfoverwinning hebben gekost. In het essay Le mépris des juifs (Jodenverachting) dat tegelijk met haar jeugdherinneringen verschenen is, valt ze hem bij: de «zaak» van de joden en hun «raadselachtige vreemdheid» is nog lang niet gesloten.

Ook in het hart van Sarahs lofzang op haar «oma» keert dat thema terug. Niet alleen wist die laatste haar van haar moeder los te weken, zo vervolgt ze haar eerdere woorden, dat deed ze «ook van het jodendom. Al had ze voor onze redding gezorgd, zij was niet helemaal vrij van antisemitische vooroordelen. Zo leerde ik dat ik een joodse neus had. (…) Ze zei ook: joden zijn allemaal gierig (…) en heel intelligent, geen enkel ander volk telt zo veel genieën op het gebied van muziek en filosofie.»

Scherper en verwarrender kan het drama van het antisemitisme niet worden samen gevat. Een miskenning van het jodendom kan men die laatste vaststelling immers moeilijk noemen. Zelfs de filosemiet Nietzsche heeft zich in die termen wel uit gelaten. En ook al blijft discriminatie zelfs met een positief voorteken wat zij is, het wegvagen van ieder onderscheid kan al even gemak kelijk op die noemer worden gebracht.

Tegenover die verwarring lijkt het woord weliswaar niet zijn betekenis maar wel zijn bruikbaarheid te verliezen. De term is pasmunt geworden voor te veel toepassingen en belangen. Voor verslijten kan hij alleen worden behoed door een bedachtzaamheid die weet dat haat en liefde maar abstracties zijn. De werkelijkheid is een oma die een jodenmeisje redt en haar, met joodse neus en al, een thuis geeft.