Media

Memen

‘Ik zal nu vertellen hoe in Ravenna uit de gemeenschap van een non en een monnik een kind werd geboren. Het heeft een groot hoofd, een horen op het voorhoofd en een enorme mond. Op zijn borst staan drie letters: YXV, met daarbij evenzovele plukjes haar. Het heeft een harig been met een duivelshoef. Het andere been is een gewoon mensenbeen maar heeft wel een oog in het midden. In de geschiedenis der mensheid is iets dergelijks nooit eerder vertoond.’ Aldus de Romeinse kroniekschrijver Sebastiano di Branca Tedallini op 8 maart 1512 in zijn dagboek.

Het bericht was het begin van een verhaal dat binnen korte tijd door tussen aanhalingstekens ‘heel Europa’ ging: van het monster dat geboren was in Italië. Schetsen ervan werden op verscheidene plekken gedrukt, kenmerken door tientallen beschreven en op basis van een en ander werden alom conclusies getrokken. Dit was een teken, het kon niet anders.

Al zijn de onderwerpen tegenwoordig over het algemeen minder spectaculair, het fenomeen is niet veranderd: opeens heeft iedereen het over hetzelfde. Het gebeurt internationaal: Kony bijvoorbeeld. Terwijl de naam een half jaar geleden bij bijna niemand bekend was en op Google ‘slechts’ een paar miljoen keer voorkwam (dat is weinig voor een politiek leider), weet tegenwoordig iedereen wie de man is en vermeldt Google de naam meer dan zestig miljoen keer.

Hetzelfde gebeurt op kleine schaal: het mogelijke vertrek van Gerd Leers. Opeens is het verhaal er en gedurende enige dagen is het niet meer weg te branden. Om een klein voorbeeld uit eigen koker te nemen: een paar weken geleden publiceerde ik in dit blad mijn idee voor een zwarte canon. De Groene Amsterdammer verschijnt op woensdag, dus op z’n vroegst op donderdag had er gereageerd kunnen worden. Dat gebeurde nauwelijks. Op vrijdag werd ik gebeld door een journalist van het AD, op maandag verscheen een stukje in alle bladen die tot dat kopblad behoren, dat was nog niet gebeurd (ik merkte het niet want ik sliep) of het ochtend­radionieuws vermeldde het, meteen daarop kwam teletekst met een pagina en tegen de tijd dat ik merkte dat mijn mobieltje op stil stond, zo tegen een uur of half tien ’s morgens, bleek ik wel twintig keer gebeld te zijn. Zo goed als alle omroepen zochten me. De rest van de dag werd een gekkenhuis.

Waarom? Hoe komen dit soort opwindingen tot stand? Het is een vraag die politici, wetenschappers, beleggers en kooplui van velerlei kunne sinds lang fascineert. Begrijpelijk: wie het antwoord kent is in één klap schatrijk, oppermachtig en voor altijd gelukkig. Helaas (of eigenlijk: wat een opluchting) is geen mens ooit tot waarlijk voorspellen in staat geweest. Maar we blijven het proberen. Zo loopt begrip van het – wat hij noemt – enthousiasmevirus als een rode draad door het laatste boek van Jaap van Ginneken. Maar het door hem gegeven antwoord is steeds weer hetzelfde. We begrijpen het niet. Je neemt het waar, je kunt het niet ontkennen, je kunt de elementen ervan bij nader inzien analyseren, maar begrijpen, laat staan beheersen: nee!

Meten is weten, weten is voorspellen, voorspellen is beheersen. Aldus de aloude trits waaromheen het betoog van elke socio- of andere loog draait. Het loopt steeds weer vast. Toch geeft hij niet op. Dat doet zelfs Van Ginneken niet. Na een boek lang betoogd te hebben dat we voor een raadsel staan, wijst hij in het laatste hoofdstuk het internet toverkracht toe en schrijft: ‘We gaan een heel nieuw tijdperk binnen.’ Zeker na het lezen van zijn kleine tweehonderd pagina’s kan ik niet geloven dat hij het meent.

Ruim twintig jaar geleden introduceerde Richard Dawkins het begrip meme, de culturele variant van de gene. Het is afgeleid van het Griekse mimesis, imitatie. Zoals genen datgene is wat je via de biologische lijn krijgt en niet los kunt laten, zo pik je memen via de culturele lijn op en kun je die individueel evenmin ontlopen. Hoe hard we ook het tegendeel roepen, we zijn kuddedieren en doen c.q. denken wat onze kudde doet en denkt. Het enige waartoe sommigen van ons in staat zijn, is van kudde wisselen. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven: je zegt wat men zegt, je doet wat men doet. Het belangrijkste verschil tussen nu en vroeger ligt in de snelheid. Wat in de zestiende eeuw maanden duurde, duurt nu dagen, uren, soms zelfs niet meer dan een paar minuten: opeens denkt, zegt, vraagt, wil ‘iedereen’ hetzelfde.

Hiermee verplaatst zich de vraag: waarom denkt of doet de kudde nu eens dit, dan weer dat? Hegel sprak in dat verband van Zeitgeist, Ortega van creencia, Foucault van discours, Kuhn van paradigma. Ze bedoelden er allemaal net iets anders mee maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer. Zo ook de conclusie: het fenomeen bestaat, onmiskenbaar, maar we begrijpen er geen snars van.