Essay: De esthetische imperatief

Men kan niet kunstmatig genoeg zijn

We willen niet alleen mooi zíjn, we willen ook mooi leven. ‘Lelijkheid verkoopt slecht.’ De opdracht: het dagelijks bestaan zo attractief mogelijk maken – van mobieltje tot milieu, van kopje koffie tot kantoorgebouw. Met andere woorden: gij zult stileren!

Medium 12 07 12 2venus

Het is juli 1970 en over twee maanden wacht mij de militaire dienst. Onder een oude hoed van mijn vader draag ik een uit de legerdump afkomstig, groen gevechtsjasje, waarvan ik de beide schouderstukken heb voorzien van zes koperkleurige knoppen. Die zijn eveneens afkomstig uit het Nederlandse leger, waar een enkele knop per schouder volstaat om de rang van adjudant aan te geven. In deze outfit, die het midden houdt tussen die van een cowboy en een doorgedraaide militair, lift ik naar het Kralingse Bos in Rotterdam waar, een jaar na Woodstock, het legendarische Holland Pop Festival plaatsvindt. Mijn hart klopt vol verwachting in het vooruitzicht van optredens van Santana, The Byrds, Pink Floyd en Jefferson Airplane. Het stadspark is het decor voor een massa bloemenkinderen die zich naar hartenlust wensen over te geven aan Love, Peace and Music. Grace Slick zingt als eerste, gehuld in een aangename walm van marihuana, het fameuze White Rabbit.

Het festival bekroont een ontwikkeling die al snel na de Tweede Wereldoorlog was ingezet. Tegenover de lusteloosheid, de schraalheid en de verstikkingen van een conventionele ‘gevestigde orde’ werd de vitaliteit van een gretige jeugd in het geweer gebracht. De lange haren, de gigantische afrokapsels, de snorren en baarden, de zigeunerjurken, de exotische sieraden: het straalde allemaal grenzeloos verlangen uit naar muziek en dans, naar erotiek en genot. De rock-’n-roll en de rolling stone werden de trefzekere emblemen voor de vrije vlucht van jong en ongebonden leven. Het idee was dat onze aandriften in hun onbeteugelde, primitieve status alleen maar heilzaam konden zijn. De oorspronkelijke menselijke natuur bestaat louter uit positieve lust: erotische overvloed en creatieve liefde. Vrijheid was goed, beteugeling slecht. Fysieke taboes en schaamtegevoelens dienden daarom te verdwijnen, evenals formele regels in de opvoeding en het sociale verkeer. De bevrijding van de menselijke instincten vergde slechts het afwerpen van het juk van de kapitalistische cultuur. Arbeid en strijd zouden moeten wijken voor natuurlijke gemeenschapsvormen. Wij leken allemaal voorbestemd om de grondslagen van een ten dode opgeschreven maatschappij te vernietigen; wij zouden de wegbereiders zijn van een nieuwe samenleving.

Waar kwam dit idealisme vandaan? In het spoor van de jaren zestig waagde de toenmalige hoogleraar wijsgerige sociologie Reinier Beerling een interessante poging om het ideaal van de vrije menselijke natuur cultuurhistorisch te plaatsen. Hij publiceerde in 1977 een omvangrijke studie, waarin hij Rousseau presenteerde als de aartsvader van dit gedachtegoed (Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau: Studies over het thema pathos en nostalgie). Rousseau zou de eerste en de belangrijkste pleitbezorger zijn geweest van een terugkeer naar een samenleving die in overeenstemming was met wat de natuur van ons verlangt: de vrije ontplooiing van onbedorven gevoelens en emoties. De achttiende-eeuwse, door aristocratische luxe en verfijning beheerste hofcultuur vervulde Rousseau destijds met grote weerzin. Het hele beschavingsproces zag hij eigenlijk als een verderfelijke aandoening, als een verval van kracht. Cultuur betekende voor hem per definitie afdwaling, ontsporing en bederf. Met behulp van zijn machtige verbeeldingskracht moet de mens zich hiertegen verzetten om, als een tweede Schepper na God, een natuurlijker samenleving tot stand te brengen.

Tot op de dag van vandaag bestaat er weinig verschil van mening over de fundamenteel romantische inslag van de jaren zestig: zie het verlangen naar extase, zie de strijd van een tegencultuur tegen onnatuurlijke, repressieve conventies en zie de ambitie om als Prometheus de wereld volledig naar de hand van het eigen ideaal te zetten. Over de duurzame doorwerking van dit gedachtegoed bestaat eveneens consensus. Vanaf de jaren zeventig en tachtig is het publieke discours steeds persoonlijker en emotioneler geworden. Sinds het pandemonium van rouwbeklag dat in 1997 losbarstte rond de dood en de begrafenis van prinses Diana is de publieke aandacht voor vreugde en verdriet, geluk en rampspoed alleen nog maar gegroeid. We zijn gebiologeerd door het idee van spontane expressie en ontplooiing. Als het om gedragsregels gaat en om het slopen van taboes en schaamtegevoelens, lijkt de norm nog altijd dezelfde: de vrije emancipatie van onze natuurlijke impulsen en vermogens.

Mede naar aanleiding van Rousseau’s driehonderdste geboortejaar schreef de filosoof Maarten Doorman onlangs een boekje waarin hij opnieuw de vraag stelt naar de actualiteit van diens gedachtegoed (Rousseau en ik). In het alomtegenwoordige streven naar authenticiteit en echtheid ziet Doorman nog altijd de geest van Rousseau en diens romantisch idealisme rondwaren. De mens zou zich nog altijd niet thuis voelen in een moderne cultuur die wordt gedragen door met de natuur strijdige waarden. Deep down zou hij nog altijd intens verlangen naar de eenvoud en geborgenheid van natuurlijke verhoudingen.

De stellingen van Beerling en Doorman lijken plausibel, maar eigenlijk geloof ik er weinig van. Er is eerder sprake van een heel ander, niet-romantisch idealisme dat mij voor de emancipatie van onze samenleving veel relevanter lijkt. Want hoe ‘natuurlijk’ was ons gedrag destijds in het Kralingse Bos, waar de muzikale optredens ons veel meer interesseerden dan de groene bomen om ons heen of de zwanen op het water, achter de beide plasmolens? Hoe ver stond mijn campy gevechtsjasje niet af van een eenvoudige boerenkiel? En keiharde muziek van landelijke stilte? Het is zeer de vraag in hoeverre Rousseau zich in dit luidruchtige parkfeest had kunnen vinden. En had een 24-jarige Bob Dylan niet al vijf jaar eerder op legendarische wijze de vloer aangeveegd met het monopolie van sociaal bewogen en akoestisch uitgevoerde protestliedjes door op het Newport Folk Festival (1965), tot verbijstering van de folkies, plotseling over te schakelen op snoeiharde, elektronisch versterkte rock? In hetzelfde jaar brachten The Rolling Stones hun shockerende I Can’t Get No Satisfaction uit. Hoe natuurlijk en authentiek was dat nog? Appelleerde deze muziek niet veel meer aan de drijfkracht van troebele instincten dan aan mooie en zuivere idealen? Hoeveel hadden seks, drugs en rock-’n-roll nu werkelijk te maken met liefde, mystieke geestverruiming en verbeeldingskracht? Hoeveel idealisme kwam daarbij te pas?

In de decennia na 1970 werd steeds duidelijker dat de toenmalige realiteit waarschijnlijk een stuk prozaïscher was dan de ideologen en idealisten haar wensen voor te stellen. De tegencultuur van de sixties ging in rap tempo op in datgene waartegen zij zich juist zo met hand en tand had verzet: de kapitalistische consumptiecultuur. De expressieve babyboomer werd door de commercie hartelijk verwelkomd als de nieuwe Koning Klant. Popmuziek, dansfestivals en exotische mode bleven ruim beschikbaar, maar wel in de schappen van de gevestigde commerciële orde. The Rolling Stones werden schatrijk; zij sloten zich aan bij de internationale jetset en haalden zo meer ‘satisfaction’ binnen dan waarvan ze ooit gedroomd hadden. Kortom: de zo romantische jaren zestig lijken achteraf gereduceerd te moeten worden tot een kleurrijke episode in de opbouw van de naoorlogse welvaartsstaat.

Als we ons de afgelopen 150 jaar ergens bij hebben aangesloten, dan is dat eerder bij het realisme van Charles Darwin dan bij het idealisme van Rousseau. Halverwege de negentiende eeuw maakte Darwin de menselijke natuur radicaal los uit de klassieke (neoplatoonse), christelijke en romantische betekenisvelden, waarin zij eeuwenlang gevangen had gezeten. Waar Rousseau het voelende en het verbeeldende ik geïntroduceerd had als een revolutionair nieuw begrip van het menselijke subject, daar ontdekte Darwin dat de mens eerst en vooral lichaam was: een vergankelijk organisme dat vooral dankzij zijn instinctieve aandriften en zintuigen kan overleven. Bij Darwin maakt hooggestemd idealisme plaats voor wetenschappelijk getoonzet realisme.

Deze kanteling nam niet alleen bezit van het wetenschappelijke zelf­bewustzijn, ze drong ook diep door in de blik van schrijvers en kunstenaars. Velen van hen stortten zich vol overgave op de materiële huid van de dingen; op de tastbare realiteiten van het concrete leven. Al het hogere of verhevene van de voormalige ‘schone kunsten’ kwam in een kwade reuk te staan. De overtuiging groeide dat kunst geen hoger doel diende dan het creëren van niet-sentimentele, fysieke schoonheid. Het werd de artistieke ambitie van schilders als Cézanne, Monet, Gauguin en Van Gogh om zo dicht mogelijk bij de huid der dingen te blijven. Deze sterk zintuiglijke blik verspreidde zich gaandeweg ook over het moderne straatbeeld, waar de figuur van de flaneur een iconische betekenis kreeg. Hij is de wandelaar die de stad in gaat met geen ander doel dan de zintuiglijke ervaring. Langs de boulevards en in de winkelpassages van Parijs konden mode­bewuste dames en elegant geklede heren zich naar hartenlust wentelen in een sfeer van exquise luxe en seksuele ambiguïteit.

Een moderne esthetiek van het lichaam en van de zintuigen wist zich gaandeweg steeds verder te ontworstelen aan het romantisch-­idealistische erfgoed. Exemplarisch voor deze zich vrij vechtende levenshouding werd de dandy, die zowel in de straten van Londen als Parijs zijn opwachting maakte. Met zijn gestileerde, decadente leefstijl streefde hij naar een overwinning van het mooie op het lelijke, wat meestal synoniem bleek met een sterke voorkeur voor het kunstmatige boven het natuurlijke. Het natuurlijke zou van zichzelf alleen maar banaal en weerzinwekkend zijn. Het motto van Oscar Wilde, zo niet de eerste dan toch de beroemdste dandy, luidde dan ook: men kan niet kunstmatig genoeg zijn. Of, zoals J.-K. Huysmans het formuleerde in zijn befaamde A rebours: ‘De tijd is gekomen dat de natuur, waar het maar mogelijk is, door het artificiële vervangen moet worden.’

Waar het optreden van de elitaire dandy aanvankelijk nog in scherp contrast stond met de smakeloze bombast van de burgerman, daar brak zijn leefstijl tegen het einde van de negentiende eeuw steeds meer in op de conventies van de burgerlijke cultuur zelf. Het laat zich allemaal aflezen aan de stormachtige opkomst van de art nouveau na 1890. De moderne wereld werd gezien als een grote fysieke oppervlakte die erom vroeg bewerkt, getransformeerd en verfraaid te worden. Niet alleen binnenshuis, maar ook in de publieke ruimte werd rond 1900 deze herkenbare, nieuwe vormentaal alom dominant. In Brussel, Parijs, Wenen, Sint-Petersburg, Londen, Moskou en andere hoofdsteden: overal werd het stadsbeeld verrijkt met oogverblindende metrostations, horecagelegenheden en warenhuizen. In de etalages schitterde een nieuwe, verleidelijke wereld. De Moderne Tijd spreidde haar vleugels uit met dromen van luxe consumptie en commercie.

Onze eigen tijd heeft in veel opzichten de aansluiting gevonden bij deze zintuiglijke cultuur van het fin de siècle. Wat in de negentiende eeuw opkwam als een verlangen naar mooie en luxe vormgeving heeft zich in onze naoorlogse consumptiecultuur uitgebreid tot een veelvormig streven naar zintuiglijke ervaringen. De opdracht om het dagelijkse bestaan zo attractief mogelijk te maken is een vanzelfsprekend axioma geworden. Overal en altijd zien we wat door Virginia Postrel trefzeker de ‘esthetische imperatief’ is genoemd: de cosmetische toets van fysieke aantrekkelijkheid. Het gebod toont zich heel pregnant in de aandacht voor zoiets als lifestyle: de stilering van het dagelijks leven. Het is een opdracht die zich in eerste aanleg vooral betrekt op onze eigen lichamelijkheid. Lichamen moeten verzorgd en aantrekkelijk zijn: schoon en hygiënisch, gezond en fit, mooi en aangenaam. Wie te dik is, wie rookt of weinig of niets doet om zijn veroudering te vertragen dan wel te verhullen, wordt al gauw geconfronteerd met een vorm van sociale uitsluiting. Als de staat van het natuurlijke lichaam ons niet vrolijk stemt, grijpen we in. Uiterlijk is een aanschaf geworden.

Wat we van onszelf en van onze lichamen vergen, vragen we ook van onze leefomgeving. Aan het uiterlijk van de dingen wordt steeds meer zorg besteed. Overal is het besef doorgedrongen: ‘Lelijkheid verkoopt slecht’ (Raymond Loewy). Design en stijl zijn unique selling points geworden. Dat geldt niet alleen voor accessoires, verpakkingen en grafische producten, het geldt voor onze gehele leefruimte. Steeds meer winkels (zoals Apple, Ikea, Starbucks) bieden naast hun assortiment complete en materieel hoogwaardige omgevingen aan. In de architectuur viert een expressionistische inzet al jarenlang hoogtij: gebouwen en interieurs worden primair beoordeeld op hun affectieve waarde. Zelfs tot aan de buitenste cirkels van ons bestaan wordt deze lijn doorgetrokken. Het belang dat we hechten aan een schoon milieu en aan het behoud van een groen en ‘Mooi Nederland’ wordt immers niet alleen ingegeven door zorg voor natuurbehoud per se, maar vooral ook door het verlangen naar een aangenaam leefmilieu.

Binnen deze ontwikkeling zijn de begrippen ‘natuur’ en ‘natuurlijk’ steeds verder verdampt tot smaakopties waarvan de precieze betekenis volkomen diffuus (en dus historisch variabel) is geworden. We zijn er al lang achter dat we zelf helemaal geen vaste natuur of een echt, authentiek zelf hebben. Wie zich voorneemt spontaan te zijn is het eigenlijk al lang niet meer. Onze voorkeur gaat in feite uit naar een heel bepaald soort ‘natuurlijkheid’, zoals bijvoorbeeld de prettige, voorgeproduceerde spontaniteit van de sterren die schitteren aan het hemelgewelf van de moderne media. Denk aan de vlotte en innemende expressiviteit van Linda de Mol en Yvon Jaspers. Ook op andere terreinen zijn we vooral geporteerd voor gecultiveerde natuurlijkheid. Als het over eten gaat, dan zijn we voorstanders van natuurlijke ingrediënten, maar meer nog van geraffineerd bereide, smakelijke en liefst verrassende maaltijden. Per saldo blijken verfijning, plezier, comfort, spanning en avontuur stuk voor stuk hoger aangeschreven te staan dan natuurlijkheid.

‘Natuurlijkheid’ is gereduceerd tot een optie (een look) binnen een uitgebreid repertoire van modieuze lifestyles. Sterker nog: zogenaamde natuurlijkheid ruilen we maar al te graag in voor nadrukkelijke kunstmatigheid. Het is duidelijk dat de zondvloed van tatoeages, piercings, haarspoelingen en facelifts die dagelijks over ons heen slaat, nog maar weinig behoefte aan natuurlijkheid verraadt. Artiesten die zich voortdurend een andere identiteit aanmeten mogen zich in een grotere populariteit verheugen dan collega’s in geblokte houthakkersoverhemden die van hun zogenaamde authenticiteit hun handelsmerk hebben gemaakt. Cindy Sherman of Lady Gaga doet in ieder geval geen enkele moeite om het idee van echtheid aan te prijzen. Integendeel.

Kortom, de veronderstelde actualiteit van Rousseau berust op een misverstand. De door hem zo verafschuwde, decadente hofcultuur van Versailles staat veel dichter bij ons dan het natuurlijke landleven dat hem voor ogen stond. We moeten vaststellen dat het romantische ideaal van de natuurlijkheid zijn dominante plaats in feite heeft afgestaan aan de waarde van de zintuiglijke aantrekkelijkheid. Het ligt voor de hand dat dit niet-romantische, esthetische streven zichzelf niet als een ideaal presenteert. Idealisme wordt beschouwd als een streven van de geest en niet zozeer van het lichaam. Tegelijk zijn we nog altijd geneigd de geest hoger te schatten dan het lichaam, wat in het licht van ons christelijke en romantische erfgoed niet hoeft te verbazen. Ons aantoonbare verlangen om de wereld en onszelf in fysieke zin zo aantrekkelijk mogelijk te maken, ervaren we nog altijd als een wat oppervlakkige, zo niet banale preoccupatie.

Het gevolg is een merkwaardige spagaat. Terwijl we dag in, dag uit werken aan de uitbouw van een moderne, esthetische cultuur maken we ons tezelfdertijd flinke zorgen over de waarden van onze consumptiemaatschappij. Een samenleving die in toenemende mate beheerst wordt door ‘materialistische’ prioriteiten moet in de kern wel cynisch-hedonistisch, decadent en pathologisch zijn. Regelmatig verfoeien we daarom haar talloze perversies: de platvloerse verafgoding van objecten en lichamen, de panische angst voor lelijkheid en verval, de pornoficatie, het seksuele geweld, het consumentisme, het comazuipen, de zelfmutilaties, de obesitas, enzovoort. De teloorgang van klassieke christelijke en romantische waarden als opvoeding, vriendschap en liefde doen ons ernstig vrezen voor het behoud van gemeenschap en moraal. En wie of wat geven we daar bij voorkeur de schuld van? Anonieme partijen als de commercie, media en mode, die immers een groot belang hebben bij de groei en bloei van de esthetische imperatief.

Maar laten we onszelf niets wijsmaken: dagelijks dragen we er zelf aan bij dat elk beroep op collectief verankerde, vaste waarden steeds verder buiten ons bereik komt te liggen. Wij zijn zelf de ‘barbaren’ die al onze idealen tot de grond toe hebben afgebrand. Dat is ook de genadeloze hoofdstelling van Alessandro Baricco in zijn geruchtmakende boek De barbaren, (2010). Baricco laat overtuigend zien dat alle pogingen tot reanimatie van het romantisch erfgoed zinloos zijn geworden. ‘Als er één ding is dat de barbaren graag verpulveren zijn het wel de noties van authenticiteit en oorsprong.’ Een bittere pil, die ook voor Maarten Doorman in zijn genoemde boekje over Rousseau moeilijk te slikken blijkt. We have met the enemy and he is us (cartoonist Pogo).

Hoewel we bijna geen verweer meer lijken te hebben tegen deze conclusie denk ik toch dat er weinig reden tot wanhoop is. Mits we in staat zijn een groot deel van onze romantische veren af te schudden. Zo moeten er bij de vrees voor het verlies van gemeenschap en moraal vraagtekens worden geplaatst. In de communicatie via de moderne media, zoals tv en internet, vindt onophoudelijk een proces van afstemming plaats, dat wel degelijk tot zoiets als cultuur, gemeenschap en moraal leidt. Het betreft hier duidelijk geen gemeenschapsvorming in de klassiek romantische laat staan religieuze zin. Maar waar staat geschreven dat het in deze uitwisseling zou moeten gaan om de bevestiging van vaststaande identiteiten (zoals ‘onze’ Natuur, Cultuur, Moraal) dan wel het smeden van een diepe gemeenschapsband (‘Wij’)? Ik ben blij dat de zeshonderd Facebook-vrienden die ik zou kunnen hebben niet mijn echte vrienden hoeven zijn.

Waar we elkaar in religieuze en ideologische zin steeds verder kwijt lijken te raken, daar vinden we elkaar in ieder geval in een esthetische gemeenschapscultuur die gestalte krijgt rondom tv-programma’s, sociale media, films, elektronica, muziek, sport, games, consumptie, enzovoort. Sterker nog: in de ontplooiing van deze cultuur vindt zelfs een ware emancipatie plaats van ons fysieke bestaan. Onze lifestyle-competenties ontwikkelen zich immers aantoonbaar in de goede richting. Van jaar tot jaar worden maaltijden, films, concerten, games, objecten alleen maar smaakvoller en intelligenter. Platte kost krijgt op elk denkbaar terrein serieuze concurrentie van hoogwaardige kwaliteitsproducten. In de wereld van het (commerciële) design wordt de lat voortdurend hoger gelegd. Een ontwerp moet al lang niet meer alleen maar mooi en comfortabel zijn, maar dient ook duurzaam, interessant, spannend, verrassend te zijn. Steeds meer mensen maken zich waardevolle expertise eigen als het gaat over sport, muziek, kunst, mode, koken, wijn.

Ook over een desastreuze verloedering van de moraal hoeven we ons in dit verband geen zorgen te maken. Verbonden met de voortgaande esthetische emancipatie zien we ook het gewicht van ethische maatstaven toenemen. Een illustratief maar simpel voorbeeld biedt onze omgang met koffie. Ooit verlangden we van koffie alleen maar dat hij beschikbaar en lekker was. Daarna stelden we het ook op prijs dat hij aangenaam verpakt en in prettige designwinkels over de toonbank ging. Ondertussen zijn onze eisen verder opgeschroefd en verlangen we ook dat de koffie gebrand is in sociaal aanvaardbare omstandigheden en dat de bekertjes van milieuvriendelijk, duurzaam materiaal zijn. Niet alleen Starbucks prijst ons nu zo zijn koffie aan, ook het Nederlands Openluchtmuseum wijst nadrukkelijk op de milieuvriendelijke en sociaal verantwoorde branding van de in zijn restaurant geschonken koffie: ‘U drinkt een bijzonder kopje koffie.’ Illustratief is de expliciete toevoeging: ‘Ook dit vinden wij een vorm van smaak.’

Waarom zou een dergelijke ontwikkeling zich niet over onze gehele consumptieve cultuur kunnen verspreiden? Waar moderne gemeenschap en moraal zich vooral bottom-up en in tijdelijke gestaltes zullen ontplooien, hangt het antwoord meer dan ooit van onze eigen inzet af. Zo zal er onophoudelijke kritiek nodig zijn op de commercie, de media en de mode, die nog altijd de belangrijkste obstakels opwerpen voor een werkelijk vrije, esthetische oordeelsvorming. De (soms ernstige) ontsporingen die er onder het regime van de esthetische imperatief plaatsvinden, moeten niet weggepoetst worden, ook al vallen ze in het niet bij de degeneratie van romantische idealen die we ons uit de vorige eeuw nog herinneren.

Van groot belang ten slotte is een overtuigende ideologische onderbouwing van de gedachte dat het geloof in het hogere geen emancipatie van de geest vergt, maar van het lichaam. Daar wordt gelukkig hard aan gewerkt door eigentijdse denkers als Gilles Lipovetsky en Peter Sloterdijk. Zo roept Sloterdijk ons in zijn laatste boek, Je moet je leven veranderen, op om ons te richten naar het ethos van de klassieke atleet: luisteren naar de imperatief om onszelf voortdurend beter ‘in vorm’ te brengen.

Vanaf Darwin via de art nouveau tot en met de revolte van de jaren zestig is de opmars van de moderne esthetische cultuur steeds gepaard gegaan met een strijdvaardig afstand nemen van heersende conventies. Door deze cultuur opnieuw te voorzien van een stevige sociaal-kritische impuls zal in feite een rijke moderne traditie voortgezet kunnen worden. Daarmee winnen dus ook de jaren zestig weer aan actualiteit. Niet zozeer het vermeende romantische idealisme van die jaren, als wel de fysiek gevoelde noodzaak tot verzet, kritiek en emancipatie.