Collectieve euforie

‘Men was buiten zich zelven’

Volken barsten na een oorlog, dictatuur of epidemie soms uit in gezamenlijke vreugde. De Franse Revolutie, de roaring twenties, de bevrijding, de val van de Muur, de Arabische Lente. Het geluk kon niet op.

Fabrieksarbeiders staakten voor betere arbeidsvoorwaarden met als resultaat het akkoord van Matignon. Parijs, 14 juni 1936 © David Seymour / Magnum / ANP

Ruim een maand geleden, toen de coronamaatregelen eindelijk versoepeld werden en de zon doorbrak, wandelde ik voor het eerst in maanden weer eens door Amsterdam. De laatste keren had ik een stad gezien zoals nooit. Kaal, leeg, stil. Mooi, dat zeker. Maar ook triest. Nu was Amsterdam weer veranderd. Het was drukker maar niet zo druk als vroeger. Er was geluid maar minder dan voorheen. Mooi? Nee, niet echt. Bouwput. Triest? Dat evenmin. Anders. Dat vooral. Er was iets wat ik niet kende. Ik kon niet bedenken wat.

Enkele dagen later ging ik terug. Dat ‘iets’ fascineerde me. Urenlang liep ik rond, van het centrum naar het Amstelpark en terug, een grote boog. Ondertussen keek ik en keek. Zoals, denk ik, een antropoloog doet die door een vreemd dorp loopt. Dat had tot gevolg dat ik op den duur nog slechts op één ding lette. Ik had ‘het’, dacht ik, gevonden. Gezichten, in het bijzonder lippen en daarover een bepaalde trek. Ik kende die trek van foto’s, van televisie en een beetje uit de literatuur. Maar uit de praktijk had ik er nauwelijks of geen ervaring mee. Ik herinner me eigenlijk slechts één ander moment waarop die trek, geloof ik, alom zichtbaar was: 1988, halve finale Europees voetbalkampioenschap, de overwinning van Nederland op Duitsland.

Euforie. Collectieve euforie. Ontlading. Een alomtegenwoordig gevoel van geluk, althans de zichtbare uitstraling daarvan. Opluchting. Blijdschap. Het zijn momenten en gevoelens die iedereen kent. Individueel zijn ze dan ook niet bijzonder. Bijzonder zijn dergelijke momenten of gevoelens als ze door ‘iedereen’ tegelijkertijd ervaren worden. Je hoeft niet lang na te denken om te weten dat de geschiedenis er vol van is.

In ons geval ligt de verklaring voor de euforie voor de hand. We hebben simpelweg een k-jaar achter de rug. En daar kwam vervolgens ook nog eens een afschuwelijk voorjaar overheen. Men was het zat, spuugzat. Vandaar de blijheid toen de zon kwam en eindelijk het ene goede bericht op het andere volgde. Was de misère voorbij? Niemand die het wist, maar iedereen verwachtte het, dacht het, hoopte het, wilde het. Het leven kon weer beginnen.

De meest voor de hand liggende historische parallel ligt precies een eeuw achter ons, bij de zogenoemde roaring twenties. Die kwamen toen niet alleen een oorlog maar ook de Spaanse griep voorbij was. Leven kon weer. En dat gebeurde dan ook. Het barstte uit. Roaring inderdaad. Jazz. Dansen. Feesten. Met elkaar, door elkaar. Zuipen. Neuken. Lachen. Feest!

‘Op dit moment heeft de bevolking van New York alle remmen losgegooid’, schreef The New York Times in november 1918, ‘absolutely unrestrained, giving way to its emotions without any consideration of anything but the desire to express what it felt’. Het was nog slechts het begin. In hetzelfde nummer van de krant stond een bericht over ruim duizend nieuwe besmettingen en een kleine tweehonderd nieuwe doden ten gevolge van de Spaanse griep. Maar ook die ellende was spoedig voorbij. Een tijdperk van uitgelatenheid volgde. ‘The most expensive orgy in history’, zoals Scott Fitzgerald in 1931 in zijn essay Echoes of the Jazz Age schreef. ‘A whole race going hedonistic, deciding on pleasure.’

Het werd de afgelopen maanden herhaaldelijk gememoreerd: dat ook op ‘onze’ corona wellicht zoiets als een roaring twenties kunnen volgen. Onzin natuurlijk, we weten niet wat komt. En wat over die zogenoemde roaring twenties werd gezegd, om te beginnen door Scott Fitzgerald, is grotendeels een fabeltje.

Wat we wel weten is dat het na pijnlijke ervaringen zoals oorlog, dictatuur of epidemie steeds weer gebeurt dat een bevolking, althans een significant en vooral jonger deel daarvan, collectief in vreugde uitbarst. Voorbeelden te over. Helaas blijft het daarbij. Het thema is zelden beschreven en nauwelijks geanalyseerd. Dit in flagrante tegenstelling tot opstanden, revoluties en andere uitbarstingen van onvrede. Op basis daarvan zou je denken dat massa’s altijd boos, dreigend en gevaarlijk zijn, nooit vrolijk en vreugdevol. Ten onrechte. De associatie van massa en woede zegt vooral iets over degenen van wie zij afkomstig is. Bijna zonder uitzondering zijn dat figuren uit de elite: veelal geen feestneuzen en bovendien zijn ze altijd bevreesd voor een ‘opstand der horden’.

Van een Iraanse vriendin ken ik haar ervaringen na de val van de sjah. Die val bracht haar in een staat van euforie, ze ‘rook’ (haar woord) de vrijheid. ‘Iedereen was verliefd’, vertelde ze. ‘Op elkaar, op het leven. Iedereen was op straat. Er gebeurde zoiets als wat Afshin Ellian “ontmaagding” heeft genoemd. Iets wat je nog nooit hebt meegemaakt en ook nooit meer zult meemaken, nooit meer kunt meemaken. Een onbeschrijflijke, ongelooflijke ervaring.’

Eenzelfde ervaring is bekend uit verhalen over onze bevrijding. In mei 1945 barstte Nederland uit. Iedereen kent de beelden. Op straat wemelde het van de mensen. Overal lachende gezichten. Vlaggetjes. Hossen. Heel veel vrolijkheid. Utrecht bijvoorbeeld. Op de avond van de achtste mei werd op het Veemarktterrein gedanst op muziek van het 4e Bataljon van het Lincolnshire Regiment. Ook in het Wilhelminapark werd gedanst, evenals in het plantsoen van het Lucas Bolwerk en op het Janskerkhof. Daarbij vonden ongelooflijke taferelen plaats. Honderden veelal jonge mensen renden massaal van de ene kant van het veld naar de andere, en terug, en terug. Ze lachten, zongen, schreeuwden, pakten elkaars hand, vielen in elkaars armen. Het was een oertafereel zoals in Nederland sinds mensenheugenis niet was vertoond.

‘Men was buiten zich zelven, uitzinnig, overweldigd, verward’, schreef wetenschapsman Frits Buytendijk, die hetzelfde fenomeen elders in Nederland observeerde. ‘Het was, alsof een geweldige lading potentieel energie, een hoog opgevoerde spanning in kinetische energie werd omgezet. Zooals het water in zijn bedding vloeiend, voor een dam opgestuwd, bij het doorbreken van dezen tegenstand zich bruisend in wilden stroom uitstort en alles meevoert; zooals een golf in de branding zich hoog verheft en neerstort met geweld, zóó was het dynamisch beeld der overweldigende uitgelatenheid.’

‘Zooals een golf in de branding zich hoog verheft en neerstort met geweld, zóó was het dynamisch beeld der overweldigende uitgelatenheid’

De bekendste verwoording van de uitbarsting is ‘Niet te geloven’, van Remco Campert, uit de bundel Dit gebeurde overal (1962): ‘(…) en om mij heen/ grootse dronkenschap/ van de bevrijding:/ het water was whisky geworden.// Alles zoop en naaide,/ heel Europa was een groot matras/ en de hemel het plafond/ van een derderangshotel. (…)’

Het grootste aantal van dergelijke uitbarstingen kennen we uit de Parijse geschiedenis. Parijs is bij uitstek de stad van de doorbraak, te beginnen met die van 1789, Franse Revolutie, de oerknal van de moderniteit. Daarna volgden tal van naknalletjes, in 1830 onder meer, in 1848, 1871, 1936, 1944-45 en vanzelfsprekend 1968.

Het meest dichtbije moment van een collectieve Parijse euforie is dat laatste, mei ’68. ‘Nous étions dopés’, zeggen degenen die het hebben meegemaakt. Iedereen sprak met iedereen. Een wonder. ‘Dans la rue, la joie de vivre était collective’, de straat werd beheerst door een collectieve levenslust. Foto’s, slogans en filmbeelden getuigen van opstand en geweld, zeker. Maar ze getuigen net zo goed van plezier, durf, doorbraak, lust, verlangen, vrijheid: de verbeelding aan de macht; het verbod om te verbieden. ‘Tout est permis mais rien n’est possible’, alles is toegestaan maar niets is mogelijk. ‘Le rire de Mai’, het mei-lachen.

De oudere generatie, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en de hunnen, dachten in mei ’68 meteen terug aan de eigen doorbraak, augustus ’44. Zo vertelt historicus Adrien Dansette (die later overigens ook een boek over mei ’68 schreef) in zijn geschiedenis van de bevrijding van Parijs over het alomtegenwoordige gevoel van gemeenschap, communion. ‘Men leefde een droom die mooier was dan dromen’, schrijft hij, ‘een droom die men zich niet eens voor kan stellen.’ De vreugde was zo groot, vertelt hij ook, dat te midden van de opwinding geld zijn waarde verloor. Zelfs Charles de Gaulle liet zich meeslepen en riep in zijn eerste radiotoespraak dat hij er niets voor voelde om zijn emoties te verbergen. ‘Waarom zouden wij verhullen wat ons beheerst. Wat we nu beleven gaat ons leven, ons armzalig leven, ver te boven.’ Tot slot, uit velen, Simone de Beauvoir in La force des choses: ‘Dag en nacht met onze vrienden, praten, drinken, slenteren, lachen. Zo vierden we onze bevrijding. En iedereen die hetzelfde deed, dichtbij of ver weg, werd onze vriend. Wat een orgie van broederschap!’

Bevrijdingsfeest, Amsterdam, 1945 © Carel Blazer / MAI

De iets ouderen herinnerden zich op dat moment en wellicht in mei ’68 nog altijd dat ze zoiets al eens eerder hadden meegemaakt: ’36, ‘esprit de ‘36’, het Volksfront, mei-juni (alweer deze maanden trouwens, zouden dergelijke geluksuitbarstingen ook iets met het weer te maken hebben?). De ontroerende en sterk betrokken Simone Weil sprak over de enorme vreugde onder fabrieksarbeiders. ‘Na jaren van buigen, lijden, alles in stilte aanvaarden, en dat maand na maand, jaar na jaar, hadden zij eindelijk de durf rechtop te staan, zich uit te spreken, mens te voelen.’

Bertrand de Jouvenel, eveneens filosoof maar uit heel ander hout gesneden, bezocht drie dagen lang fabriek na fabriek en overal zag, voelde en ervoer hij de ontlading. ‘Jean-Jacques Rousseau had gelijk’, schreef hij. ‘Niets maakt mensen vrolijker dan een ontsnapping aan verveling en routine.’

Louis Bodin en Jean Touchard vatten in hun belangrijke boek over het Volksfront uit 1961 de sfeer van destijds samen als ‘broederschap, solidariteit, hoop, de grote illusie van geluk en vrede’. Dit alles, stellen zij, ervoeren honderden duizenden op hetzelfde moment. Literatuur en film hebben er sindsdien steeds weer van getuigd. In hetzelfde boek, Front Populaire 1936, maken de twee een vergelijking tussen 1936 en 1848, ook alweer zo’n moment dat Parijs uitbarstte. Maar ze hadden ook een ander moment kunnen kiezen: 1871 bijvoorbeeld, de Parijse Commune, van maart tot eind mei. ‘Een groot festival’, schrijft historicus Henri Lefebvre in zijn geschiedenis van de beginfase daarvan. ‘Een groot stedelijk voorjaarsfeest, een feest van de kanslozen en de proletariërs, een revolutionair feest en een feest van de revolutie, niets dan feest, het grootste van de moderne tijd.’

‘Wat een dag’, schreef Commune-lid, journalist en activist Jules Vallès over de verkiezingen van maart 1871, en hij vervolgt met een beschrijving waar de schoonheid van afdruipt. Zo heeft hij het over het revolutionaire geroezemoes dat door de stad stroomt, ‘rustig en bekoorlijk als een blauwe rivier’. ‘Omarm me, kameraad’, vervolgt hij, ‘wij beiden met onze grijze haren. En jij kleine, jij die achter de barricaden zit te knikkeren, kom ook jij in mijn armen.’ Vallès’ extase is dermate dat hij later beweerde op dat moment van wederopstanding het liefst te zijn gestorven.

Naarmate we dichter bij de Romantiek komen, zijn de termen waarin de collectieve euforie beschreven wordt geëxalteerder. Het is daarom niet onverstandig om met betrekking tot 1848 vooral te luisteren naar de enkelen die het hoofd koel hielden. Gustave Flaubert onder meer, en Alexis de Tocqueville. Beiden waren overigens ook tegenstander van de toenmalige revolutie. Flaubert beschrijft de collectieve extase uitvoerig in De leerschool der liefde; Tocqueville memoreert haar in zijn herinneringen. ‘Over de te volgen weg [die van de vrijheid] bestaat geen misverstand meer. We kunnen hem bij helder daglicht bewandelen. Daarbij worden we door de massa gesteund en aangemoedigd.’

Om het rijtje af te maken zou je vervolgens nog terug moeten gaan naar 1789, het oermoment van moderne collectieve extase, maar dat wordt wellicht wat veel van het goede. Beter is het daarom nog even in eigen tijd te kijken, naar de reacties op de val van de Muur en die van dictators als Ceausescu en Saddam, naar de Arabische Lente of naar een van de vele opstanden die in de afgelopen decennia in Oost-Europa (bijvoorbeeld de Oranjerevolutie in Oekraïne), Zuidoost-Azië en elders hebben plaatsgevonden. Ook die vertellen elke keer hetzelfde, althans over de beginfase – de vreugde eindigt immers veelal in desillusie, maar dat is een ander verhaal.

Onderzoek naar collectieve vreugde in tegenstelling tot dat naar collectieve woede is schaars. Helemaal als die ­vreugde de politiek betreft

Wie heeft bijvoorbeeld de beelden van de val van de Muur niet meer voor ogen? Al die mensen, al dat lachen, de omarmingen. ‘Ein unfassbares deutsches Glück’, zoals een Duitse onderzoekster een artikel over de herinnering daaraan betitelt. Uit duizenden één foto: van een jonge man die aan een naambord bij de Brandenburger Tor hangt, in de linkerhand Bild met op de voorpagina een grote kop: ‘Geschafft! Die Mauer ist offen’. Toch is dat niet het aantrekkelijkste aan de foto: dat is de lach van de geportretteerde, die lach reikt tot de navel en is zo oer dat hij onvermijdelijk een tegenlach oproept. Het was die lach, in het klein, die ik begin juni ook in Amsterdam zag.

Zo mogelijk nog mooier is een foto die in 2011 in Egypte werd genomen, welhaast zeker ergens begin februari op het Tahrirplein. Je ziet een mensenmassa. Vlaggen, lachen, cameraatjes, vuisten. Maar boven alles en iedereen uit zie je een jonge man, hij zit vermoedelijk op de schouders van een vriend. Boven zijn hoofd de Egyptische vlag, hij houdt hem tussen zijn wijd gespreide armen. Maar het mooiste, opnieuw, is het gezicht: de man houdt de ogen gesloten, heeft de mond wijd open, in een kreet, zucht of uitbarsting van ongekende gelukzaligheid.

Helemaal tot slot nog een klein, recent voorbeeld: de uitbarsting na de verkiezing van Joe Biden of eigenlijk de val van Donald Trump. ‘Euphoria floods city streets across US’ of iets in die trant stond in zo goed als alle kranten, wereldwijd. En ook hier weer talloze foto’s van gelukzalige gezichten.

Tot zover de feiten. Ze bewijzen één ding, denk ik: dat collectieve euforie een oerverschijnsel is, van alle tijden en van alle mensen. Dat zij vóór de Franse Revolutie minder vaak voorkwam dan daarna, is eenvoudig te begrijpen: vrijmaking en vrijheid behoren pas sindsdien tot de mogelijkheden, daarvoor was dat niet of nauwelijks het geval.

Blijft de vraag wat er op zo’n moment eigenlijk gebeurt, waarom, hoe het tot stand komt, wat het zegt en hoe het beoordeeld moet worden (als dat moet). Eenvoudig is zo’n inschatting niet omdat onderzoek naar collectieve vreugde in tegenstelling tot dat naar collectieve woede, zoals gezegd, schaars is. Dit is temeer het geval als die vreugde de politiek betreft. Van andere vormen van vreugde weten we meer. Carnaval bijvoorbeeld is uitentreuren onderzocht. Kermissen, processies, volksfeesten, dansfestijnen: onderzoek te over. In al deze gevallen gaat het om een tijdelijke pauze in de tijd, een pauze ook in een leven van werken, tobben, afzien. Eventjes rust. Even de wereld op zijn kop. Maar daarna weer door.

Dat is evenwel niet waar het hier om gaat. Bij genoemde uitbarstingen gaat het om een scheidslijn die op het moment van vreugde geacht wordt definitief te zijn (maar dat, nogmaals, zelden is). Het is waar dat zo’n definitieve overgang ook weleens dreigt op momenten van tijdelijke vreugde, tijdens het carnaval bijvoorbeeld of op een kermis. Vandaar dat elites zich vanouds ook daartegen gekeerd hebben. ‘Terwijl [oppergod en god van de orde] Apollo grenzen trekt probeert zijn tegenvoeter Dionysus die te doorbreken’, stelt classicus Charles Segal in een zinsnede die op alle culturen en alle tijden van toepassing lijkt.

De Amerikaanse journaliste Barbara Ehrenreich citeert hem in Dancing in the Streets: A History of Collective Joy en verklaart daarmee ook de uiteindelijke overwinning in de westerse cultuur van de puriteinen op de libertijnen, van, zoals zij het zegt, Pentheus (de mythische koning van Thebe die zich verzette tegen de Dionysus-cultus) op Dionysus. Collectieve vreugde, schrijft zij, is gemarginaliseerd tot de afgelegen plekken waar de armen samenkomen, tot jeugdhonken en steegjes. ‘But the very source of this joy – other people, including strangers – no longer holds much appeal’, vervolgt ze. ‘In today’s world, other people have become an obstacle.’ Daarom hebben wij andere vormen van vreugde gezocht, in onszelf, met onszelf: vermaak, spektakel en bovenal consumptie. ‘There is no powerful faction in our divided world committed to upholding the glories of the feast and dance.’

Ik weet niet of dit waar is, maar zelfs als het zo is, dan nog valt niet te voorkomen dat ‘het’ eens in de zoveel tijd op een of andere plek toch weer uitbarst. Ehrenreich heeft de neiging daarbij de klemtoon louter te leggen op het sociale aspect: de uitbarsting draait om samenzijn, zeg om massa of de potentiële vorming daarvan. Hiërarchie leidt tot exclusie, stelt zij, vreugde tot inclusie. Het kenmerk van collectieve vreugde is collectieve ervaring en die staat in principe los van aanleiding of doel.

Daarom eindigt zij haar boek met een ervaring op het strand van Rio de Janeiro waar een groepje mensen van een sambaschool aan het oefenen is. De aanblik daarvan was blijkbaar dermate aantrekkelijk dat mensen als vanzelf mee gingen doen. ‘There was no “point” to it’, schrijft Ehrenreich in de laatste regels van haar boek, ‘no religious overtones, ideological message, or money to be made – just the chance.’ Vervolgens eindigt ze met de moraal, ‘which we need much more of on this crowded planet, to acknowledge the miracle of our simultaneous existence with some sort of celebration’. Maar dat is dus niet echt waar het hier om gaat. Dat is zelden beschreven en indien wel, veelal in welhaast mystieke termen van collectief opgaan, samengaan en roes.

Een andere en in dit geval passender klemtoon wordt gelegd in een veel minder bekend boek: Communitas: The Anthropology of Collective Joy van Edith Turner. Zij is de weduwe van de lang gestorven Victor Turner. Hij, van oorsprong Schots, werkte aan de universiteit van Chicago en werd bekend door zijn theorie van wat wel liminaliteit wordt genoemd, van het Latijnse woord limen, drempel. Turner had het fenomeen opgepikt bij de half-Nederlandse maar grotendeels Franstalige antropoloog Arnold van Gennep die in 1902 een beroemd boek over overgangsriten publiceerde. Daarbij doelde hij vooral op persoonlijke momenten als geboorte, dood, huwelijk, besnijdenis, menstruatie, menopauze. Maar dergelijke momenten kunnen ook collectief ervaren worden – sociaal, cultureel, politiek.

Dat is wél waar het hier om gaat: een roes die weliswaar op zichzelf lijkt te staan, maar die feitelijk politieke of maatschappelijke achtergronden en/of effecten heeft en daarmee een breuk aangeeft. In kleinschalige samenlevingen is en in het verleden was zo’n breuk uitzonderlijk. In de moderne massasamenleving daarentegen is hij welhaast voortdurend. Maar ook daar zijn blijkbaar dus nog momenten die collectief als uitzonderlijk worden ervaren. De huidige vreugde over het veronderstelde einde van de coronacrisis is zo’n moment. Dat de uitbarsting tot op heden gematigd is gebleven kan vele redenen hebben: twijfel over de vraag of de ellende voorbij is; het gevoel dat de crisis meeviel; gewenning aan permanente verandering; individualisering en dus het onvermogen tot collectieve uiting.

Naast de bijna mystieke ervaring van een breuk of scheidslijn valt bij momenten van collectieve vreugde nog iets op. Dat is de creativiteit waarmee een en ander gepaard gaat: de enkeling die in de overgang tussen twee fases niet alleen ruimte en mogelijkheden ervaart, ja zelfs visioenen ziet, maar die ook de gelegenheid krijgt zich te uiten en zijn ideeën of idealen in praktijk te brengen. Dergelijke situaties doen zich voor op alle gebied, intellectueel, artistiek, levenskunstig. Precies dit verklaart ook, denk ik, waarom breukvlakken of paradigmawisselingen in de geschiedschrijving wél altijd zoveel aandacht gekregen hebben. Zij zijn immers de momenten dat ‘het’ gebeurt en dat (in het zeldzame geval van succes althans) de toekomst vormgegeven wordt.

Je zou het met kennis van een beroemd en veelbesproken kunsthistorisch voorbeeld, de Angelus Novus van Paul Klee, ook anders kunnen zeggen. Klee maakte deze kleine schets enkele jaren na de Eerste Wereldoorlog. Dat verklaart wellicht dat hij, met name met gebruikmaking van een bekende passage uit het werk van Walter Benjamin, veelal als apocalyptisch wordt omschreven. Volgens mij (en ik ben niet de enige) is dat een verkeerde interpretatie. Apocalyps, leed, verdriet, oorlog, dictatuur, epidemie of andere ellende is inderdaad waar deze engel op terugkijkt. Sterker nog: de ellende heeft hem verwrongen. Maar toch of misschien wel juist daarom steekt hij zijn armen omhoog, lacht, danst, grapt.

Het is daarom van een buitengewoon fraaie symboliek dat deze tekening van een bovenaards wezen een lange reis maakte tussen de grote steden van de moderniteit (Berlijn, Parijs, New York, Jeruzalem) en achtereenvolgens in bezit was van personen die het progressieve denken ingrijpend hebben vormgegeven (Walter Benjamin, Gershom Scholem, Georges Bataille, Theodor Adorno). Tijdens die reis en dankzij die personen groeide de tekening vervolgens uit tot zoiets als een schets voor het leven: optimisme als morele plicht, de lach die uiteindelijk alles overwint.