Honderd jaar Mexicaanse Revolutie

‘Meneer de president, verzin ons een verleden’

Een eeuw geleden begon in Mexico de Revolutie. Ze duurt nog steeds voort. Wat zijn de Mexicanen ermee opgeschoten? Vooralsnog weinig. Het wordt tijd om de Revolutie voor eens en altijd af te maken.

IN MEXICO-STAD bestaan 160 straten die de naam Emiliano Zapata dragen. Zelfs voor een van de grootste steden van de wereld, waar anderhalf keer zoveel mensen wonen als in heel Nederland, doet dat overdreven aan. De Mexicanen zien de overdrijving niet. Zapata was de voornaamste held van de Mexicaanse Revolutie (1910-1917), en in de honderd jaar die zijn verstreken sinds het losbranden daarvan is hij altijd een nationale heilige, een icoon gebleven. Dus heeft elke wijk in de megastad, net als elke wijk in elke andere stad en elk dorp in het land, recht op een straat met zijn naam.
En Zapata is niet alleen. De hoofdstad van Mexico telt 124 straten die vernoemd zijn naar Francisco Madero, 86 straten die Francisco Villa heten, 68 straten met de naam Venustiano Carranza en 42 Álvaro Obregón-straten. Dat betekent een totaal van 480 straten in één stad gewijd aan de vijf hoofdrolspelers van de Revolutie. Niemand kan zeggen dat Mexico zijn helden niet eert.
De vijf hebben nog iets anders gemeen. Zij zijn stuk voor stuk vermoord: Madero in 1913, Zapata in 1919, Carranza in 1920, Francisco ‘Pancho’ Villa in 1923, en Obregón in 1928. Mexicaanse helden zijn vrijwel zonder uitzondering figuren met wie het slecht is afgelopen.
Kan een revolutie honderd jaar duren? Nee, natuurlijk niet. Maar dat wil nog niet zeggen dat politici niet honderd jaar lang kunnen volhouden dat de revolutie nog altijd gaande is. Twee van de drie grote politieke partijen van Mexico houden in hun naam het vuur van de opstand levend: de Partij van de Institutionele Revolutie (PRI) en de Partij van de Democratische Revolutie (PRD). Op 20 november vierde het land met optochten, parades en lichtshows de Centenario, oftewel de honderdste verjaardag van het begin van de Mexicaanse Revolutie. Natuurlijk ontbrak niet de plechtigheid aan de voet van het Monument voor de Revolutie in de hoofdstad, dat voor de gelegenheid voor ruim twintig miljoen euro was opgeknapt.
De Mexicaanse Revolutie was de eerste grote sociale revolutie van de twintigste eeuw, en tevens de eerste revolutie die tot in detail is vastgelegd op foto- en filmbeelden. Aan dat laatste is de bijnaam 'de romantische revolutie’ te danken. De enorme uitbarsting van opstanden, tegenopstanden, verraad, geweld en wreedheden was begonnen als een actie om dictator Porfirio Díaz af te zetten, maar ontaard in een onafgebroken reeks fractietwisten, waarin de grote mannen een voor een probeerden de anarchie aan te wenden voor een opstapje naar het presidentschap van de republiek. Wat voor ogen komt bij de Mexicaanse Revolutie is het beeld dat wel omschreven wordt als de enige waarheidsgetrouwe getuigenis en dat geschapen is door één enkele man: Agustín Víctor Casasola, de eerste reportagefotograaf van Latijns-Amerika. Emiliano Zapata, de boerenleider en volksheld, poserend op zijn paard. Álvaro en Mayo, de peuterzoontjes van generaal Álvero Obregón, in militaire uniformpjes. De soldaderas (marketentsters), de vrouwen met hun lange rokken die met hun mannen meereisden op de stoomtreinen naar de zich steeds verplaatsende fronten. Een grijnzende man die een laatste sigaartje rookt voor de muur waar hij even later zal worden geëxecuteerd. De troepen van generaal Huerta met hun enorme ronde hoeden als een kudde van een merkwaardige soort. De feestelijke intocht in Mexico-Stad van de generaals Pancho Villa en Emiliano Zapata. De bandiet-generaal Pancho Villa triomfantelijk gezeten op de Adelaarszetel, de troon van de president van Mexico.
Het werk van Casasola is het gezicht van de Mexicaanse Revolutie. Niet alleen door zijn foto’s van de mensen die daarin een kleine of grote rol speelden, maar vooral door de zweem van romantiek die nog altijd over het geweld van die periode ligt. De Revolutie kostte een miljoen Mexicanen het leven, maar op Casasola’s foto’s ademen wapengekletter, executies en lijken in al hun gruwelijkheid een merkwaardige kalmte en sfeervolheid uit. De foto’s hebben ongetwijfeld ook hun directe invloed gehad op de meningsvorming in die tijd. Casasola heeft door zijn portretten van Zapata de revolutionaire held het aureool van bijna-heiligheid gegeven dat hij nog altijd heeft in Mexico. En met het op beeld vastleggen van het lijk van Zapata, direct nadat hij in 1919 gevallen was onder moordenaarshanden, creëerde Casasola onbewust het symbool van de vermoorde revolutie.
Zapata was de mooiste, de populairste en de meest romantische van de revolutionaire helden. Zijn slogan 'Tierra y libertad!’ (Grond en vrijheid!), voor de landloze boeren de essentie van de revolutie, bleek echter onsterfelijk, al was het maar omdat het er nooit van gekomen is. Onvermijdelijk blijft de naam Zapata opduiken, zoals halverwege de jaren negentig toen het indiaanse opstandelingenleger van subcomandante Marcos in de zuidelijke staat Chiapas zich de naam zapatista aanmat. Viva Zapata! is niet alleen een film met Marlon Brando, het is ook een leus die de tand des tijds doorstaat en onverslijtbaar goed blijft voor elke demonstratie in Mexico. Viva Zapata!, of misschien beter Zapata vive!: Leve Zapata! of Zapata leeft!

DE MEESTE van de duizenden foto’s van Casasola belandden rechtstreeks in zijn archief en zijn er pas een halve eeuw later weer uit gekomen. Vandaag de dag kun je afdrukken ervan op elke straathoek in Mexico kopen. Ze worden niet alleen gewaardeerd om hun onschatbare historische waarde, maar ook als een soort politieke bidprenten en vooral ook als kunstwerken, vergelijkbaar met de muurschilderingen van 'revolutionaire’ kunstenaars als David Siqueiros, José Clemente Orozco en Diego Rivera. Zeker is dat zij dezelfde elementen uit de Revolutie lichtten. Zoals de soldaderas, die de ware revolutionairen zijn in de beelden van Casasola, de muurschilderingen van Orozco en zelfs in Eisensteins onvoltooide film Qué viva México!
De Revolutie brak twee maanden na de viering van de honderdste verjaardag van Mexico’s onafhankelijkheid uit. De ongelijkheid was zo enorm tussen het handjevol dat steeds rijker werd - waaronder de katholieke kerk, de rijkste van allemaal - en het groeiende aantal armen, dat een uitbarsting niet kon uitblijven. De negentiende eeuw in Mexico, de eerste eeuw na het losmaken van het Spaans imperium, was een aaneenschakeling van mislukkingen geweest. Het land werd in 1846 bezet door het leger van de Verenigde Staten, die vervolgens een derde van het Mexicaanse grondgebied voorgoed inlijfden. Hetzelfde gebied waar nu door de nakomelingen van Europese immigranten op illegale Mexicanen wordt gejaagd. 'We did not cross the border. The border crossed us’, antwoorden de laatsten. In 1862 volgde de invasie van een Europese troepenmacht met als resultaat dat Mexico zich zelfs vier jaar lang de Oostenrijkse prins Maximilian von Habsburg als keizer moest laten welgevallen. Na een kort liberaal intermezzo greep generaal Porfirio Díaz in 1876 de macht en stelde een dictatuur in die meer dan dertig jaar zou standhouden.
De lange dictatuur leidde tot de verpaupering van de grote massa van de Mexicanen. Pas in 1910 besliste de dictator eindelijk dat de tijd rijp was voor democratie en het organiseren van verkiezingen. Toen die gewonnen dreigden te worden door oppositiekandidaat Francisco Madero liet Díaz hem arresteren en riep zichzelf uit tot winnaar. De verkiezingsproblemen in Mexico dateren dus niet van gisteren.
Het betekende het begin van de Mexicaanse Revolutie. Madero riep op tot de gewapende strijd en vier leiders gaven gehoor aan die oproep: Álvaro Obregón, die de plattelandsmiddenklasse aanvoerde; Francisco 'Pancho’ Villa, die een regiment van veeboeren en 'cowboys’ formeerde; Venustiano Carranza, die de grootgrondbezitters vertegenwoordigde, en Emilio Zapata, die een leger van indianen en landarbeiders op de been bracht. Op 24 mei 1911 trad Porfirio Díaz af, en een week later nam hij de stoomboot naar Frankrijk, waar hij in ballingschap ging en stierf.
Wat volgde was een bloedige machtsstrijd, een reeks staatsgrepen en politieke moorden waarbij alle kopstukken van de revolutie een voor een om het leven werden gebracht. De radicalen Zapata en Villa legden het in laatste instantie af tegen de gematigde bourgeoisie onder aanvoering van Obregón en Carranza. Obregón kwam aan de macht in 1920 en haalde zich met zijn seculier beleid de woede op de hals van de katholieke kerk, die hem de oorlog verklaarde: de Guerra Cristera. De president werd in 1928 vermoord door een katholieke fanaat. Zijn opvolger was Plutarco Elías Calles, een generaal die meende dat de revolutie vereeuwigd moest worden in de instituties en met dat doel in 1929 de Partido Nacional Revolucionario oprichtte. Het was de bedoeling dat de generaals van de Revolutie zouden ophouden elkaar af te slachten en voortaan het presidentschap en de macht bij toerbeurt zouden verdelen. De partij zou tien jaar later worden omgedoopt in Partido de la Revolución Institucional (PRI) die tot 2000 ononderbroken aan de macht zou blijven. De twintigste eeuw in Mexico was de eeuw van de Revolutie en de eeuw van de PRI.
De 'geïnstitutionaliseerde revolutie’ is een contradictio in terminis van het soort waar de Mexicanen patent op hebben. Het in naam van de Mexicaanse Revolutie gevestigde bewind van de PRI overleefde de Franco-dictatuur in Spanje, de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, de Kwo Min Tang. De PRI met haar machtsmonopolie van 71 jaar is vaak vergeleken met de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, ondanks haar door de jaren heen steeds rechtsere ideologie. De schijn van democratie die Mexico al die jaren ophield verleidde de schrijver Mario Vargas Llosa ooit tot de kwalificatie 'de perfecte dictatuur’. Net als de CP in de Sovjet-Unie was de PRI omnipresent, geen gehucht zo ver of klein of er was een partijkantoor.
'De PRI kwam net als de Communistische Partij voort uit de gewapende revolutie, uit politiek geweld’, stelt de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. 'En het lichaam geboren uit de revolutie wordt gelegitimeerd door de revolutie. De zin van de PRI was in essentie tweevoudig. Aan de ene kant was de partij bedoeld om de militaire leiders onder de duim te houden, en de overvloed aan facties en privé-legers, gegroeid door de revolutie, allemaal onder één politiek commando te brengen, dat van de president van de republiek. Tegelijk was de PRI intern in Mexico het gemeenschappelijk front tegen de Mexicaanse reactionairen, de cristeros, die in naam van Christus Koning een bloedige kruistocht begonnen, als de landeigenaren hun grond niet wilden afstaan. En naar buiten toe een front tegen de Verenigde Staten, die er alles voor over hadden om te voorkomen dat de Mexicaanse wetten op de landhervorming en de nationalisatie van de natuurlijke hulpbronnen werden uitgevoerd.’
Misschien ligt de belangrijkste verworvenheid van de Mexicaanse Revolutie op cultureel gebied, meent Fuentes: 'De revolutie onthulde het ware gezicht van Mexico. Wij beseften eindelijk dat wij inheemse wortels hadden, een eigen cultuur die van heel lang geleden stamde, van het begin van de inheemse culturen in Amerika. Een land dat essentieel mestizo was, een vermenging van culturen, maar dat heel erg van zichzelf gescheiden was door het geografische karakter van hoge bergen, afgronden, woestijnen. Karel V vroeg aan Hernán Cortés toen die terugkwam van de verovering van Mexico: hoe is dat land van de Azteken? Cortés nam een vel perkament, verfrommelde het en legde de prop voor de keizer op tafel: “Dat is Mexico.” Ontoegankelijk, moeilijk.
De revolutie had tot gevolg dat het land zichzelf leerde kennen, dat wij Mexicanen elkaar leerden kennen. Die grote epische tochten van Pancho Villa vanuit het noorden van Mexico, Obregón vanuit het zuiden, en van Zapata, slechtten de barrières die het gebrek aan kennis van de Mexicanen in stand hielden. Dat is een kardinaal gegeven, pas dan kun je begrijpen waarom uit de Revolutie een zo sterke cultuur te voorschijn kwam, in de beeldende kunst, de literatuur, de muziek, de film, de architectuur: wij creëerden die cultuur omdat we ontdekten dat het verleden levend was.’
José Luis Trueba, auteur van Leven en dood in tijden van de Revolutie, steunt Fuentes in de visie van de Revolutie als de basis van de moderne Mexicaanse cultuur: 'Het was moeilijk na de verschrikkingen van het slagveld een postrevolutionaire god te creëren. Wat uiteindelijk van bovenaf gecreëerd werd en tegelijk spontaan ontstond was een reality van mythen en symbolen die alomaanwezig was en in elk geval de Mexicaanse cultuur volledig veranderde.
Emiliano Zapata was een goed hulpmiddel bij de constructie van de postrevolutionaire religie. De knappe en elegante indiaan speelt een hoofdrol in de muurschilderingen, naast de koene arbeiders en boeren: een visuele belofte die de nieuwe instituties zich aanmaten om “de Mexicaanse identiteit” vorm te geven. Het muralisme dat zich verspreidde over het hele land en Mexico bekendheid in de wereld gaf, was bedoeld om de mythen binnen het gezichtsveld van de bevolking te brengen en te houden.’
Kortom, Zapata en Villa waren niet langer personen maar kunstwerken.

POLITIEK GEZIEN is de Mexicaanse Revolutie al heel lang geleden verworden tot een leeg cliché dat niettemin te pas en te onpas aan de bevolking wordt gepresenteerd als een soort ontwikkelingsprogramma. 'De revolutionaire symbolen dienen nergens meer toe, zijn uitgeput’, aldus Trueba. 'Misschien moeten we ons een verleden verzinnen. Meneer de president, verzin ons een verleden, maar wel een dat we kunnen geloven.’
Tijdens de dictatuur van Porfirio Díaz werd arm zijn vooral gezien als een kwestie van slechte smaak. De Revolutie moest de arme zijn waardigheid geven. Zij zou hem niet rijk maken, maar waardig. Ernesto Che Guevara repte vele jaren later van 'de Nieuwe Mens’, die de Cubaanse revolutie zou gaan genereren. De Mexicaanse Revolutie creëerde de 'nieuwe arme’. Die had nog net zo weinig te verteren of in de melk te brokkelen als voorheen, maar werd niet langer afgeschilderd als een leproos. Algo es algo, zeggen de Mexicanen gelaten: beter iets dan niets.
Wat zijn de Mexicanen opgeschoten met hun Revolutie? Bijster weinig, schreef de krant El Universal in een hoofdredactioneel artikel ter gelegenheid van de honderdste verjaardag: 'Democratie en sociale rechtvaardigheid, de twee belangrijkste eisen van de revolutionaire beweging die begon in 1910, zijn helaas nog steeds twee grote niet vervulde kwesties op de nationale agenda, hoewel de afgelopen honderd jaar alle regeringen van dienst hebben verkondigd dat het land op de goede weg is, op de weg omhoog. Politiek en democratisch gezien leefden we zeventig jaar in obscurantisme, tot in 2000 de alternantie kwam. Maar de toen verworven democratie wordt constant bedreigd (zoals al bleek bij de frauduleuze verkiezingen van 2006). Economisch gezien is het panorama nog treuriger.’
De krant concludeerde: 'De sociale vrede wordt bedreigd, zowel door latente sociale ontevredenheid als door misdadige groepen die zich boven de staat hebben weten te plaatsen en hun macht hebben opgelegd. Dat kan niet onze lotsbestemming zijn. Het is de hoogste tijd om de Revolutie voor eens en altijd af te maken.’
Van vooruitgang merken veel Mexicanen hoegenaamd niets. In 2010 leeft grofweg de helft van alle Mexicanen, 53 miljoen, in armoede; achttien miljoen Mexicanen hebben niet genoeg te eten. In dat cijfer is de crisis van 2009 niet verwerkt, die volgens deskundigen in Mexico harder heeft toegeslagen dan in enig ander land in Latijns-Amerika.
Voor Lorenzo Meyer, een van Mexico’s voornaamste historici en schrijver van onder meer De tweede dood van de Mexicaanse Revolutie, is zijn land er niet beter aan toe dan honderd jaar geleden: 'Ik ben gevormd door ideeën als dat de richting van de geschiedenis de vooruitgang is. Vanuit dat perspectief dacht men dat de Revolutie noodzakelijk was om het Mexicaanse kapitalisme te transformeren en moderniseren. Niettemin, de andere Latijns-Amerikaanse landen hebben geen revolutie gehad en hun kapitalisme is er beter aan toe dat het onze.
Wat voor zin heeft het vandaag de dag voor de doorsnee Mexicaan om deel van de Mexicaanse natie te zijn? Misschien waren de inheemse gemeenschappen beter af, in termen van onafhankelijkheid en autonomie, halverwege de negentiende eeuw, toen het land er vanuit een nationaal perspectief bezien rampzalig aan toe was, dan toen er weer een orde werd geschapen die deze groepen weinig te bieden had. De Revolutie brak uit door het gebrek aan gevoeligheid van de politieke en economische macht om niet verzeild te raken in het spel van alles of niets, zoals nu wederom gebeurt. Die interpretatie konden we misschien niet maken twintig jaar geleden, maar nu wel. Het heden dicteert onze interpretatie van het verleden, we zijn nu vergissingen uit het verleden aan het herscheppen.
Hoe vaak hebben we niet half als grap gezegd: eerst 1810 (onafhankelijkheidsoorlog), toen 1910 (revolutionaire oorlog), en nu dus 2010. Nu blijkt dat we weer midden in een oorlog verzeild zijn geraakt, er zijn verschillende legers op straat, die nu kartels heten, veel beter bewapend en met een betere technologie dan die van de opstandelingen die dictator Porfirio Díaz versloegen.’