Werken na je 65ste

Meneer, heeft u uw haar geverfd?

Van winkelbediende tot hoogleraar; een groeiend aantal 65-plussers blijft na pensionering gewoon doorwerken. Niet omdat het binnenkort moet, maar gewoon voor hun plezier.

Medium werken1

Nog niet eens zo heel lang geleden droomden begin-vijftigers al over hun Zwitserlevengevoel dat aanstaande was. Aan een tropisch strand of in een rustieke provincie als Drenthe zouden ze actief van hun levensavond gaan genieten. Maar liefst een kwart van de beroepsbevolking stopte in 2000 vóór het zestigste levensjaar met werken.

Inmiddels is de gemiddelde leeftijd waarop Nederlanders met pensioen gaan in zeven jaar gestegen van 61 naar 64,1 jaar en kiezen duizenden babyboomers er zelfs voor om ook na hun officiële pensioneringsdatum te blijven werken. Niet omdat het moet, maar omdat ze het zelf willen.

Wie langer wil doorgaan, moet daar vaak wel z’n best voor doen. Journalisten, advocaten, artsen, consultants, dirigenten, filmers: wie een vrij beroep heeft en fit en gezond is, werkt gewoon door, al dan niet op een lager pitje. Voor 65-plussers in loondienst is het een heel ander verhaal: zij worden gewoon uit hun baan gezet. Ze worden als te oud en te duur gezien, of krijgen het verwijt de plek van jongeren bezet te houden. In veel cao’s is pensionering zelfs verplicht gesteld.

Toch zijn er ook inspirerende voorbeelden. Hillary Clinton is op haar 67ste kandidaat voor het presidentschap; tv-presentatrice Barbara Walters stopte pas op haar 85ste met haar dagelijkse programma. Kennis en ervaring worden in Amerika als een voordeel en niet als een handicap gezien. Pensioen lijkt in Nederland eerder een stigma, een afkeuring om nog verantwoordelijkheid te dragen.

‘Het denken over ouderen is in feite het denken van veertig jaar geleden, toen je met je 65ste in het bejaardenhuis terechtkwam’, reageert Johan Remkes (bijna 64), sinds 2010 commissaris van de koning in Noord-Holland. Deze zomer neemt hij de beslissing of hij doorgaat voor een tweede termijn van nog een keer zes jaar. Remkes: ‘Ik ga rustig bekijken of ik er nog voor in aanmerking wil komen. Dat hangt af van m’n privé-situatie, met de vraag of er nog uitdaging in de functie zit, hoe het team van gedeputeerden in elkaar zit en of ik mijn omgeving nog wel voldoende plezierig vind. En vervolgens moeten de Provinciale Staten er ook nog iets van vinden.’

In principe kan Remkes tot zijn zeventigste in functie blijven, hij zal dus net niet meer zijn tweede termijn kunnen afmaken. Als minister van Binnenlandse Zaken was hij zelf verantwoordelijk voor het verleggen van de leeftijdsgrens van burgemeesters en commissarissen van 65 naar 70 jaar. Hij signaleerde dat velen graag door wilden gaan en daartoe ook heel goed in staat waren.

Politieke partijen gaan te rigide om met oudere leden, vindt hij. ‘De maximale zittingstermijn is nu mode. Het is natuurlijk goed om niet te lang aan je zetel te blijven kleven, maar als je dat strak als valbijl hanteert, gooi je enorm veel ervaring weg. Binnen het cda was er discussie over Wim van de Camp. Die moest na 23 jaar weg. Een voortreffelijk Tweede-Kamerlid. In eigen kring stak de discussie de kop op over Ankie Broekers (68), die al veertien jaar in de Eerste Kamer zit en daar nu een uitstekend voorzitter van is. Het resultaat van de discussie is nu dat ze niet weggaat.’

Remkes werd op zijn 26ste raadslid en Statenlid om vervolgens afgezien van een parttime adviesbaan veertig jaar actief te zijn in publieke functies: gedeputeerde, Kamerlid, minister, staatssecretaris, weer Kamerlid en nu commissaris van de koning. Terugkijkend op al die jaren schetst hij de turbulente ontwikkelingen in de politiek en ook zijn eigen leerproces: ‘Je leert jezelf te relativeren en je ontwikkelt de mentale instelling dat het morgen afgelopen kan zijn. De overheid staat in de volle schijnwerpers en de functionaris dus ook.’ Wat de kracht is waardoor hij het zo lang heeft gered? Hij pauzeert even en vervolgt, met zachtere stem: ‘Gewoon dicht bij jezelf blijven, dat is uiteindelijk het belangrijkste. Dat voelen mensen.’

Word je beter als je ouder bent? Hij moet erover nadenken: ‘Misschien niet beter, wel anders. Sommige zaken herhalen zich, daar kun je beter mee omgaan. Je moet ervoor uitkijken dat je niet te relativerend wordt en niet cynisch.’ En je moet weten wanneer het tijd is om te gaan. ‘Dat zag je bij Ivo Opstelten. Op een gegeven ogenblik word je de gevangene van jezelf en dan betekent je vertrek gezichtsverlies. In zo’n situatie moet je niet terechtkomen. Als je het zelf niet aanvoelt, moet je omgeving dat tegen je durven zeggen. Dat betekent dat je er verantwoordelijk voor bent om kritische tegenspraak om je heen te organiseren.’

Wat het doorwerken van ouderen betreft denkt hij dat we maatschappelijk gezien ‘zwaar moeten gaan reorganiseren’. ‘Er moet eens goed naar cao’s worden gekeken. Demotie kan prima, dat is een kwestie van wil en een kwestie van organiseren. Minder starheid en meer flexibiliteit. Maar systemen pas je in ons dichtgeregelde land buitengewoon moeizaam aan. En daar spelen natuurlijk ook allerlei institutionele krachten een rol. De vakbeweging zal onmiddellijk zeggen: en hoe moet dat dan met de jongeren? Maar uiteindelijk is het bestaande systeem niet houdbaar.’

Marijke van Teijlingen (65) staat al twintig jaar in de winkel van Huize van Wely, patissier, chocolatier en glacier in de Beethovenstraat in Amsterdam. Het ambachtelijk bedrijf bestaat sinds 1922 en heeft vier vestigingen in Nederland en twee in Jakarta.

Vorig jaar haalde ze haar contract van twintig jaar geleden te voorschijn en kwam tot de ontdekking dat ze volgens de banketbakkers-cao met pensioen zou moeten gaan. Ze wist dat er een reorganisatie op til was en vermoedde dat ze er als oudere het eerst uit zou vliegen. Dus besloot ze haar baas bijtijds te waarschuwen dat ze wilde blijven: ‘Hij wil jongere mensen omdat ze voordeliger zijn. Dat is een heet hangijzer in het midden- en kleinbedrijf. Een meisje van 20 is veel goedkoper dan een van 23, laat staan iemand van 65. Ik wilde ook niet minder verdienen, want zoveel pensioen heb ik niet na twintig jaar. Een dag minder werken wilde ik wel.’

Ze kreeg het voor elkaar: ‘Mijn baas ziet dat hij mijn kennis niet kan missen. Hij wil ook dat ik mensen opleid.’ Jikke, haar collega van achttien, voegt er lachend aan toe: ‘Klanten willen speciaal door háár geholpen worden.’ Van Teijlingen: ‘De klanten zouden het verschrikkelijk vinden als ik zou stoppen, dat heb ik wel gepolst. En ik moet eerlijk zeggen: ik heb een collega van 52 en als ik met háár samenwerk denk ik: twee ouwe tutten. Maar zo’n jong meisje naast me is erg leuk.’ Jikke: ‘Dit is een dure winkel met een goede reputatie. Klanten willen de allerbeste service en die geef jij ze. Jij behandelt ze met meer respect dan ik.’

Van Teijlingen is ‘grootgebracht met service’, zoals ze het zelf zegt. ‘Mijn ouders hadden een delicatessenwinkel in Scheveningen. Een klant uit Wassenaar kon midden in de winter bellen voor een pakje roomboter. Dat bracht ik dan op de fiets. Ik denk dat klanten mij willen omdat ik van m’n werk houd. Ik sta hier nooit chagrijnig in de winkel, hoe koud we het vanwege de chocola ook hebben. In december werken we dag en nacht, dan functioneer ik nog beter.’

Werkgevers zouden een mix van oud en jong personeel moeten hebben, vindt ze: ‘Je moet mensen de keuze laten of ze willen doorwerken. Wie wil stoppen mag stoppen, maar het moet niet wettelijk verplicht zijn. Ouderen moeten niet weggestopt worden. Ik zou me thuis doodvervelen. Ik wil mensen zien. En ik heb zulke leuke gesprekken!’

Medium werken2
‘Ik heb een goede organisatie in de klas, informeel adviseer ik collega’s en als oudste ben ik het geheugen van de school’

‘Mijn pensionering was aan de ene kant moeilijk, aan de andere kant een soort bevrijding.’ Joep Bartelsman (68), hoogleraar en arts maag-, darm- en leverziekten, begon in 1974 in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam en ging 38 jaar later in het Academisch Medisch Centrum met pensioen. ‘Sommige patiënten en hun families kende ik dertig jaar, die band moest doorbroken worden. Dat was moeilijk, maar het was ook een opluchting. Want ik nam problemen ook vaak mee naar huis.’

Hij genoot van onderwijs geven en het werk in het ziekenhuis met patiënten en collega’s. Toch beschouwde hij de pensionering als een voldongen feit. ‘Ik heb nooit geprotesteerd.’ Het leven van lange vakanties en interessante hobby’s ging echter al snel vervelen. Hij bracht z’n vrouw naar haar werk, ging vervolgens koffie drinken met een paar buurvrouwen om de hoek, daarna naar Albert Heijn en toen was het kwart over negen en dacht hij: wat zal ik nu eens gaan doen? Voor de vierde keer naar het Rijksmuseum? Overdag naar de film met allemaal grijze hoofden om zich heen in de bioscoopzaal? ‘In het amc had ik elke ochtend een bespreking met dertig mensen en daarna de hele dag talloze patiënten. Dat miste ik het meest.’

Het tekort op zijn vakgebied bracht uitkomst, want al spoedig werd hij gebeld en kon hij kiezen uit verschillende aanbiedingen. Hij bouwde een geheel nieuw postpensioenleven op. Nu werkt hij een dag in het Slotervaartziekenhuis, doet een dag endoscopie-onderzoek in een kliniek in zijn buurt, houdt een volle dag polikliniek in een ziekenhuis in Den Haag en werkt bij de Levenseindekliniek. Bij de Nederlandse Vereniging van Gastro-enterologie organiseert hij dit najaar voor het eerst een sessie voor senioren (ouder dan 65), van wie er ongeveer twintig nog werken na hun pensionering. ‘Tot mijn grote vreugde oefen ik m’n vak weer in volle omvang uit. Ontmoet een heel ander soort patiënten dan in Amsterdam. Het leukste en het boeiendste is die nieuwe patiënt, met wie je in korte tijd heel intensief kennismaakt. Dat brengt ons vakgebied met zich mee. Het verschil is wel dat ik me nu meer gast voel in zo’n organisatie. Ik hoor er niet meer bij zoals vroeger. Dat is wel jammer, maar geeft ook een vrijer gevoel. Als ik thuis ben word ik ’s avonds niet meer gebeld.’

Door te werken blijft hij langer gezond, is de overtuiging van Bartelsman. Vooral de structuur in de dagen doet hem goed. Als er werkloosheid zou heersen in zijn vakgebied zou dat een reden kunnen zijn om niet op het aangeboden werk in te gaan, maar ‘ik weet niet of ze me dan ook niet zouden vragen’. Hij heeft de indruk dat z’n jongere collega’s het juist leuk vinden dat hij er bij is.

In de kliniek voor endoscopie-onderzoek werken wel alleen maar gepensioneerden. Allemaal zzp’ers die hun uren declareren. Hij pleit ervoor om bij artsen de leeftijdsgrens te laten vallen, maar ze wel de mogelijkheid te geven minder uren per week te werken. Voordeel is dat je meer mensen kunt inzetten. ‘Het is erg raar om abrupt te stoppen. Wel zou je de herregistratieplicht bij artsen, nu elke vijf jaar, frequenter kunnen invoeren. Zo krijg je bijtijds het signaal dat je moet stoppen.’

‘Mensen zeggen: veertig jaar hetzelfde boek. Maar ik heb niet eens een boek! Ik ben gericht op de leerling. Daarom is onderwijs ook nooit hetzelfde.’ Marten Werkman (66) gaat na veertig jaar lesgeven nog steeds met plezier naar school. Hij geeft vier dagen per week Nederlands aan de bovenbouw van het Dr. Aletta Jacobs College in Hoogezand. Het is zijn eerste en enige baan. ‘Ik heb wel eens een andere functie overwogen, de inspectie of het conrectoraat, maar uiteindelijk geniet ik het meest van de ruimte van de functie van docent.’

Ook bij hem liep een jaar geleden zijn vaste aanstelling af, maar zijn school vroeg hem te blijven. Hij ontvangt nu aow, pensioen en daarbovenop salaris, al gaat het hem nadrukkelijk niet om het geld. Hij wil gewoon blijven werken. Voelde hij zich bij de huidige werkloosheid van jonge leerkrachten niet bezwaard? ‘Voor mij is het wezenlijk dat jonge mensen aan het werk komen en willen blijven. Als oudere docent kun je daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Ik ben voor geleidelijke afbouw en demotie, als solidariteit naar jongeren. Op mijn voorstel is mijn huidige salaris daar ook op afgestemd; het is lager dan voorheen.’

Waarom wilde de school hem graag houden? Daar doet hij niet ingewikkeld over, geen valse bescheidenheid: ‘Ik ben een actieve docent, de resultaten zijn heel behoorlijk, ik heb een goede organisatie in de klas, informeel adviseer ik collega’s en als oudste ben ik het geheugen van de school.’

Als mensen zeggen dat ze genieten van hun pensioen twijfelt hij daar niet aan, maar zet hij er voor zichzelf ‘het treurige beeld van een auto met een caravan’ tegenover. ‘Voor mij is die overgang er niet. 65 is ook maar een getal. Ik vind het helemaal geen rare gedachte om tot mijn zeventigste door te gaan.’ Oudere collega’s die blij zijn dat ze binnenkort mogen stoppen, snappen niet dat hij doorgaat. ‘Het is ook moeilijk uit te leggen. Een dag school geeft mij meer energie dan een dag geen school. Leerlingen kunnen mij nog altijd ontroeren, hoe lastig ze ook zijn.’

De leerlingen maakt het niet veel uit of er een oude of een jonge leraar voor de klas staat, is zijn indruk. ‘Ik ben nu op een leeftijd dat ik hun opa kan zijn. Ze vragen wel eens of ik een bepaalde zanger ken. Nee, ik kijk heel weinig tv. Dat vinden ze grappig en ze leggen het graag uit. Meneer, heeft u uw haar geverfd? Nee, dat doe ik echt niet hoor. Leerlingen zijn wel veranderd in die veertig jaar, maar ze zijn er niet slechter op geworden. Ze zijn meer ontwikkeld, zijn van meer markten thuis. Ze helpen me ook als ik iets niet weet of technisch niet kan. Dat kon je vroeger niet maken, toen moest je alles weten. Vroeger doceerde je meer vakgericht. Nu gaat het meer om het leven, onderwijs geven is ruimer en breder geworden. Kennis vinden ze heel belangrijk en ze willen ook zien dat je lesgeven leuk vindt.’

Een schoolgemeenschap is divers en heeft baat bij oud en jong, vindt Werkman: ‘Mijn teamleider is 29, vijf jaar ouder dan mijn zoon. Hij heeft een zoon van zeven en ik een kleinzoon van negen maanden. Dat geeft contact en schept een band. Als oudere moet je wel een paar dingen in de gaten houden. Nooit zeggen “dat hebben we al gedaan”, want iedere generatie wil opnieuw het wiel uitvinden. En er verzorgd blijven uitzien. Een T-shirt met vlekken bij een oudere man is uitkijken, dat kan niet.’ Grappend: ‘Als collega’s ongevraagd je mondhoeken gaan schoonmaken moet je stoppen.’


AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd (per 2016: 65 + 5 maanden) is een natuurlijk moment voor de werkgever om de werknemer in loondienst te ontslaan. Per 1 juli aanstaande wordt wat in de praktijk al jaren gebeurde in de Wet werk en zekerheid vastgelegd. In veel CAO’s staat ook duidelijk omschreven dat je ontslagen wordt zodra je de pensioengerechtigde leeftijd hebt bereikt. De werkgever kan daar gebruik van maken, maar heeft de vrijheid om ervan af te wijken en aparte afspraken met de werknemer te maken. Je kunt echter alleen doorwerken als je werkgever dat ook wil. Het kabinet is bezig om het makkelijker te maken om langer door te werken. Zo is nu vastgelegd dat AOW’ers, als zij weer in dienst worden genomen, recht hebben op ten minste het minimumloon. Zij gaan ook onder de CAO van hun sector vallen. Vooral voor werkgevers wordt het aantrekkelijker gemaakt om mensen in dienst te houden, omdat de loondoorbetaling bij ziekte teruggebracht wordt naar zes weken in plaats van twee jaar. Deze maatregelen gaan in per 1 januari 2016. Om verdringing te voorkomen worden werkgevers wel verplicht doorwerkende AOW’ers als eerste te ontslaan bij reorganisaties. Verder is een werkgever straks niet verplicht in te gaan op het verzoek van een gepensioneerde om het aantal werkende uren uit te breiden.


Els Borst

Els Borst was hét boegbeeld van de ouderen die nog volop functioneren en op allerlei terreinen een belangrijke rol vervullen. Een paar weken voor haar dood had ik een gesprek met haar. Haar gewelddadige dood was een grote schok voor iedereen en ik wilde het toen niet publiceren. Haar woorden passen in dit verhaal en daarom publiceer ik het nu, met toestemming van de familie.

Ze ergerde zich aan de beeldvorming die er over ouderen bestaat: ‘Er is een groot verschil tussen hoe ouderen worden gezien en hoe ze zich zelf voelen. Het voortdurend in de media aanwezige beeld van rollators en verpleeghuizen houdt die mythe over ouderen in stand.’ Haar benoeming tot minister van staat, waar ze trots op was, bevestigde voor haar dat de werkelijkheid anders is: ‘Dat betekent dat de koning nog iets aan de adviezen van een ouder iemand zou kunnen hebben.’

Els Borst was minister tot haar zeventigste: ‘Toen ik 65 werd kreeg ik AOW. In de ministerraad zei ik wel eens: “Ik spreek nu namens alle uitkeringstrekkers van Nederland.” Wim Kok fronste dan zijn wenkbrauwen en zei: “Wat is dat voor onzin.” “Ik trek van Drees”, zei ik dan.’ In een ouderenpartij zag ze helemaal niks: ‘Je bent volksvertegenwoordiger namens alle burgers. Daar heb je weer dat stempel: je hebt mensen en je hebt ouderen. En je beklemtoont het beeld dat er met ouderen iets aan de hand is.’ Ze benadrukte dat de AOW indertijd nooit bedacht is voor nog dertig jaar na je 65ste, hooguit voor een jaar of tien.

Ouderen zullen waarschijnlijk minder innoveren, erkende ze, maar ze kunnen de innovatieplannen van de jongere generatie heel goed beoordelen: ‘Ze hebben wijsheid, levenservaring en een brede blik. Ik kan, ook als ik een zere knie heb, uit alle hoeken en gaten ervaring meebrengen. Mijn blik en mijn oordeel zijn veel breder geworden.’ Na haar ministerschap bekleedde ze talloze functies. ‘Je doet het voor jezelf, maar ook voor de samenleving. Het is toch grappig dat Edith Schippers, als ze een moeilijk gesprek over de wet op euthanasie heeft met de KNMG, zegt dat ze het fijn zou vinden als ik er bij zou zijn. Dan straal je toch uit dat je capabel bent.’

Ouderen moeten hun waarde als wijze oude man of vrouw blijven behouden, adviseerde ze. ‘Jezelf goed blijven verzorgen, aandacht voor mensen hebben en ze steunen. Vooral zorgen dat je prettig gezelschap blijft en een aardige gesprekspartner. Gezin, familie en vrienden zijn het belangrijkst. Bij je familie hoef je je niet te generen. Je hebt elkaar als kind gekend, daarna een eigen leven geleid en later kom je weer bij elkaar terug en kun je veel plezier van elkaar hebben.’ Word je als oudere gelukkiger? ‘Vroeger had je dat juichende geluk: verliefd zijn, trouwen, kinderen krijgen, kleinkinderen, dat zijn pieken. Dat is niet meer zo. Maar je had toen óók periodes waarin alles moeilijk was. Het is nu gelijkmatiger. Wat mij betreft op een manier waardoor ik kan zeggen: ik ben gelukkig.’

Hoe het beeld van ouderen veranderd kan worden? ‘Ouderen moeten zélf laten zien dat de beeldvorming niet klopt en dat de feiten anders zijn. Van binnen verandert er niets. Bijna alle tachtigers ervaren dat het lichamelijk een beetje gaat kraken hier en daar, maar de meesten zijn gezond. Genieten van je pensioen is genieten van werk of activiteiten. Dat Zwitserlevengevoel verdwijnt na een half jaar. Blijf je vermogens aanspreken, anders gaat het hard achteruit.’