Opheffer

Meningen zijn fastfood

Een paar weken geleden schreef ik dat de mening decadent is geworden. Vorige week gaf Gerardjan Rijnders daar een aardig voorbeeld van in een interview. Hij zei: «Men vraagt Pierre Bokma niet naar toneel, men vraagt hem zijn mening over de oorlog in Irak.»

Als je erop let, is het om te lachen. Precies een dag nadat Rijnders deze uitspraak deed keek ik naar een ochtendprogramma op tv. De standaardvraag luidde: wat is je opgevallen in het nieuws?

«Nou», zegt een of ander wijf dat in De drie musketiers speelt, «de oorlog in Irak.»

«Wat vind je van die oorlog?»

«Kind, vreselijk… echt vré-se-lijk!»

«Heb je geprotesteerd?»

«Nee, ik kon niet, maar ik had het wel graag gedaan…»

Het is bijna satire. Het is interessant om na te gaan waarom men de mening van zo’n trut wil weten die niks te vertellen heeft. Wat denkt men rijker, beter, slimmer te worden van de mening van Pierre Bokma, Tooske Weet-ik-veel of de vox-pop zoals dat in televisie termen heet (de mensen op straat) over de oorlog?

Uit eigen onderzoek als televisiemaker en presentator weet ik dat de mening van «gewone mensen» domweg populair is. Kijkers hebben de neiging zich steeds wis selend te identificeren met degene die ze zien, of er juist afstand van te nemen. (Dat maakt in aantrekkelijkheid niets uit.) Meer dan die mening wil het grootste publiek niet. Daarom scoor je als je zegt: «Gooi er een atoombom op!» Of: «Nooit meer oorlog!» De oneliners. Juist als je gaat nuanceren haken de kijkers af. De vox-pop is populair omdat de mensen zichzelf herkennen in de mensen op straat. Zo denken zij, dus zo denken wij ook. Een vorm van solidariteit.

Aan de samenhang tussen identificatie, pers en opinie is weinig aandacht besteed, maar het is vaak de gouden formule voor een tv-programma. Je kunt het nog zien aan Het Lagerhuis van de Vara. De aantrekkelijkheid daarvan schuilt hierin dat een opinie gezien wordt als een wedstrijd. Alle opinies komen aan bod en mensen kunnen «meepraten». Zo, wordt er ge zegd, kunnen ze hun mening vormen. Dat is nobel, maar dat heeft natuurlijk helemaal geen zin. Als mijn mening gevormd wordt door een totebel uit Zaltbommel, dan is dat eerder eng dan goed.

Kranten zijn eveneens in de val gelopen van de «mening van iedereen». Ook omdat het commercieel is. Vermoedelijk weet Jaap de Hoop Scheffer meer van de buitenlandse politiek dan Jan Mulder, maar ik lees toch liever Jan Mulder dan Jaap de Hoop Scheffer. Maar zou de mening van Jaap toch niet meer hout snijden dan die van Jan? Waarschijnlijk wel, als ik eerlijk ben.

Het heeft te maken met het digitale kampioensdenken dat ons beheerst. Dingen zijn goed of slecht. Je bent de beste of de slechtste, mooi of lelijk. Tussenwegen zijn er niet. De som van al deze kampioensmeningen maakt juist weer onzeker, want je bent wat je kiest en kiezen zonder argumentatie levert een rotzooitje op.

Het lijkt thans bijna de taak van de intellectueel om geen mening te hebben. Helaas kan dat niet. Als een stomme trut, met kapsones en enig aanzien, een domme opinie vertolkt, dan voel ik mij geroepen om mijn mening te geven. Ik ben toch zeker slimmer dan zij?

Zo worden meningen zinlozer en zinlozer. Dus ga je steeds extremere meningen debiteren om ge hoord te worden. Je hoeft het toch niet te beargumenteren. Leve de doodstraf! Atoomwapens zijn zo slecht nog niet! En nu Syrië! Bush is erger dan Saddam! Bush is Hitler maal tien! Voor elk wat wils.

«Papa, die leuke man is weer op tv met die gekke meningen.»

«Zo gek zijn die meningen niet, jongen.»

Meningen zijn fastfood. Wat zou ik nog zelf koken als ik elke dag een heerlijke pizza kan eten?