Mens

Ik moet een feestrede schrijven, zei ik tegen M. Het woord bezorgde me de zenuwen, blokkeerde al mijn chakra’s, zette acuut een writer’s block in gang.

Misschien heb ik te veel respect voor haar, snap je, zei ik. Überhaupt en al helemaal voor een feestrede.

Ze snapte het. Het was makkelijker geweest, zei ze, als je gewoon een domme feestrede voor een of andere lul had moeten schrijven.

Vijfenzeventig, zei ik. Kun je je voorstellen dat zij, of eigenlijk wie dan ook, vijfenzeventig wordt?

Om weg te komen met zoiets als een feestrede, moest je wel een man van minstens middelbare leeftijd zijn. Zo iemand die al eeuwig ‘in het boekenvak zit’, er allerlei ceremoniële en bestuurlijke functies op nahoudt, iedereen al heel lang kent en in de jaren zeventig zijn hemd van boven én onder te ver had openstaan. Met ronkende stem, een overdosis aan zelfvertrouwen en een goed gevulde buik betrad je het podium, en daar ging je. De ene na de andere smakelijke anekdote schudde je zo uit de mouw, alles technicolor, smakelijk, sappig. En het publiek lachen, bulderen misschien zelfs!

Eigenlijk, zei M, wil je gewoon zeggen: ik houd heel veel van je werk, dankjewel voor het schrijven ervan en ik hoop dat je nog een poosje in leven blijft.

Zoiets, ja, zei ik. Ik nam een hap van mijn perenijsje, er schoot een kat over straat, de zon scheen uitbundig. Ik dacht aan Bleekers zomer in Amsterdam, ziekelijke Bleeker die van zijn laatste centen een ijsje kocht op de Dam.

Het gaat om de zinnen, zei ik tegen M. Er is één zin van haar die me al een paar jaar achtervolgt. Ik kan niet precies zeggen waarom, of misschien ook wel, maar die zin is zo goed. Niet mooi of zo, maar vréémd, begrijp je. Een abnormale zin die zich voordoet als de normaalste zin ter wereld. Daar zou ik het liefst over willen uitweiden, simpelweg vertellen waarom zinnen zo belangrijk zijn. Er is te veel literatuur, en te veel waardering voor literatuur, waar op zinsniveau helemaal niks gebeurt.

Zij was een mens dat Mensje heette, ik een meisje dat Meisje heette

Heb je haar eigenlijk ooit ontmoet?, vroeg M.

Ja natuurlijk, wilde ik antwoorden.

Maar was dat wel zo? Nu ik erbij stilstond kon ik het me toch niet heugen. We hadden dezelfde uitgever, maar had ik haar ooit op een nieuwjaars- of boekenbalborrel gezien? Deed zij aan gelegenheden als Nieuwjaar en Boekenbal? Misschien kwam het door haar dagboeken. Door die dagboeken dacht ik haar intiem te kennen, dacht ik te weten hoe ze praatte, lachte, rookte. Hoe ze fragiel en bikkelhard was, en moedig! Om als vrouw en vrouwelijke schrijver dat hele jaren-zeventiggedoe te overleven en de halve eeuw daaropvolgend bovendien. Al die mannen de hele tijd, bed in, bed uit. Mannen in pak en mannen in pyjama, een nachtelijke klop op de deur van je hotelkamer, of je alsjeblieft…

Ik zie voor me hoe ze aan die zinnen werkt, de precisie en het plezier, hoe de personages op wonderbaarlijke wijze uit de letters tevoorschijn komen. Zo zou ik het willen doen, denk ik als ik haar lees. Zo aandachtig en secuur. Zo onheilspellend, grappig, vilein en alledaags. Zo onvergelijkbaar. (Lees haar als je wil leren schrijven, maar denk niet dat zoiets te imiteren is; we hebben het hier over de ziel, niet over een techniek.)

Ik kende haar al ver voordat ik mijn mond vol had van wat in literair opzicht van belang is, voordat ik een onderscheid kon maken tussen goede en slechte zinnen, stijl en plot, kunst en kitsch – voordat ik, kortom, mijn jeugd had opgeofferd aan de teleurstellende alwetendheid van de grotemensenwereld. Zij was de schrijver van Tommie Station en Polle de orgeljongen. Haar voornaam was zo vreemd, maar dat was de mijne ook en dat schiep een band: zij was een mens dat Mensje heette, ik een meisje dat Meisje heette; mijn ouders hadden mij geen naam gegeven maar een zelfstandig naamwoord in het Spaans en daar moest ik het mee doen. Ik vroeg me af of men haar, omdat ze tenslotte een volwassene was, Mens noemde en maakte me er zorgen over hoe men míj dan diende te noemen tegen de tijd dat ik geen meisje meer was. Dat een naam met je meegroeit, zich voor de rest van het leven om je heen vouwt als een tweede huid, mee rimpelt, steeds zachter wordt met de jaren, wist ik toen nog niet.

Soms vragen M en ik ons af wie we zouden zijn geweest of zullen worden. Al die schrijvers vóór ons, iedereen die standhield en -houdt, al die vrouwen.

Mensje, zeg ik altijd, laat mij maar Mensje van Keulen zijn en worden.

Maar jij bent allergisch voor katten, zegt M dan.