Profiel: Karl Polanyi

Mens boven markt

Zijn naam is onder het grote publiek niet erg bekend, maar zijn ideeën zijn alomtegenwoordig. Zeker in tijden van economische turbulentie is Karl Polanyi een goede gids, een politiek econoom die het liberalisme al bekritiseerde voordat het ‘neo’ werd.

Karl Polanyi en zijn vrouw Ilona Duczynska in Kent rond 1937 © Kari Polanyi Levitt private archive

In 1944, toen de nazi’s in de verdediging waren gedrongen en er voorzichtig nagedacht kon worden over de wederopbouw, publiceerde een in Wenen geboren econoom een boek waarvan de invloed moeilijk te overschatten valt. De titel was The Road to Serfdom en de auteur heette Friedrich Hayek. Het was een waarschuwing voor de oprukkende tirannie van het socialisme en een pleidooi voor overheidsingrijpen om vrijemarktwerking te garanderen. Een programmaverklaring, kortom, voor de ideologie die we het neoliberalisme zijn gaan noemen.

In datzelfde jaar verscheen er een ander boek, van een eveneens in Wenen geboren econoom wiens naam een stuk minder bekend is, maar wiens ideeën de laatste jaren aan invloed winnen. De titel was The Great Transformation en de auteur heette Karl Polanyi. In veel opzichten vormt dit boek de ultieme tegenhanger van Hayeks befaamde werk. Het was een waarschuwing voor de gevaarlijke illusie van laissez-faire, een pleidooi voor overheidsingrijpen om de markteconomie te temmen en geschreven door een overtuigd socialist.

De reden dat Hayek driekwart eeuw later nog altijd in de schijnwerpers staat is simpel: nu de schadelijke effecten van het neoliberalisme voelbaar worden is hij een logische kop van Jut. In menig westers land gingen beleidsmakers met zijn ideeën aan de haal, met als gevolg dat de publieke sector verschrompelde en de verzorgingsstaat afbrokkelde. Zelfs partijen die een paar decennia terug groen licht gaven voor privatisering en deregulering nemen sinds de financiële crisis van 2008 afstand van het doorgeschoten ‘marktfundamentalisme’. Noemde Mark Rutte in 2006 Hayek nog als een van zijn favoriete filosofen, inmiddels maakt ook onze premier zich zorgen over de groeiende loonkloof.

Hoewel Polanyi buiten de academische wereld veel minder bekendheid geniet, lijkt een deel van de kritiek die hij in 1944 verwoordde onderhand gemeengoed geworden. Lang voordat filosoof Hans Achterhuis de boektitel claimde, ontmaskerde Polanyi ‘de utopie van de vrije markt’. Lang voordat de ‘homo economicus’ onder vuur kwam te liggen, schreef Polanyi al over het amorele mensbeeld dat ons reduceert tot calculerende, winstbeluste wezens. En lang voordat roekeloze bankiers de wereldeconomie in chaos stortten, waarschuwde hij voor de risico’s van internationale financialisering.

Zeker nu Covid-19 een rem heeft gezet op de geglobaliseerde economie en we afstevenen op de diepste economische crisis sinds de Grote Depressie, dringen de fundamentele vragen over de werking van het kapitalisme zich op. Hoe kan het dat de rijken almaar rijker worden, terwijl de docent en verpleger hun levensstandaard nauwelijks zien verbeteren? Waarom heeft een select clubje multinationals de macht om de regels naar hun hand te zetten? Hoe kunnen we een economisch model dat is gericht op oneindige groei verenigen met de zorg voor een eindige planeet? ‘Als we willen begrijpen wat er vandaag de dag gebeurt’, schreef Financial Times-columnist Martin Wolf onlangs, ‘is Polanyi een veel betere gids [dan Hayek].’

Karl is nog een peuter als de familie Pollacsek rond 1890 verhuist van Wenen naar Boedapest, de andere hoofdstad van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Om zo goed mogelijk te assimileren neemt het joodse gezin een Hongaarse achternaam aan. De Polanyi’s behoren tot de gegoede burgerij: vader Mihály werkt als aannemer voor de spoorwegen en moeder Cecile is een uitgesproken feminist, die zich met haar eigen literaire salon midden in het intellectuele en culturele stadsleven bevindt. Net als zijn twee broers en twee zussen krijgt Karl privéles en hij toont zich een talentvolle student met een brede interesse. Naast het Duits en Hongaars dat aan de eettafel wordt gesproken, leert hij vloeiend Engels en Frans. Hij verslindt Russische literatuur en raakt in de ban van het christelijke anarchisme van Lev Tolstoj, maar is even sterk gefascineerd door Shakespeare en de Britse cultuur.

Aan het onbezorgde bestaan komt een einde als Mihály’s bedrijf rond de eeuwwisseling bankroet gaat. De familie verhuist naar een schamel appartement in een minder luxe deel van de stad en om bij te dragen aan het gezinsbudget begint Karl bijles te geven. Als zijn vader een paar jaar later overlijdt neemt die naar verluidt afscheid met de woorden ‘mijn arme, arme kinderen’. Voor zijn zoon is het faillissement een persoonlijke ervaring van het menselijk leed dat ‘de markt’ kan veroorzaken.

Van jongs af aan leidt Polanyi ‘a life on the left’, zoals de ondertitel van de in 2016 verschenen biografie van Gareth Dale luidt. Hij is goed bevriend met twee jongemannen uit Boedapest die later zelf school zullen maken in academia: de socioloog Karl Mannheim, die vooral faam zou verwerven met zijn theorie over het ‘generatieprobleem’, en de filosoof György Lukács, met wie Polanyi levendige discussies voert over het marxisme. Als voorzitter van de ‘Galileo-kring’, waar studenten samenkomen om humanistische ideeën uit te wisselen, geeft Polanyi ‘toespraken als een groot agitator’, herinnerde Lukács zich. Het is een kwaliteit die van pas komt wanneer hij in 1914 helpt bij het oprichten van de liberaal-socialistische ‘Radicale Bourgeoisie Partij’. Wanneer hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front zit te vervelen, vraagt hij zijn familie om hem deel twee en drie van Das Kapital op te sturen.

Uitvoerig behandelt Dale de discussies die een eeuw geleden leefden onder marxisten, anarchisten, sociaal-democraten, anarcho-syndicalisten, bolsjewisten, socialisten en allerlei andere tinten rood. Polanyi laat zich niet makkelijk scharen onder een van die fracties. Zijn denken was constant in ontwikkeling, wat hem postuum tot een multi-interpretabel figuur maakt. Voor sommigen is hij een radicale revolutionair, anderen zien hem als een hervormingsgezinde sociaal-democraat.

De Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz is misschien wel de bekendste representant van die laatste stroming. Sinds hij begin deze eeuw afscheid nam als hoofdeconoom bij de Wereldbank heeft de Nobelprijswinnaar zich ontpopt als een van de voornaamste critici van het neoliberalisme. Hoewel de naam in zijn eigen boeken amper valt, is het geen geheim dat Stiglitz zich daarbij liet beïnvloeden door Polanyi. Beide economen vertrekken vanuit de overtuiging dat economie onlosmakelijk verbonden is met politiek, dat zelfregulerende markten hun beloftes nooit waarmaken en dat de overheid moet bijsturen om maatschappelijke ellende te voorkomen. De grote waarde van Polanyi, schrijft Stiglitz in het voorwoord van de heruitgave van The Great Tranformation uit 2001, is dat hij ‘de mythe van de vrije markt blootlegt: er heeft nooit zoiets bestaan als een waarlijk vrij, zelfregulerend marktsysteem’.

Het is bij een eerste lezing van The Great Transformation nog niet eenvoudig om direct lessen te ontwaren voor de 21ste eeuw. Het is een doorwrochte en gelaagde studie die in detail beschrijft hoe de oprukkende marktideologie zorgde voor sociale ontwrichting. Hoe de Britse ‘armenwetten’, die in het leven waren geroepen om paupers te helpen, ontmanteld werden om een ‘vrije’ arbeidsmarkt te creëren. Hoe de invoering van de gouden standaard ervoor zorgde dat er een internationale markt voor geld ontstond, waardoor de ‘haute finance’ de macht naar zich toe trok. Maar de inzet is groter dan enkel geschiedschrijving. Zoals de ondertitel verklapt, was het boek in wezen een zoektocht naar ‘the political and economic origins of our time’. Polanyi probeerde de oorzaken van de Grote Depressie te doorgronden. Hij wilde een verklaring vinden voor de opkomst van het fascisme.

Voor Polanyi was het een absurd idee dat arbeid, land en geld op dezelfde manier verhandeld worden als een zak graan of een stoel

Zijn belangrijkste inzicht laat zich het best samenvatten in de twee regels die om die reden dan ook veelvuldig geciteerd worden: ‘Laissez faire was planned; planning was not.’ Het idee dat vraag en aanbod op een magische manier tot evenwicht zouden komen, vond Polanyi een gevaarlijke vorm van utopisch denken. Het is niet de onzichtbare hand van Adam Smith, maar de dirigerende hand van de overheid die aan de basis ligt van de markteconomie.

Liberale economen maken de fout te denken dat de economie los te koppelen valt van de maatschappij. Terwijl er in de geschiedenis nauwelijks voorbeelden aan te wijzen zijn van samenlevingen waarin ‘de markt’ de boventoon voert, constateerde Polanyi. Natuurlijk waren er marktplaatsen waarop goederen verhandeld werden, maar die waren altijd ingebed in een breder sociaal weefsel. Had een middeleeuwse bakker gevraagd hoe het met ‘de economie’ ging en hij zou je glazig hebben aangekeken. Toen Aristoteles schreef over ‘oikonomia’ had hij het over huishoudkunde. Pas eind achttiende eeuw begonnen moderne economen als David Ricardo en Thomas Malthus te praten over ‘de economie’ als een aparte sfeer. Dat was het moment waarop, in Polanyi’s woorden, de ‘natuurlijke orde’ verstoord raakte en de ‘menselijke samenleving verwerd tot een accessoire bij het economische systeem’.

Onder aanmoediging van de welgestelde klasse en met hulp van hun welgevallige beleidsmakers breidde de markt zich uit tot domeinen waar ze niets te zoeken had. Voor Polanyi was het een absurd idee dat arbeid, land en geld op dezelfde manier verhandeld worden als een zak graan of een stoel. Een mens is geen koopwaar. Van grond kan niet zomaar meer geproduceerd worden. En anders dan een appel of een peer is geld een sociaal construct dat niet aan bomen groeit. Alleen door hardhandig overheidsingrijpen konden deze ‘fictieve goederen’ worden onderworpen aan de wetten van vraag en aanbod.

Wat wél spontaan ontstond, was het maatschappelijke verzet van gemeenschappen die bescherming zochten tegen de invasieve marktlogica. Arbeiders probeerden zich te verenigen in vakbonden. Burgers begonnen uit zichzelf veiligheidsinspecties te organiseren in mijnen. En de gouden standaard die was bedoeld om internationale vrijhandel te stimuleren zorgde juist voor een toename van protectionistische maatregelen. Deze ‘tegenbewegingen’ waren onvermijdelijk, analyseerde Polanyi, want ‘toestaan dat het marktmechanisme de regie voert over het lot van mensen en hun leefomgeving, zou resulteren in de verwoesting van de samenleving’. Zulk verzet, begreep Polanyi, hoeft lang niet altijd van links te komen. Tegenbewegingen kunnen verschillende vormen aannemen, het kan een roep zijn om economische rechtvaardigheid, of een hunkering naar autoritaire leiders. Het is een van de redenen voor de bescheiden Polanyi-revival na de verkiezing van Donald Trump in 2016. Wie de economische oorzaken van het rechts-populisme wil doorgronden, vindt in zijn analytische raamwerk bruikbare handvatten. Zoals het fascisme in de jaren dertig een reactie was op de laissez-faire-mentaliteit die leidde tot de Grote Depressie, zo zouden nu de ‘verliezers van de globalisering’ in opstand komen door te stemmen op nationalistische demagogen. ‘Fascisme was, net als het socialisme, geworteld in een marktmaatschappij die weigerde te functioneren’, aldus Polanyi.

Toch geloofden beleidsmakers van links tot rechts tot voor kort heilig in de utopie van zo’n marktmaatschappij. Nederland vormde daarin bepaald geen uitzondering, zo beschrijven Sander Heijne en Hendrik Noten in het onlangs verschenen boek Fantoomgroei. Hoe kan het, vragen de auteurs zich af, dat de Nederlandse economie de afgelopen dertig jaar flink groeide, zonder dat werkende Nederlanders daarvan profiteerden? Waarom stagneerden de lonen terwijl het bbp bleef stijgen? Voor een antwoord gaan ze terug naar de jaren tachtig.

Dat was het decennium dat het neoliberale denken ook in de polder voet aan de grond kreeg, met dank aan Frans Rutten, die als topambtenaar het ministerie van Economische Zaken bestierde en een groep gelijkgezinden om zich heen verzamelde die hij tot ‘Rutten-boys’ doopte, naar voorbeeld van de fameuze Chicago boys, de bijnaam van de club economen die vanuit de Verenigde Staten het vrijemarktevangelie probeerden te verspreiden. Met succes. Toen Wim Kok in 1986 aantrad als partijleider van de pvda was dit marktdenken zo stevig verankerd dat de oud-vakbondsman zich er, onder het mom van de modernisering van de sociaal-democratie, klakkeloos naar voegde. In zijn eerste kabinet schonk hij de ministerspost op Financiën aan een ‘prominente Rutten-boy: Gerrit Zalm’.

Met de kennis van nu is het een koerswijziging die veel pvda’ers betreuren. Sociaal-democraten zijn, niet alleen in Nederland, op zoek naar een nieuw ideologisch fundament en dat gaat gepaard met een hernieuwde interesse in het werk van Polanyi. Zeker sinds de crisis van 2008 wordt hij onthaald als een ‘totem voor sociaal-democratie’, constateerde politicoloog Daniel Luban in het Amerikaanse tijdschrift Dissent. Polanyi biedt een gematigd en minder controversieel alternatief voor het marxisme. Maar zoals Luban terecht concludeert voegt de ‘ongrijpbare’ denker zich niet zo makkelijk naar die rol. Hij is weliswaar nooit voorstander geweest van een centrale planeconomie en geloofde dat de wereld uit meer bestond dan enkel klassenstrijd, maar je kunt The Great Transformation zonder al te veel fantasie lezen als een antikapitalistisch manifest. Als Polanyi al een sociaal-democraat was, dan wel een op de linkerflank, in een tijd dat de sociaal-democratie sowieso al een radicalere agenda had dan de huidige centrum-linkse partijen.

Er is vandaag geen pvda’er die hardop pleit voor fabrieken met arbeiderszelfbestuur. Zelfs veel hedendaagse SP’ers zullen afkeurend reageren op de politieke sympathieën die Polanyi erop nahield. Zo keek hij met welwillende interesse naar het bolsjewistische experiment en zelfs toen het sovjetcommunisme onder Stalin ontspoorde tot een moordlustige dictatuur bleef hij het regime in Moskou verdedigen.

Nadat zijn nichtje Eva ten tijde van Stalins ‘grote terreur’ op dubieuze gronden in de cel belandde was zijn initiële reactie dat ze het er zelf wel naar gemaakt zou hebben. Tot frustratie van zijn broer Michael, die niet begreep hoe Karl zo blind kon zijn voor het totalitarisme in de Sovjet-Unie. Het zou niet de enige keer zijn dat de twee broers, die van jongs af aan ontzettend hecht waren, verhitte politieke twistgesprekken voerden. Michael hield er een stuk liberalere denkbeelden op na dan zijn oudere broer en verdiende zijn eigen sporen als chemicus en filosoof. Zijn ideeën over ‘spontane orde’ en ‘stilzwijgende kennis’ vielen in de smaak bij Friedrich Hayek.

Een sleutelperiode in het leven van Polanyi is zijn verblijf in het ‘Rode Wenen’ tijdens het interbellum. Na de ineenstorting van het Habsburgse rijk proberen de socialisten in de Oostenrijkse hoofdstad op lokale schaal hun gedroomde samenleving te bouwen. Het is de plek waar hij Ilona Duczynska ontmoet, de vrouw met wie hij in 1923 in het huwelijk treedt. Vergeleken met haar man, die zich vooral profileert als theoreticus, heeft Duczynska een meer activistische inborst: ze is overtuigd communist en actief binnen allerlei linkse protestbewegingen. Ze krijgen één dochter, Kari, die later met een respectabele carrière als politiek econoom in de voetsporen van haar vader zal treden.

'The New York Times' zette Polanyi’s boek weg als ‘een subtiel pleidooi voor een nieuw feodalisme, een nieuwe slavernij’

In Wenen begint Polanyi als journalist te schrijven voor de Österreichische Volkswirt, een wekelijks magazine vergelijkbaar met The Economist, met als voornaamste verschil dat de Centraal-Europese variant minder aversie koestert tegen het socialisme. In de kolommen van het weekblad ontspint zich een discussie tussen Polanyi en de Oostenrijkse vrijemarktdenker Ludwig von Mises over de vraag of een socialistische economie überhaupt levensvatbaar kan zijn. Waar Von Mises gelooft dat enkel een systeem gebaseerd op privaat bezit, marktwerking en geld de menselijke vrijheid kon waarborgen, ziet Polanyi het ‘rode’ experiment in zijn thuisstad als bewijs dat het socialisme niet alleen mogelijk, maar ook humanistischer is dan een marktmaatschappij. Wat er in Wenen gebeurt is ‘een van de spectaculairste triomfen in de westerse geschiedenis’, schreef hij.

Dat spectaculaire experiment is van korte duur. Nadat in 1933 de Oostenrijkse fascisten de macht grijpen, vlucht Polanyi, die zich inmiddels tot het christendom heeft bekeerd maar beseft dat hij als geboren jood extra gevaar loopt, naar Londen, waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog de eerste schetsen voor The Great Transformation op papier zet. Tussendoor reist hij regelmatig naar de Verenigde Staten voor zijn collegetours. In Greyhound-bussen trekt hij door het land en geeft les op verschillende scholen en universiteiten in provinciesteden. Met elk bezoek raakt hij meer verknocht aan het land.

Zijn enthousiasme wordt mede gewekt door de New Deal, het stimuleringsprogramma van president Franklin Delano Roosevelt om de Amerikaanse economie na de Grote Depressie weer uit het slop te trekken. Het vormt een heldere breuk met het laissez-faire-denken. De overheid durft de touwtjes stevig in handen te nemen, breekt de macht van Wall Street, lanceert grootschalig banenprogramma’s en zorgt voor een steviger sociaal vangnet. In zijn brieven aan het thuisfront omschrijft Polanyi Roosevelt als ‘een groots leider’, die verantwoordelijk is voor een ‘grote transformatie in de Verenigde Staten’.

Het idee van een New Deal oefent zo’n tachtig jaar later nog altijd een enorme aantrekkingskracht uit. Politici presenteren allerlei varianten van een Green New Deal, om zowel de ecologische als de economische crisis het hoofd te bieden. Het plan om de oceaan te beschermen heet een Blue New Deal. Een Digital New Deal zou de macht van de grote techreuzen kunnen breken en een Cultural New Deal moet het Europese project nieuw leven inblazen. Wat al deze initiatieven met elkaar gemeen hebben is dat ze, net als het programma van Roosevelt destijds, een krachtige rol toebedelen aan de politiek. Markten kunnen de milieuproblemen niet oplossen. Ze bieden geen antwoord op de groeiende ongelijkheid en zijn niet in staat om de Europese Unie bijeen te houden. Daarvoor is politiek beleid nodig, concludeert ook Joseph Stiglitz in zijn nieuwste boek People, Power and Profits: ‘We hebben collectieve actie nodig om onze markteconomie te hervormen. (…) In onze evoluerende economie hebben we een toenemende behoefte aan overheidsingrijpen.’

Met die laatste stelling zou Friedrich Hayek het overigens niet helemaal oneens zijn geweest. Ook hij begreep dat laissez-faire overheidsbemoeienis vergt. Er bestaat nog een raakvlak tussen de twee ogenschijnlijke tegenpolen: uiteindelijk was het beide economen te doen om vrijheid – al verschilt de invulling die ze daaraan gaven. Voor Hayek vormde een socialistische planeconomie de grootste bedreiging voor de vrijheid van het individu. De voornaamste taak van de staat was optreden als een soort marktpolitie, zodat de onzichtbare hand z’n werk kan doen.

Voor Polanyi behelsde ‘vrijheid in een complexe samenleving’ meer dan vrij ondernemerschap. De voornaamste taak van de staat was het beteugelen van de markt om de menswaardigheid te beschermen. Geen wonder dus dat Polanyi fan was van Roosevelts New Deal, terwijl Hayek vreesde dat het de opmaat was voor economische malaise en totalitarisme.

Waar Hayek een prestigieuze post kreeg aan de London School of Economics en de officieuze Nobelprijs voor economie ontving, bleef de erkenning waarop Polanyi had gehoopt aanvankelijk uit. The Road to Serfdom was een onmiddellijke bestseller, van The Great Tranformation werden in de jaren na verschijning nog geen tweeduizend exemplaren verkocht. Het hielp niet dat The New York Times Polanyi’s boek in een recensie wegzette als ‘een subtiel pleidooi voor een nieuw feodalisme, een nieuwe slavernij’. De ideologische tweestrijd die zich aftekende tussen communisme en kapitalisme maakte de links angehauchte Polanyi bij voorbaat verdacht in de Angelsaksische wereld. Saillant detail: de betreffende NYT-recensent had een lovend voorwoord geschreven bij The Road to Serfdom.

Niet dat Hayeks ideeën onmiddellijk navolging vonden. Het was John Maynard Keynes die zou uitgroeien tot architect van de naoorlogse economische orde. Hij kwam met een ontwerp voor het Bretton Wood-stelsel van vaste wisselkoersen, wist beleidsmakers ervan te overtuigen om in tijden van tegenwind de economie juist te stimuleren en bepleitte de opbouw van een verzorgingsstaat die bescherming bood tegen de scherpe randjes van het geglobaliseerde kapitalisme.

Waar zijn broer Michael de ideeën van Keynes omarmde, was Karl een stuk minder enthousiast. Het keynesianisme was niet in staat om de fundamentele spanning tussen democratie en kapitalisme op te lossen. Het Bretton Woods-systeem was in zijn ogen een verkapte terugkeer naar de gouden standaard die zoveel leed had veroorzaakt. Land, arbeid en geld werden nog altijd als fictieve goederen verhandeld op de markt. Het naoorlogse verstandshuwelijk tussen arbeid en kapitaal leek in weinig op het Rode Wenen, waar hij een glimp had opgevangen van een humanere economie.

Ondanks de magere ontvangst van The Great Transformation polste zijn uitgever Polanyi onmiddellijk voor een vervolg. Dat boek zou er nooit komen, maar het onderzoek leidde Polanyi in de richting van de economische antropologie. Aan de Columbia Universiteit in New York begon hij archaïsche economieën te bestuderen, maatschappijen waar de markt op z’n hoogst een verwaarloosbare rol speelde. Om de contouren van een postkapitalistische samenleving te kunnen schetsen, verdiepte hij zich in prekapitalistische samenlevingen, zoals het oude Athene, waar niet winstbejag maar wederkerigheid de basis vormde.

Zijn romantische voorstelling van de premoderne samenleving kwam hem op de nodige academische kritiek te staan. Hij zou het verre verleden wat al te rooskleurig afschilderen en vooral op zoek zijn naar illustraties die zijn eigen afkeer tegen de markteconomie konden ondersteunen. Het idee dat de mens voor de ‘ontdekking’ van de markt harmonieus samenleefde met elkaar en de natuur is misleidende fictie. Maar zijn scepsis over het ‘geloof in vooruitgang dat ons blind zou maken voor de rol van de overheid in de samenleving’ is in tijden van ecologische crisis onverminderd actueel. Het verklaart waarom ook een deel van de groene beweging Polanyi heeft omarmd. Een losgezongen markteconomie is niet enkel schadelijk voor de samenleving, maar voor de hele levende planeet. Het idee dat de handel in CO2-rechten de oplossing kan bieden voor klimaatverandering bewijst dat het marktdenken nog altijd domineert. In plaats van de natuur te zien als het fundament van ons bestaan praten we over ‘hulpbronnen’, ‘natuurlijk kapitaal’ en ‘ecosysteemdiensten’.

Hoewel ook zijn sympathisanten niet kunnen ontkennen dat Polanyi er in zijn historische analyse op sommige punten feitelijk naast zat, is de originaliteit van zijn grote greep de reden dat hij 56 jaar na zijn dood alsnog de waardering kreeg die hij verdient. ‘Polanyi had sommige details mis, maar zag het grote plaatje goed’, vatte journalist Robert Kuttner het samen in The New York Review of Books.

Het is een veelvoorkomend misverstand dat Polanyi met de titel van zijn magnum opus verwees naar de industriële revolutie. Want de grote transformatie waarop hij doelde ligt niet in het verleden, maar in de toekomst. Polanyi hoopte dat na de Tweede Wereldoorlog, toen iedereen de verwoestende effecten van losgeslagen marktwerking kon zien, de weg naar een betere wereld kon worden ingeslagen. Maar de historische dynamiek van beweging (vermarkting) en tegenbeweging (verzet tegen die vermarkting) zette zich na zijn dood onverminderd voort. Nadat het keynesianisme eind jaren zeventig in ongenade was geraakt zagen de neoliberalen hun kans schoon. Zij begrepen maar al te goed dat een crisis het uitgelezen moment is om nieuwe ideeën aan de man te brengen.

‘De coronaviruscrisis is Polanyi’s tegenbeweging op steroïden,’ schreven Anton Jäger en Steve Klein onlangs in een artikel voor het Britse tijdschrift Tribune. ‘Geconfronteerd met een overweldigende bedreiging voor hun samenleving, kozen regeringen voor het radicale besluit om de markt op te offeren aan collectieve veiligheid.’ Nu oude zekerheden opnieuw aan het wankelen worden gebracht, winnen tegenbewegingen onmiskenbaar aan kracht. De grote vraag is welke richting die opgaan. Kijken we voor bescherming naar ‘sterke leiders’ of bouwen we aan een weerbare en eerlijke economie? Voor de wereldverbeteraars die dit laatste pad willen bewandelen en menen dat we niet simpelweg kunnen terugkeren naar het keynesianisme of marxisme, biedt Polanyi een vruchtbaar alternatief. Al zijn theoretische inspanningen waren ingegeven door een verlangen naar een samenleving waarin niet de markt maar de mens de maat der dingen is. Ruim 75 jaar na de publicatie van zijn meesterwerk laat die ‘grote transformatie’ nog altijd op zich wachten.