Het kleine geluk van de nieuwbouwwijk

Mens, durf te wonen

Vrijheid, gelijkheid, nabuurschap – in het rijtjeshuis is de Franse Revolutie tot voltooiing gekomen. Waarom wordt het nog steeds onderschat, dat hoogtepunt van nieuwbouw? Over de schoonheid en charme van allemaal dezelfde huizen op een rijtje.

Medium wonen

In de documentaire De mooiste jongen van de klas (uitgezonden op 27 mei en nog te bekijken via hollanddoc.nl) kijkt documentairemaakster Suzanne Raes vol nostalgie terug op haar met linkse idealen doordrenkte jeugd in de jaren zeventig: ‘Wij zijn als kind in de toverketel met goede bedoelingen gevallen.’ Ze kijkt terug met weemoed, maar ook met frustratie, want er is niet alleen niet veel van die idealen terechtgekomen, ze lijken inmiddels volkomen achterhaald en zelfs belachelijk. Ze weet zich geen raad met die ‘ingeprente’ idealen: ‘Wij zitten nu ongemakkelijk te schuiven op onze bankjes in de linkse kerk.’

De documentaire is eigenlijk een portret van de lagere school waarop Raes zat; een van de oud-klasgenoten die ze opzoekt en die ondernemer en vvd-stemmer is geworden, kan haar haarfijn uitleggen hoe anders deze tijd is dan die waarin zij opgroeiden: ‘Deze tijd is eigenlijk heel simpel: je wilt iets en je koopt het… Het enige probleem is dus dat je er het geld voor moet hebben.’ Tegenwoordig is het ‘ieder voor zich’, terwijl het vroeger op school heel anders was, toen stond alles in het teken van samen: samen delen, samenwerken, samenzijn…

De documentaire is ook een portret van een wijk, een nieuwbouwwijk in Nijmegen. De moeder van Raes vertelt over de bijzondere pioniersgeest die door de wijk rondwaarde: ‘Alles was nieuw in de wijk en we hadden allemaal kleine kinderen… We dachten allemaal: wauw, WIJ gaan het goed doen.’ Op de achtergrond horen we tijdens de documentaire regelmatig Den Uyl declameren: ‘Wij geloven in de droom van die andere samenleving en die droom zal nooit sterven.’ Raes en de andere kinderen in de buurt en bij haar in de klas wóónden in goede bedoelingen.

Eenzelfde heimwee naar de jaren zeventig, én nog veel meer frustratie, beheerste in steeds sterkere mate het leven van wijlen Anil Ramdas, zo bleek uit de onlangs verschenen memoir die Stephan Sanders ter nagedachtenis aan hun vriendschap schreef: Iets meer dan een seizoen. Hij karakteriseert daarin Ramdas als ‘nieuwbouw-Nederlander’. Voor Ramdas, die in 1977 vanuit Suriname naar Nederland was gekomen, ‘hield de Nederlandse nieuwbouw een belofte in. Een vooruitgang. Alles nieuw en schoon en strak, zonder vervallen plafonds en doorrottend houtwerk. Stevig beton, huizen die nooit lekten.’

Ramdas viel als een blok voor ‘het vooruitstrevende, gidslandachtige Nederland’. Sanders: ‘Anils ijkpunt was 1977 – zijn jaar van aankomst. Hij heeft later wel schertsend gezegd dat hij dat Nederland had willen conserveren. Een stolp eroverheen. Klimaatcontrole. Want dat was Nederland op z’n best, dat was het Nederland waarop hij zich had geabonneerd.’

Terwijl Sanders zich juist probeerde te ontworstelen aan een beschermde jeugd op het Nederlandse (Twentse) platteland en droomde van een los en avontuurlijk, ‘werelds’ leven in de grote stad, voelde Ramdas zich in de Amsterdamse buitenwijk Venserpolder als een vis in het water, hij genoot van ‘het ordentelijke, de rechte straten met garages, de tuinen daarachter, met tegels of gras’. Ramdas zag ‘schoonheid en subtiliteiten in rijtjeshuizen en twee-onder-een-kappers’ die Sanders geheel ontgingen.

Documentairemaakster Raes deelt Ramdas’ voorliefde voor nieuwbouwwijken en rijtjeshuizen en die voorkeur is evenzeer ideologisch geladen. In de Nijmeegse nieuwbouwwijk waar ze opgroeide draaide het niet alleen allemaal om samen, maar ook om gelijkheid. De wijk bestond voornamelijk uit rijtjeshuizen, waarvan Raes weliswaar toegeeft dat dat wel wat eenvormig oogde, maar die toch vooral ‘een eigen schoonheid’ hadden. Dat ben ik zeker met haar eens. Toch ga ik in mijn liefde voor het rijtjeshuis niet zo ver als Raes. Zij laat, zoals zoveel bevlogen en vastberaden mensen doen, esthetiek en ethiek samenvallen. Het rijtjeshuis is wat Raes betreft de realisatie van een welhaast platoons ideaal: het rijtjeshuis is Waar, Goed en Schoon.

Hoewel ik net als Raes opgegroeid ben in rijtjeshuizen in nieuwbouwwijken (en bijna even oud ben) en daar eenzelfde voorliefde voor rijtjeshuizen aan heb overgehouden, wil ik daar meteen bij zeggen dat ik minder principieel ben – ik ben zeg maar een vrijzinnige, links-liberale rijtjeshuis-adept. Misschien lag dat er ook aan dat ik niet in een ‘progressief’ maar in een gereformeerd milieu opgroeide, wat blijkbaar makkelijker is om achter je te laten. Je kúnt trouwens niet eens meer gereformeerd zijn zoals wij dat waren, want die kerk is opgegaan in de Protestantse Kerken Nederland, grofweg een fusie van de gereformeerde en hervormde kerk – mijn lagereschooltijd stond bepaald niet in het teken van ‘samen’, maar juist van verschil tussen hervormden en gereformeerden.

Hoe dan ook, Raes wil van geen wijken weten. Als ze terug is in de wijk waar ze opgroeide, moppert ze erover dat de huurhuizen van toen aan particulieren zijn verkocht, dat de welstandsregels zijn versoepeld en dat de huiseigenaren er een potje van maken: ‘Ieder huis heeft nu een andere voordeur en iedereen verft zijn kozijnen het liefst in een andere kleur dan zijn buren. Het geheel is nu minder mooi dan de delen.’ Ze beklaagt zich erover tegenover haar broer, met wie ze de wijk bezoekt: valt hem ook niet op hoe rommelig het er nu uitziet? Maar broerlief denkt er anders over: ‘Ik vind het eigenlijk wel leuk, al die verschillende deuren en kozijnen.’

Precies dat vind ik ook ‘leuk’, al is dat misschien niet het goede woord. Het is wat mij betreft het rijtjeshuis in optima forma: het gaat er natuurlijk niet om gelijkheid af te dwingen, maar gelijkheid te paren aan vrijheid. Een koor dat als uit één keel zingt kan indrukwekkend klinken, maar is al snel monotoon; een canon is al beter en nog beter is meerstemmigheid. Al heeft Raes gelijk dat het ook weer niet een kakofonie moet worden.

Van wat we in de documentaire van Raes te zien kregen, leek mij de buurt waarin zij opgroeide geen kakofonie te zijn geworden maar eerder een bont tapijt. Al die verbouwde rijtjeshuizen laten juist mooi zien dat het mogelijk is twee ogenschijnlijk strijdige idealen, vrijheid en gelijkheid, beide aan te hangen. Naast het, laten we zeggen, socialistische ideaal van volkshuisvesting en het liberale ideaal van het ‘eigen huis’ is het rijtjeshuis geloof ik niets minder dan een ‘derde weg’. Op zich worden eengezinswoningen al met grote argwaan bekeken, door zowel liberalen als socialisten, omdat ze de bewoners ofwel conformistisch of juist te individualistisch zouden maken. Zeker in het geval van rijtjeshuizen, maar eigenlijk geldt het voor alle eengezinswoningen, zijn dit bekrompen visies, want deze woningen bieden zowel autonomie als gemeenschap, zowel vrijheid als verplichtingen, individualisme én gelijkheid. Ik zou er bijna enthousiast van worden: als iedereen een eigen rijtjeshuis heeft, is daarmee de Franse Revolutie eindelijk alsnog voltooid: vrijheid, gelijkheid, nabuurschap.

Ironisch is wel dat de door Raes bejubelde Den Uyl zich als wethouder Economische Zaken in Amsterdam voornamelijk heeft ingezet voor twee megaprojecten, namelijk de creatie van de nieuwe stadswijk Bijlmer en de vestiging van petrochemische industrie in Amsterdam, zo werd duidelijk in (het eerste deel van) de biografie van Anet Bleich. Het laatstgenoemde megaproject mislukte en hoewel het eerste in eerste instantie goed van de grond kwam, bleek ook de Bijlmer al snel een mislukking. De wijk werd binnen de kortste keren van prototype van collectivistische woningbouw tot schrikbeeld.

Wellicht had Raes, als ze per se een pvda’er als held had willen hebben, beter voor de oude Drees kunnen kiezen. Drees is toch de beroemdste rijtjeshuisbewoner ooit, hij woonde van 1945 tot zijn dood in 1988 aan het legendarisch geworden adres Beeklaan 502 in Den Haag.

Een van de stedenbouwkundige reacties op het echec van de Bijlmer was Almere: Almere moest géén ‘megaproject’ worden maar kleinschalig en dorps. En er kwamen geen flats maar rijtjeshuizen en woonerven. Toch kun je ook Almere wel degelijk beschouwen als gerealiseerde – en dus tot mislukken gedoemde – utopie. Er zat een idee achter Almere: ‘meerkernigheid’. Almere moest een soort spiegelbeeld worden van ’t Gooi, met z’n vele dorpen en stadjes.

Bovenstaande legt Stephan Sanders keurig uit in Iets meer dan een seizoen. Dat boek is namelijk behalve een herinnering aan Ramdas ook een verslag van een verblijf van Sanders in Almere. Hij verbleef daar in het voorjaar van 2010 bijna een half jaar, als writer in residence. op uitnodiging van de gemeente Almere. De gemeente had daarmee de bedoeling het imago van Almere te verbeteren, want een ’t Gooi is Almere bepaald niet geworden – in 2008 was Almere nog door _Volkskrant-_lezers verkozen tot ‘lelijkste plek van Nederland’.

Toen Sanders begin 2012 zijn boek over Almere bijna af had, pleegde zijn oude vriend Ramdas zelfmoord. Daarmee werd voor Sanders het simpelweg voltooien van het boek ongepast. Hij herschreef het boek, hij verweefde in zijn boek over Almere het verhaal over zijn vriendschap met Ramdas. Eigenlijk was dat ook onvermijdelijk, want als er iemand geschikt was voor Almere, dan was Ramdas het wel. Hoewel, in 2010 is Ramdas alleen nog maar kwaad op Almere, dat bij de gemeenteraadsverkiezingen massaal op de pvv stemde, en kwaad op heel Nederland… op de hele wereld eigenlijk. Toch leert Sanders zichzelf langzaam maar zeker door de nog welwillende ogen van Ramdas naar Almere te kijken. ‘Het had heel goed gekund dat hij toen naar Almere was verhuisd, hij had zich daar prima gered. Ik weet zeker dat hij me getrakteerd had op prachtige feeërieke verhalen over de ongelooflijke Nieuwe Stad.’

Ramdas was namelijk ‘de perfecte, mobiele suburb-bewoner’, die geen horeca of andere gelegenheden naast de deur nodig heeft. ‘Wat je nodig had was een tuin, of liever nog een “erf” dat zich liet afpalen. Daarop een simpele maar stevige woning (Anil zei nooit “huis”) die ruimte liet voor verbouwing en uitbreiding. Dat was je ware leven.’

De les die Sanders leert is dat inwoners van Almere niet zozeer in de stad met die naam wonen, maar in een huis, dat toevalligerwijs in Almere staat. ‘Het heeft me op een andere manier naar Almere leren kijken: minder als de man uit Amsterdam. Meer als de huizenzoeker die zich hoe dan ook ergens wil vestigen, het liefst op een eigen stukje grond van de aarde.’

Zoals gezegd is Almere niet geworden wat men gehoopt had, wat gepland was. Is het daarmee een mislukte stad? In een fraaie, bijna bezwerende passage staat Sanders stil bij die vraag – en bij de vraag naar Ramdas’ zelfgekozen levenseinde: ‘Kan een stad mislukken? Ik geloof het niet, een plan kan mislukken maar een stad niet. Net zo min als een leven – dat kan anders lopen dan verwacht, gehoopt, gepland, voorzien, gewild en nog zo wat. Het kan stranden in middelmaat, verworden tot sleur, uitlopen op een deceptie. Maar mislukken kan een leven niet.’

De tragiek van Ramdas was dat hij, die zich zo graag wilde settelen, daar toch niet mee kon leven. Hij wilde of kon zich er niet bij neerleggen. Ramdas moet gedacht hebben dat settelen onvermijdelijk een einde zou maken aan alle streven, aan vooruitgang.

Eind vorig jaar publiceerde politiek filosoof Robert Goodin een bijzonder verhelderend essay(boekje,) On Settling, waarin hij uiteenzet dat settelen géén afgang, nederlaag of mislukking is. Eigenlijk is Goodins essay een (laat) antwoord op een veel geciteerde opmerking van de zeventiende-eeuwse politiek denker Thomas Hobbes: ‘Ik stel (…) één eigenschap voorop die alle mensen gemeen hebben: een aanhoudende en rusteloze begeerte naar macht en nog meer macht, die pas eindigt met de dood.’ Goodin nu stelt niet dat Hobbes daar ongelijk in heeft, maar wel dat het slechts de halve waarheid is. Hobbes heeft gelijk als hij mensen voorstelt als wezens die streven, naar méér, béter, hóger… Je zou het een noodlot kunnen noemen, of een opdracht, zoals de (Franse) Revolutionair Danton: ‘We moeten het erop wagen, nogmaals wagen, altijd blijven wagen.’ Volgens Goodin is dit streven niet altijd en overal vol te houden zonder dat we het afwisselen of aanvullen met ‘genoegen nemen’.

Om daadwerkelijk verder te kunnen blijven komen zullen we ons op een gegeven moment ergens moeten vestigen en niet verder zoeken. Alleen maar streven levert eigenlijk niets op, behalve onrust en ontevredenheid. Het heeft geen zin een positie te bereiken als je er niet op z’n minst een tijdje verblijft, als je je er niet settelt. Je kunt weliswaar weinig bereiken zonder te streven, maar als je steeds maar blijft streven, bereik je ook niets. Dit is wat Goodin – die ook nog een boeiend en belangwekkend politiek-filosofisch betoog houdt – zegt: blijf streven, maar sta ook regelmatig langere tijd stil bij wat je bereikt hebt: tel je zegeningen.

Volgens Hobbes kan slechts de dood ons verlossen van onze drang tot streven en kan een leven in dat opzicht niet echt slagen. Maar zoals Sanders terecht opmerkt, kán een leven niet echt mislukken. Dat is wellicht een schrale troost, want als een leven niet werkelijk kan mislukken, kan het ook niet werkelijk een succes worden – het zal ‘stranden’. Dat stranden nu zou een settelen moeten worden: je ergens vestigen is immers tot een schikking, een regeling (settlement) komen en dat is meer dan een afgemeten compromis, maar werkelijk iets waar je ondanks alles mee kunt leven: het is een modus vivendi.

Terwijl Ramdas altijd op zoek was naar een huis, zich dolgraag wilde settelen, maar daar, als puntje bij paaltje kwam, steeds terugschrok, zo vreesde Sanders in eerste instantie ook settelen, maar komt hij gelukkig – nog juist op tijd? – tot de ontdekking hoe heerlijk en zelfs troostrijk het je ergens vestigen, hoe tijdelijk en voorlopig ook, kan zijn. De Grote Schrijver uit de Grote Stad verzoent zich met het alledaagse leven van een wel heel middelmatige woonstad: ‘Ik heb vandaag door de stad gelopen en die was goed zoals ie was (…) Ik heb mijn omgeving voor lief genomen, niet uit liefde en ook al niet uit onverschilligheid, maar omdat mijn kritische reflex het heeft laten afweten. Zomaar, zonder dat daar enig besluit aan vooraf ging. (…) Dit volstrekt onnadrukkelijk gedrentel door de stad die ik nu leer kennen; dit komt nog het meest in de buurt van inburgeren.’ Dát is settelen.

Raes’ documentaire is, zoals gezegd, ook een portret van een klas. Eén voor één gaat ze bij de oud-klasgenoten langs om te zien hoe ze terecht zijn gekomen en of en hoe ze de ‘ingeprente idealen’ verwerkt hebben. Een van die klasgenoten blijkt een journalist van de Volkskrant, Toine Heijmans. Deze Heijmans schreef in de Volkskrant een column over zijn verhuizing van de Amsterdamse binnenstad naar Vinexwijk IJburg en heeft daar later een boek van gemaakt: La vie vinex: Over leven in een nieuwbouwwijk.

In dat boek haalt Heijmans net als Raes bijzonder goede herinneringen op aan zijn ‘nieuwbouwjeugd’: ‘Dit is wat ik me herinner van mijn wijk: eindeloze dagen zonder tegenslag in een groene, onbedreigde wereld. Het was de zorgeloosheid, dat vooral.’ Later trekt toch de grote stad en betrekt hij een appartement in Amsterdam. Maar dan krijgt hij een relatie en een kind: ‘Het losse leven in de stad was voorbij, dat wisten we, en er moest wat anders voor in de plaats komen.’ Maar ja, waar? Niet in nieuwbouw, dat wisten ze wel: ‘Vinex bleef een scheldwoord; het was alles wat je niet wilde zijn. Vinexwijken werden gebouwd voor de middelmaat, dacht ik, voor modelmensen. Doorsneevolk. Zes uur aan tafel. Stilstaand water.’

Maar ja, uiteindelijk ‘ligt zo’n nieuwbouwwijk voor de hand: je kunt er wonen zonder rompslomp. Veel voor weinig. Het is een rationeel besluit. Het is een doodgewoon, menselijk mechanisme: een kwestie van toegeven dat je ook maar gewoon een Vinex-mens bent.’

Zo ongeveer begint het boek, waarin Heijmans vervolgens de ‘avonturen’ beschrijft die hij in zijn nieuwbouwwijk beleeft. Natuurlijk zijn dat geen grote en meeslepende avonturen, maar is het klein geluk. En dat is heel wat; uiteindelijk moet Heijmans zelfs concluderen dat zijn ‘wijk meer is dan een toevallige plek om te wonen, meer dan een vluchtplaats voor jonge gezinnen. Er is leven hier.’