Waarom zou je een dagboek bijhouden? Voor een kind voelt een dagboek als een vanzelfsprekendheid. Het bezit ervan maakt van een meisje een klein vrouwtje. Het schriftje, plechtig verstopt onder het bed of kussen, spreekt van een gewichtig intern leven, van volwassen geheimen die te belangrijk zijn om te verzwijgen maar te privé om hardop uit te spreken. Ik heb als kind, als tiener en ook in de afgelopen jaren verschillende dagboeken bijgehouden. Maar ik heb altijd getwijfeld aan mijn eigen motivaties.

In de praktijk was er namelijk weinig om op te schrijven. De fictieve dagboeken die ik kende uit jeugdliteratuur zaten vol spannende avonturen waarvan de ouders niet mochten weten, maar ikzelf had alles er meestal al uitgeflapt aan het avondeten. Mijn kinderdagboeken zijn dan ook een stuntelige lappendeken van plagiaat. Een groot deel van de verhalen is mij aantoonbaar niet overkomen, en de zinnen staan stijf van zelfbewuste lolligheid. Het is duidelijk: ik wilde dat ze gelezen werden. Ik schreef voor een publiek.

Wie is het publiek van zo’n schreeuw om aandacht? Gewone oude dagboeken zijn, net als babyfoto’s, alleen maar leuk voor jezelf en je naasten. Als ze leuker zijn dan dat, dan heb je valsgespeeld, dan heb je het expres gedaan. Dan heb je een nepdagboek bijgehouden dat eigenlijk voor publicatie bestemd was. Joan Didion schrijft in haar essay On Keeping a Notebook dat zij zichzelf bij het teruglezen van haar dagboeken ook betrapte op onwaarheden, aandikkingen en de impuls om te verhalen. Het allereerste dat ze ooit in een dagboek schreef, op haar vijfde, was een fictieverhaal – geen verslaglegging dus. Wat is zo’n dagboek dan nog waard als document? Didion vergeeft het zichzelf, besluit dat een dagboek ook niet om feiten hoort te draaien, maar juist om hoe het voelt om jou te zijn, om in gesprek te blijven met die eerdere versies van jezelf. ‘Remember what it was to be me: that is always the point.’

Joan Didion, circa 1977 © ANP / Everett Collection

Toen een paar jaar geleden de verzamelde dagboeken van essayist David Sedaris verschenen, las ik ze gretig. Ik was groot fan van Sedaris en ik vermoedde dat er in zijn dagboeken een soort sleutel tot het leven zou liggen. Of in ieder geval een sleutel tot het dagboekschrijven. In de introductie legt hij uit dat een dagboek bijhouden iets is dat je moet leren. Eerst hou je namelijk het dagboek bij waarvan je stiekem verwacht dat het gelezen zal worden (‘Hij ook al!’ dacht ik opgelucht). In zijn geval deed hij zich veel politiek geëngageerder voor dan hij daadwerkelijk was, en verzweeg hij zijn drankprobleem.

Dat hield op, schrijft Sedaris, toen hij gewoon de dingen ging opschrijven die er om hem heen gebeurden. De dingen die hem opvielen noteerde hij gedurende de dag in een boekje en schreef hij de volgende ochtend uitgebreid uit. Zijn instructies: als je dit doet moet je de verleiding weerstaan om je gevoelens op te schrijven. Die zullen je vervelen wanneer je jezelf later terugleest. Details en observaties, geen emoties. Als ik naar de dagboeken uit mijn tienertijd kijk, snap ik wat hij tegen emoties heeft. Een willekeurige bladzijde levert deze zin op: ‘Als ik maar niet ga huilen, ik vind het allemaal zo vreselijk genant.’

Dus toen ik Sedaris gelezen had en ik eindelijk begreep hoe een dagboek nou echt moest, ging ik het op zijn manier doen: kleine, feitelijke observaties opschrijven. Teksten op T-shirts, grappige ontmoetingen in de tram, weetjes uit het nieuws. Maar al gauw werd het onbevredigend: mijn observaties waren lang niet zo leuk als die van David Sedaris. Ik ben sindsdien mijn leven met opzet gaan leven, in de hoop dingen tegen te komen die het opschrijven waard zijn. Het is een farce, dat is duidelijk.

Als het erop aankomt leef ik als dagboekschrijver dus achterwaarts: ikzelf en misschien wel vele andere lezers in de verre toekomst lezen met lichte spot en vertedering mijn oude dagboek. Mijn iets minder toekomstige ik schrijft dus een dagboek. Mijn huidige ik moet dus dingen meemaken voor in dat dagboek. Wat is er anders te lezen in de verre toekomst?

Wie op haar eigen manier achterwaarts leeft is mijn oma, die op dit moment dementeert in een bejaardentehuis. De tijd gaat gewoon chronologisch maar zij vergeet haar dagen van achteren naar voren. De laatste dertig jaar of wat verdwenen in een keer, daarna vergat ze de scheiding, toen vergat ze dat die hele man bestaan had. Laatst vergat ze de oorlog, dus nu zal er nog maar heel weinig over zijn. In dit geval zijn dagboeken een essentiële reddingsboei. Althans, dat dacht ik toen ik laatst in het huis was waar zij vijftig jaar heeft gewoond, een huis vol spullen, zorgvuldig verzameld en prompt vergeten. Haar meubels (rookglas, vaal leer) en kleren (schoudervullingen, rayon) benauwden mij, en ik ging op zoek naar fotoalbums, brieven, en vooral: dagboeken. Ik stelde mij voor dat zij, iemand met echte levenslust en weinig creatieve ambitie, misschien wel in het bezit zou zijn van het Pure Eerlijke Dagboek – iets dat écht niet voor anderen bedoeld was, en daarmee mooier dan kunst.

Ik vond weinig. De brieven die ze had bewaard waren juist niet de persoonlijke, op een enkel kattebelletje na bewaarde ze vooral de rouwkaarten van een dozijn dode broers en zussen. Het enige dat een dagboek genoemd mag worden is een stapeltje aantekeningen, bijeengehouden met een paperclip. Het is een reisdagboekje van haar reis naar Egypte, toen ze al bijna vijftig was. Ze beschrijft Caïro (‘stof en nog eens stof’) en de pleinen daar (‘Parijs is er niets bij’), de kleuren (‘een beetje hemels, heel verfijnd’), een museum (‘groots maar somber’) en de Nijl (‘groots maar niet mooi’).

Maar waar is zij zelf? Nergens in het kriebelige handschrift zie ik die vrouw wier donkere wenkbrauwen ik heb gekregen, die zichzelf niet meer op foto’s herkent, laat staan in het gezicht van haar kleindochter. Het zand en de musea kunnen me gestolen worden – waar is oma, die een scherpe tong had, die de hele krant las en van roddelen hield? Wat voelde ze, wat dacht ze nou écht, en waarom schreef ze het niet op? Wat er nog het meest in de buurt komt: ‘De gezelligheid en de beperkingen van het gezelschap worden duidelijker.’ Wat? Weid uit! Welk gezelschap? Wat was er gebeurd die avond – hadden ze gekaart, hadden ze te veel gedronken, was er een ruzie of een flirt? Dat schrijft ze niet. Er was alleen de boot, die om zeven uur de volgende ochtend vertrok.

Nu heb ik het dus in handen, een dagboek vol observaties, een eerlijk dagboek dat voor niemand bedoeld is, en ben ik alleen maar teleurgesteld. Bij dezen geef ik graag Joan Didion gelijk, en niet David Sedaris. Een dagboek draait niet om feiten en observaties, maar om wie je was toen je het schreef. En wie was je anders dan een mens tussen de mensen, een mens dat misschien wel gelezen ging worden? Laat de mensen dan toch voor een publiek schrijven! Wie zich gehoord voelt laat zich tenminste horen. Mijn dagboekadvies is uiteindelijk: schaam je maar niet voor de pretentie. Al blijk je later een aansteller, een fantast, een dromer of een huichelaar, je verdwijnt in ieder geval niet achter een lijstje feiten. Feiten blijken aan het einde van je leven net zo bruikbaar als rookglas en schoudervullingen; schroot waar de mens uit verdwenen is.