Profiel: Job

Mens geworden door te twijfelen

Job woonde «in het land Uz», zo staat het in de bijbel.

Hij was rijk, zelfs als we de maatstaven van nu aannemen: «Zijn bezit bestond uit zevenduizend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een zeer grote slavenstoet.»

Daarnaast had hij nog eens zeven zonen en drie dochters, en met recht wordt hij dan ook «de rijkste van alle bewoners van het Oosten» genoemd.

Hoe hij dit kapitaal had vergaard, meldt de bijbel niet, wel dat Job «vroom» en «oprecht» was «en wijkende van het kwaad» — criteria waaraan God de mensen beoordeelde.

Jobs kinderen — ach, het waren kinderen van een rijke vader — vertrouwde hij niet helemaal, want zijn zonen plachten regelmatig een gigantisch feestmaal aan te richten waarbij hun zusters werden uitgenodigd. En als de dagen van dat feestmaal voorbij waren — dat moeten dus wel enorme feesten zijn geweest — dan had Job de gewoonte ontwikkeld om zijn kinderen te ontbieden en dan bracht hij voor ieder van hen een brandoffer. «Want Job dacht: misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd.»

Job was dus ook nog eens een goede vader. Iemand die de jeugd begreep. Een lieve man, dat blijkt uit alles.

God dacht daar ook zo over.

Aldus begint het boek Job dat Multatuli — in een brief aan Tine — «de eerste roman ter wereld» noemde. Jammer genoeg heeft Multatuli niet direct over Job geschreven, maar wel kunnen we, zoals we straks laten zien, rustig aannemen dat Multatuli — zijn naam betekent immers «ik heb veel geleden» — zich regelmatig door Job heeft laten inspireren. En het klopt dat dit misschien wel de eerste roman ter wereld is, als we de roman definiëren als iets waarin iemand een ontwikkelingsgang doormaakt. Als er iemand een ontwikkeling doormaakt, is het Job wel.

«Op zekere dag», zo lezen we, vindt er een topontmoeting plaats tussen God en de satan. God vraagt waar de satan al die tijd is geweest. Welnu, die heeft een zwerftocht over de aarde gemaakt. Waarop God vraagt: «Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezende en wijkende van het kwaad.»

We moeten toch even bij deze ontmoeting stilstaan. Romantechnisch gezien gebeurt hier iets interessants: we krijgen een kijkje in de gezellige keuken van God, waar af en toe de satan mag komen. We krijgen dus voorwetenschap, want wij, de lezers, mogen iets lezen wat Job ontgaat.

En wat in dit voorstukje vooral opvallend is, is de mooie vraag die de satan aan God stelt, namelijk: «Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land.»

De vraag is slim, want de satan verleidt God open kaart te spelen. Eigenlijk zegt de satan: «Lekker makkelijk om mij op Job te wijzen die jou zo aardig vindt, want je hebt hem zo gemaakt dat hij jou wel aardig móet vinden.» En je voelt de vraag van de satan dan al aankomen: «Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit — of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen.»

Letterlijk: duivels.

En dan begaat God in al Zijn almacht een fout — Hij trapt in deze streek van de duivel. Hij zegt tegen de satan: «Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken.» Met andere woorden: God laat zich door de satan verleiden — en Hij gaat erop in.

Dat had hij natuurlijk nooit mogen doen. «God dobbelt niet», zegt Einstein, maar nu dobbelt Hij wel met Job, met een mens, en erger: Hij laat in wezen de satan met Job dobbelen, met een uitkomst die Hij al redelijk vermoedt. Dat laatste maakt het schurkerig, want weinig ethisch; God laat Job nodeloos ten diepste lijden. God had natuurlijk tegen de satan moeten zeggen: «Barst maar!» Maar nu stopt Hij via de satan Job vol met het lijden. Dat is niet alleen onaardig, maar ook dom, zoals we zullen zien.

De vraag lijkt gerechtvaardigd waarom God dit doet. Wil Hij de satan iets bewijzen, hem een lesje leren? De satan «gelooft» Hem niet. Dat is misschien onverstandig van de satan, maar moet God Zijn almacht bewijzen door in wezen met Job te laten spelen? Je zou ook kunnen denken dat God de mens iets wil bewijzen, maar dat gebeurt juist helemaal niet. Hij bewijst alleen de satan iets, die dat per definitie niet gelooft en nooit en te nimmer zal geloven.

Het vervolg van het verhaal is verschrikkelijk. Alles rond en om Job gaat dood en kapot, plaag op plaag, ziekten, moord en doodslag — het kan niet op.

Job is ontroerend: «(Job) scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd; daarop wierp hij zich ter aarde, boog zich neer en zeide: Naakt ben ik uit de schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik daarin wederkeren.» Job krijgt zo’n jeuk dat hij zich de hele dag moet krabben met een potscherf.

Zijn vrouw, ze heeft helaas geen naam, zegt — ik zeg het even op de Nico ter Linde-manier: «Moet je jezelf eens zien staan in al je vroomheid. Zeg die God van jou toch vaarwel en sterf.»

Job noemt haar «een zottin» en begint dan met redeneren door een vraag te stellen: «Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?»

Ook dat is weer heel aardig van Job.

Job begrijpt zijn lot niet, maar heeft op dat moment nog geen twijfel. «Hij houdt stand ook bij de zwaarste beproeving.»

De problemen komen pas wanneer zich drie vrienden bij Job aandienen.

De Temaniet Elifaz.

De Suhiet Bildad.

En de Naämathiet Zofar.

Drie jeugdvrienden. Ze willen Job komen troosten. Als ze hem zien, herkennen ze hem niet, zo erg heeft de duivel huisgehouden. Wanneer ze hem herkennen, doen ze iets wat we tegenwoordig niet goed begrijpen, maar wat waarschijnlijk een vorm van medelijden is: «Zij verhieven hun stem en weenden, scheurden hun mantels en strooiden stof op hun hoofd, hemelwaarts. En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen dat zijn smart heel groot was.»

We kunnen ons het medelijden van de drie vrienden zeer goed voorstellen. Na die zwijgzame week begint Job met praten, en het enige wat hij kan doen is zijn geboortedag vervloeken.

Weer ontroerend: «…de nacht, die zeide: Een jonkske is ontvangen. Die dag zij duisternis.»

De vrienden, die misschien het beste met Job voorhebben, gaan dan met Job redeneren, maar ze zeggen de verkeerde dingen. Elifaz zegt «dat niemand onschuldig lijdt». Je voelt de veronderstelling die hierin besloten ligt: jij, Job, bent dus niet onschuldig.

«… De mens wordt tot moeite geboren, gelijk de vonken omhoog vliegen.» Elifaz zegt ook dat na de straf de zegen volgt als God je maar flink heeft gestraft: «Zie, welzalig de mens, die God kastijdt.»

Job heeft verdriet en zegt : «O, dat mijn verdriet toch goed gewogen werd, en men mijn leed in een weegschaal daarnaast legde! Ja, dan zou het zwaarder blijken dan het zand der zee.»

Job is teleurgesteld in zijn vrienden. Ze begrijpen hem niet. Hij was en is en blijft heus wel een goede kompaan van God. Hij weet alleen niet waarom God dit met hem doet. Hij weet niet waarom «het leven zo zwaar» is. Zijn vrienden blijven de verkeerde dingen zeggen.

Bildad: «God straft naar recht.»

Job: «Ik weet heus wel dat niemand tegen God op kan. Maar ik wil alleen antwoord op de vraag: wat bedoelt God met al dit lijden?»

Zofar: «Job, je zwetst. (‹Zou uw gezwets de lieden tot zwijgen brengen, en zoudt gij spotten zonder dat iemand u beschaamd maakt?›) Als er niets aan de hand met je is, is er gewoon niets met je aan de hand.»

Job: «Je begrijpt me niet. Gods bestuur schijnt willekeur. Ik wil weten waarom. Ik wil mijn zaak aan God voorleggen. En blijkt dat ik een fout heb begaan, laat Hij mij dan sterven.»

De drie vrienden blijven vervolgens bij hun standpunt. Elifaz herhaalt dat de goddeloze te gronde gaat.

«Jullie zijn jammerlijke vertroosters», zegt Job. «Komt er geen einde aan uw ijdele woorden? Wat prikkelt u toch dat u weer het woord neemt?»

Job probeert duidelijk te maken dat hij van het leven niets meer verwacht. Desondanks blijft hij op God hopen. «Maar», zegt hij tegen zijn vrienden, «erken toch dat God mij onrecht gedaan heeft».

De vrienden willen er niet van horen.

Het enige — het blijkt steeds weer — wat Job wil, en dat is toch interessant, is erkenning van zijn staat van zijn. Je zou kunnen zeggen: Job ondergaat een paradox; hij lijkt gestraft te worden voor zijn goedheid, hij wordt veroordeeld tot een leven vol lijden en pijn, waar sterven rechtvaardig zou zijn. Dat kan hem eigenlijk niets schelen, als dat maar gezien, erkend wordt.

Waarom wil hij erkenning? Als hij erkenning krijgt, zou ook blijken dat hij een goed mens was. Dat hij van God houdt, hoe Die hem ook plaagt. Wat Job betreurt, is dat hem wijsheid en inzicht worden onthouden. De wijsheid is voor hem, de mens, onvindbaar.

«De wijsheid dan — vanwaar komt zij, en waar toch is de verblijfplaats van het inzicht? Zij is onttrokken aan het oog van al wat leeft. (…) Het verderf en de dood zeggen: met onze oren hebben wij haar gerucht vernomen. (…) Zie… de vreze des Heren — dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht.»

En Job blijft zijn onschuld betuigen. Het is opvallend dat Job eigenlijk alleen maar vragen stelt, niet alleen aan God, maar ook aan zijn vrienden en ook aan zichzelf. Vandaar dat hij ook uitkomt op de vraag waar en wat eigenlijk het inzicht is. Zijn antwoord is in wezen de logische conclusie van zijn terechte geloof in God. Want stel dat je de Here niet zou vrezen, waar zou dan het inzicht zijn…

Gevaarlijk…

Bij de mens, namelijk.

De mens is dan ook degene die antwoord kan geven op de vraag wat inzicht is…

Op dat moment neemt het verhaal trouwens een eigenaardige wending. Roman-technisch gezien weer interessant. De drie vrienden weten niets meer te zeggen omdat Job «in eigen ogen rechtvaardig was.»

Er blijkt nog een vijfde persoon aanwezig. Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet. Die jongen heeft zich enorm zitten ergeren: «Ik ben nog jong en gij zijt hoogbejaard», begint hij iedereen te beledigen, «daarom schroomde ik en vreesde u mede te delen wat ik weet. Ik dacht: laat de ouderdom spreken (…). Niet de bejaarden hebben de wijsheid, en niet de ouden verstaan wat recht is.»

En Elihu legt uit dat God natuurlijk op verschillende wijzen tot de mens spreekt, want «God is meerder dan een sterveling» en ook zegt de jongen dat «God niet onrechtvaardig handelt».

Wat Job fout doet, stelt de jongen, is twee dingen: het feit dat hij God vragen stelt, en antwoorden wil hebben.

Job wil daarmee gerechtigheid en gerechtigheid baat wel de mens, maar niet God. God plaagt Job, omdat Job eigenlijk bekeerd moet worden.

Job zwijgt — waarschijnlijk vindt hij de jongen te dom voor woorden.

De vrienden zwijgen ook. Elihu ook.

En toen…

Toen kwam er een storm. En uit die storm komt God tevoorschijn en begint te spreken.

God doet nu iets wat tamelijk wreed is. Hij stelt zo’n honderd vragen — de meeste retorisch — waarop Job geen antwoord kan geven: «Waar waard gij toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! (…) Wie heeft de zee met deuren afgesloten, toen zij bruisend uit de moederschoot kwam?»

Het is vernederend en verschrikkelijk en Job kan alleen maar zijn schouders ophalen. «Ik weet het niet, Mijnheer, ik bedoel: U hebt alles gedaan, o grote God.» Of in zijn eigen ontroerende woorden: «Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar ik doe het niet weer.»

Daarna geeft God aan Job nog een beschrijving van een nijlpaard en een krokodil waaraan Job zich moet spiegelen als hij sterk wil zijn, waarna Job boete doet in stof en as.

Want ja, hij heeft getwijfeld. Maar nu hij God heeft gehoord en gezien, weet hij dat dat twijfelen fout was.

God is ook boos op de vrienden, want die hebben niet over Hem gesproken zoals Job dat heeft gedaan, namelijk altijd goed, en God wil ze alleen beschermen als Job voor ze bidt. Dat doet Job natuurlijk. En de Heer verdubbelde vervolgens Jobs vermogen en laat hem honderdveertig jaren oud worden.

Eind goed, al goed, zou je zeggen.

Dat nu is verkeerd gezien van God.

Wat gebeurt er in dit verhaal? Eigenlijk eenvoudig: de satan valt Gods waarheid aan. De satan vraagt: Wat is nu waar en waarheid, God? Wat gebeurt er als je de mens aan het twijfelen brengt?

«Ik zal je eens wat laten zien», zegt God dan. Dom. Want God kan alleen maar antwoorden met: «Ik ben de waarheid.» Door Job te laten twijfelen, geeft Hij de mens als het ware het vermogen tot twijfelen als uitgangspunt.

Eerst was twijfel nog een ongelukje, een incidentje, maar nadien kan twijfel gezien worden als een menselijke ervaring. Juist een redelijke, rationele manier van denken heeft twijfel van node — het kan niet zonder. Door Job zien we twijfel als een zuiver menselijk bestanddeel; dat wat de mensen vormt.

Twijfel is, als het ware, een uitgangspunt geworden van de mens.

En twijfel tart de waarheid.

Humanisten als Piet Spigt en Jaap van Praag mochten in dit verband graag wijzen op het allereerste Idee van Multatuli: «Misschien is niets geheel waar, en zelfs dát niet.»

«Het is de beschrijving», zoals de humanist Spigt zegt, «van een beginsel, het beginsel van de stelselmatige vraagstelling: is dat waar we van overtuigd zijn, nog wel juist? Het is de bereidverklaring tot het zich voortdurend rekenschap geven.»

Twijfel als uitgangspunt is juist de oplossing voor degene die niet gelooft of niet kan geloven.

De vraag van de satan heeft God, zou je kunnen zeggen, in een gewetensconflict gebracht. Om Zijn gelijk te halen, moest hij Job laten lijden én twijfelen; en Job moest laten zien dat hij niet twijfelde aan God, zelfs als hij ernstig leed. Dat deed hij, maar op zichzelf is dat niet belangrijk. Dat mensen kunnen twijfelen, moet de satan al genoeg zijn geweest. Twijfel kon nu een houding worden, een attitude. God had twijfel gezaaid bij Job.

Hiervoor moeten we de satan dankbaar zijn.

Je bent nieuwsgierig naar wat Job in de jaren die hem nog restten dacht over zijn ontmoeting met God en over zijn tijd dat hij door God werd geplaagd.

Je wilt weten welke lessen hij heeft getrokken.

Hij weet dat God bestaat — Oi. Maar hij weet ook dat zinloos lijden bestaat — Oi. Hij weet ook dat twijfel bestaat — Oi.

Beseft hij dat hij een speelbal is geweest? Beseft hij dat volgens zijn en Gods normen twijfel een zonde is, terwijl hij juist het enige richtgevende aan de menselijke wijsheid is? Beseft hij dat inzicht juist is gelegen in het voordurend stellen van vragen? Beseft hij dat er andere waarheden mogelijk zijn? Beseft hij dat je je lot ook in eigen hand kunt nemen?

Beseft Job dat hij pas een mens werd door te twijfelen. Pas door de antwoorden die hij aan zijn vrienden gaf, wist en begreep Job waarom hij leefde en wat de zin van zijn bestaan was.

Is Job naïef? Heeft God Job naïef gehouden, of naïef gemaakt?

En God zelf?

Schaamt Hij zich?

Ik denk het wel. Hij heeft ons namelijk de twijfel laten behouden — Hij moet hebben geweten dat Hij daarmee Zichzelf voor een deel uitvlakte.

Hij moet hebben geweten dat een zinvol leven ook zonder Hem kan, hoe almachtig Hij ook is.