Émile Zola, De misstap van pastoor Mouret

Mens, natuur en God

Émile Zola

De misstap van pastoor Mouret

Uit het Frans (La Faute de l’abbé Mouret, 1875) vertaald door Floor Borsboom

Wereldbibliotheek, 334 blz., e 17,90

Hoe vroom de jonge pastoor waarmee een Provençaals dorpje gezegend wordt wel niet is, bewijst de mis die meteen aan het begin in extenso door hem gelezen wordt, argwanend gevolgd door zijn huishoudster. De vroomheid stijgt de pan uit in zijn geëxalteerde devotie voor de heilige Maagd: erotiek die mag. Van Haar daarboven vraagt hij verlost te worden van de voortplantings woede alom en de hele aardse werkelijkheid, de biotoop van zijn geestelijk achterlijke maar lichamelijk voorlijke zuster. De aspirant-heilige krijgt tyfus. In het tweede deel ontwaakt hij in de grote tuin waar hij door oom dokter ter genezing naartoe gestuurd is. Van zijn vorige leven weet hij niets meer. Geen wonder dat zijn hoofd op hol gebracht wordt door het daar woonachtige natuurkind Albine. Meer in de geest van de roman is te zeggen dat de jongeman en het jonge meisje in verzoeking worden gebracht door de (duivelse) natuur. Honderd pagina’s lang dwalen zij in hun paradijs rond (Paradou heet het landgoed), in alle onschuld tot ze van wellust bezwijken. Na de daad schamen zij zich in het be sef dat ze gezondigd hebben. Terug in de pastorie wordt hij weer de brave priester, met bezwaard gemoed, maar als de verleidster hem opzoekt ziet ook zij dat een herhaling uitgesloten is en bezwijkt aan haar verdriet.

Je weet niet wat je leest: 125 jaar geleden, en wat een andere wereld. Niet alleen dat dit plattelandsleven al lang niet meer bestaat, zo het al bestaan heeft, verbazingwekkender is de manier van schrijven. Zola doet alsof de wereld geheel in orde zou zijn wanneer de mens de natuur en zichzelf beheerst. De paradijsepisode is meer dan kitsch, toch moet je dit weelderige bomen-, planten- en dierenalbum anders noemen. Een uitpuilende encyclopedie zwellend door de duivelse vruchtbaarheid van alles wat natuurlijk is. Het schrijven dient ter bezwering, geen detail blijft uitgespaard – zoals welbespraakte boetepredikers voorheen de arme gelovigen in kleuren en geuren Sodom beschreven. Tegelijk heeft het iets onnozels, vooral als je bedenkt dat dit na Flaubert geschreven is, die zulke verheven gevoelens met sardonisch genoegen naar de grond had gehaald. Misschien is het allemaal beter te begrijpen als je de roman uit 1875 in de twintigdelige cyclus Rougon-Macquart situeert, of leest tegen de achtergrond van de quasi-theorie van het naturalisme en Zola’s «experimentele roman» (een term die tot veel misverstanden heeft geleid, ze had niks met schrijftechniek te maken).