Mensbeeld

Nederland lijkt niet bepaald op weg naar een samenleving waarin vertrouwen de grondtoon is. Eerder omgekeerd. Dat heeft ook effect op overheidsbeleid.

ALLE OGEN in politiek Den Haag zijn deze week gericht op wat er zich zo'n zeven jaar geleden in Den Haag afspeelde toen Nederland politieke steun verleende aan de inval van de Amerikanen en de Britten in Irak. Gaat de meerderheid in de Tweede Kamer alsnog uit principe inzetten op een parlementaire enquête, om daarmee tegenover premier Balkenende, die zo'n enquête jarenlang heeft tegengehouden, te benadrukken dat het de Tweede Kamer is die het kabinet controleert? Of vertrouwt de Kamer erop - uiteraard na grondige bestudering van het dinsdag verschenen onderzoeksrapport - dat voorzitter Willibrord Davids en zijn commissieleden hun werk inderdaad in alle onafhankelijkheid hebben verricht? Of zal het oordeel van een politieke partij over wel of geen enquête helemaal niks te maken hebben met principe of vertrouwen, maar met berekening? Het kan tenslotte politiek gezien lonend zijn om CDA-politicus Balkenende - immers de hoofdrolspeler - juist nu onder vuur te nemen en dat niet nog eens uit te stellen tot na een enquête. Dat geldt bijvoorbeeld voor de oppositie, maar voor coalitiegenoot PVDA zou dat wel eens complexer kunnen liggen.
Vertrouwen, of wantrouwen zo u wilt, speelt in de afweging die politieke partijen daar deze dagen over moeten maken een belangrijke rol. Net als bij de kiezers: geloven ze in de oprechtheid van de beweegredenen voor een stellingname van een politieke partij of denken ze dat er een addertje onder het gras zit, zoals Balkenende-pesten of coalitie-per-se-overeind-houden.
Terwijl de hoofdrolspelers daar deze week mee bezig zijn, wordt op de achtergrond gestaag verder gewerkt aan plannen om na de klap van de financiële en economische crisis de overheidsfinanciën in de toekomst weer op orde te brengen. Dat gebeurt niet alleen in de negentien ambtelijke werkgroepen die daarvoor in het leven zijn geroepen, maar ook binnen politieke partijen, vakbonden en andere gremia.
In de discussies die daarover openlijk al gevoerd worden, maar die zeker zullen losbranden als de resultaten van de werkgroepen in het voorjaar naar buiten komen, speelt vertrouwen eveneens een grote rol. Het lijkt dan wel te gaan om de 35 miljard euro die er gaandeweg bespaard moet worden door de overheid, in werkelijkheid gaat het in het politieke debat om een mensbeeld: vertrouw je op de mens of niet. Dat klinkt misschien vreemd, maar de logica daarachter is deze: wantrouwen kost geld, vertrouwen hebben is goedkoper.
Vijftien jaar geleden schreef de Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama het boek Trust, veel minder bekend dan zijn The End of History. Fukuyama had voor Trust in verschillende landen onderzoek gedaan naar de mate van onderling vertrouwen en gemeenschapszin. Hij ontdekte dat in landen waar het vertrouwen groot is en mensen spontane gemeenschapszin aan de dag leggen de welvaart groter is dan in landen waar wantrouwen de grondtoon is. Dat klinkt logisch. Als je elkaar wantrouwt, moet alles via regels, protocollen, toezicht en controle. Dat kost veel tijd en geld.
In december heeft het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA een rapport uitgebracht met de ondertitel: ‘een christen-democratische visie op het belang van vertrouwen’. Het CDA wil graag 'vertrouwen op de eigen kracht van mensen’. Dat is een zinsnede die D66 bekend in de oren moet klinken, want die partij bracht in de zomer een klein boekje uit met exact die titel. En de VVD kwam vorige week met een lijst van honderd te schrappen regels. De gedachte daarachter was… juist ja, al verwoorden de liberalen dat liever met eigen verantwoordelijkheid.
Het klinkt zo mooi: uitgaan van vertrouwen. Maar je gevoel zegt dat Nederland nu niet bepaald op weg is naar een samenleving waarin vertrouwen de grondtoon is. Eerder omgekeerd, want van geschiedenissen als die van de DSB-bank of de Amsterdamse Noord-Zuidlijn groeit je vertrouwen in de mens niet erg.
De vraag is natuurlijk ook welk effect het heeft op overheidsbeleid als vertrouwen de grondhouding is. Neem bijvoorbeeld het korten van de duur van de WW. De hoogste ambtenaar van het ministerie van Economische Zaken, Chris Buijink, opperde een ingreep in de WW in zijn traditionele nieuwjaarsartikel in het blad ESB. Volgens de secretaris-generaal stimuleert een kortere werkloosheidsuitkering de arbeidsparticipatie. Vooral voor hen die ouder zijn dan 55 jaar is zijn voorstel bedoeld. Die groep is gemiddeld 31 maanden werkloos na het verlies van een baan, terwijl het totale gemiddelde van de werkloosheidsduur negentien maanden is. Daar valt dus wat te verdienen.
De aanname die aan Buijinks voorstel ten grondslag ligt, is dat werkgevers oudere werknemers graag in de WW dumpen, zeker vlak voor hun pensionering, en dat oudere werknemers ook graag van die regeling gebruik maken. Buijink noemt het een 'aantrekkelijke uittreedroute’. Zijn plan lijkt een schoolvoorbeeld van wantrouwen, uitgaande van calculerende werkgevers én werknemers. Maar het kan even goed verklaard worden als komend vanuit het vertrouwen in de oudere werknemer die op eigen kracht wel weer aan de slag komt.
Hoe zal het verkocht worden door een politieke partij die het voorstel overneemt? Tien tegen een dat het via de band van het vertrouwen gaat. Maar daarmee wordt wel voor oudere werknemers opnieuw het sociale stelsel uitgekleed. Waarom niet omgedraaid en erop vertrouwen dat er in toekomstige tijden van krapte op de arbeidsmarkt alles aan gedaan zal worden om oudere werknemers aan de slag te houden, maar dat voor hen die het echt nodig hebben het vangnet blijft van drie jaar WW?
Fukuyama is in Trust ook op zoek gegaan naar de bronnen van vertrouwen. Wat blijkt volgens hem? 'Vertrouwen is geen gevolg van rationele calculatie, het komt voort uit bronnen zoals de godsdienst of ethische gebruiken, die niets met de moderniteit te maken hebben.’