Europese Literatuurprijs 2021

Menselijke sporen

In een wereld die streeft naar orde is de rivier verwarring en onvoorspelbaarheid. De natuur, en dan vooral de natuur die verstoord is door de mens, vormt de kern in Esther Kinsky’s Langs de rivier.

Esther Kinsky is behalve ‘roman’schrijver ook dichter, essayist en vertaler © Yves Noir

De rand van grote steden verkeert in een staat van voortdurende verandering. Op oude woonwijken worden haastig nieuwe geplant, alsof een ondoordringbare korst het verleden moet bedekken. Half gesloopte bedrijventerreinen en fabrieken brokkelen langzaam verder af. Tussen afbraakbuurten, nieuwbouw en vervallen industrie ligt niemandsland, waar het vuil zich ophoopt en de natuur koppig probeert nieuw gebied te veroveren. Vaak wordt dat weer verdrongen door de bouwwoede van de uit haar voegen barstende stad. Niet zelden loopt er door zo’n rafelrand een rivier die dat wat vreemd is de stad in en uit laat stromen.

Het oosten van Londen is zo’n rafelige rand en het is de rivier de Lea die de stad van de leegte scheidt. En daar leidt de naamloze ik-vertelster van Langs de rivier, de tweede roman van de Duitse schrijfster Esther Kinsky die in het Nederlands is verschenen, een ‘provisorisch bestaan’. Ze stelt nogal raadselachtig dat ze zichzelf uit het leven heeft geknipt dat ze in de stad had geleid, ‘zoals je een figuurtje uit een landschaps- of groepsfoto knipt’. Ze woont in een goedkope woning tussen de verhuisdozen en vult haar dagen voornamelijk met dwaaltochten langs de nabijgelegen Lea. ‘Ik liep altijd stroomafwaarts, elke keer een stuk verder, en hield me vast aan de rivier als aan een touw bij het balanceren over een smalle loopplank.’

De vertelster rept van ‘verzuimde afscheidstaferelen’ en van de doden van wie ze droomt, haar vader, grootouders, kennissen. Maar wat haar precies in een staat van permanente melancholie heeft gebracht, wat de aanleiding was om een tijdje provisorisch te leven, daar laat ze zich niet over uit. De lezer komt nauwelijks iets over haar biografie te weten, behalve dat de rivier van haar kinderjaren de Rijn was, in een tijd dat de sporen van de oorlog nog te zien waren in de zwart-bruine stompen die aan de oever stonden, de restanten van bruggen, en de mannen nog handen of benen misten, omdat die in de oorlog waren afgerukt. ‘Oorlog’ was een woord dat ‘een doorn was in het vlees van onze kindertijd’.

In feite heeft de ik-figuur het meest weg van de ondefinieerbare spullen die door een rivier worden meegevoerd en waar ze zelf zo’n grote fascinatie voor heeft, spullen waarvan onduidelijk is waar ze vandaan komen en onbestemd waar ze eindigen. Ze bewegen mee met de stroom, worden soms ergens neergeworpen als het peil van het water zakt, om weer meegesleurd te worden door de woeste kolken bij stijgend water.

Zo is de ik tijdelijk gestrand aan de randen van Oost-Londen, in een buurt die wordt bevolkt door vrome joden, migranten en andere buitenstaanders. Er lopen Afrikanen door de straten, rasta’s, zwart gesluierde vrouwen. Er is de Kroaat met de dunne lippen, die een soort kringloopwinkel heeft waarmee hij oorlogsvluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië steunt. Er is Greengrocer Katz en de kosjere winkel van Mrs Stoller, die met haar overdadige pruik achter de kassa zit. Geregeld branden huizen af en laten niemandsland ontstaan midden in de straat. In de brandgevaarlijke oude huizen slapen meerdere Oost-Europese mannen in een klein kamertje. Als de ik bij de omheining rond het stuk niemandsland staat, hoopt ze ‘dat de wind, die gelukkig meestal uit het westen kwam, half verschroeide snippers met de namen van de verbrande mannen naar de plaatsen zou brengen die ze hun thuis hadden genoemd’.

Er zijn de activiteiten die bij zo’n uithoek van de stad horen: de kermis en markten, spektakels van het ongehoorde en vreemde, waar de ik zich geborgen voelt, omdat ‘vreemdheid het vliegwiel is van de bedrijvigheid’ en de marktlieden bedreven zijn in het bedienen van het mechanisme. Nabij staan ook de woonwagens van de semi-gevestigden, waarvan op het eerste gezicht niet duidelijk is of ze zich bij de straten of bij het gebied langs de oude rivier willen voegen.

Esther Kinsky legt de beweeglijke werkelijkheid zo precies mogelijk vast waardoor die gaat glanzen en stralen

Langs de rivier is bovenal een ode aan het tussengebied, aan dat wat braak ligt, wat onbestemd is – de rivier is daar bij uitstek de verzinnebeelding van. De rivier betekent beweging, schrijft Kinsky, verwarring en onvoorspelbaarheid in een wereld die naar orde streeft. Tegenover de rusteloze autonomie van de rivier ligt ‘het bedaarde landschap van regelmaat en schijnbare leesbaarheid’. En Kinsky heeft geen belangstelling voor wat zich makkelijk laat lezen, maar juist voor de beweging die zich nauwelijks laat vangen. In haar roman doet ze dat door precieze taal te zoeken voor dat wat veranderlijk en wanorderlijk is.

Esther Kinsky is behalve romanschrijver – al heeft ze naar eigen zeggen weinig op met het genre ‘roman’ – dichter, essayist en vertaler uit het Russisch, Pools en Engels; ze vertaalde onder anderen Henry D. Thoreau. Au fond is ze in Langs de rivier ook een soort vertaler: ze zet beelden om in taal en dat doet ze op een waardevrije manier, ze schrijft vanuit het zien en zet de natuur niet ostentatief in als metafoor van de gevoelens van haar hoofdpersoon. In een van de spaarzame interviews met haar gaf ze aan dat het ostentatieve ver van haar af staat; ze wil niets demonstreren, maar overbrengen wat ze ziet: ‘Mij interesseert de vertaling van materie, van dat wat gezien, gehoord, waargenomen wordt in taal.’

En al wordt ze wel een natuurschrijver genoemd, het is niet de ongereptheid die haar aantrekt, maar natuur die menselijke sporen draagt, verstoorde natuur. Vandaar dat ze haar romans ‘terreinromans’ noemt, en terrein mag dan ogenschijnlijk een neutraal woord zijn, het verraadt ook dat het om natuur gaat die door mensen is aangeraakt en het is vooral de mens om wie het haar te doen is.

Het vertalen komt eveneens terug in de rol die fotografie speelt in Langs de rivier. Niet alleen staan er kleine zwart-witfoto’s in het boek – à la Sebald, met wie ze ook vanwege haar onthechte en tegelijk geladen manier van kijken wordt vergeleken – de vertelster heeft ook een obsessie voor fotografie. De ik neemt op haar tochten een polaroidcamera mee en maakt foto’s die in hun vaagheid nooit afbeelden wat ze achter de lens voor ogen had, alsof dat wat achter de dingen ligt is vastgelegd. Ze verzamelt ook ‘gevonden’ foto’s van onbekenden, die ze op straat, op markten of in achterafwinkeltjes vindt. En ook die foto’s, die op hun eigen manier vertalingen van de werkelijkheid zijn, probeert ze weer in woorden te vangen.

De vertaling van beeld naar taal giet Kinsky in vaak lange, ritmische zinnen vol scherp gekozen metaforen. Soms is de taal zelf de metafoor. Een verfomfaaid gebied tussen schroothandels, opslagruimten en vuilnisbelten heeft bijvoorbeeld ‘zijn eigen regels voor leegte en verwildering’ en ‘een eigen alfabet van tekens, die afbrokkelden, roestten en verkoolden’. Elders merkt ze op dat een rivier een ‘hier’ en ‘daar’ schrijft in de aarde, ‘maar vlak daaronder trokken talloze waterige vraagtekens en verstrengelde letters naar beide kanten, het oosten en het westen, een waterscript van verhalen onder, door en over de rivier’. Josephine Rijnaarts heeft Kinsky’s rijke, vloeiende stijl prachtig naar het Nederlands vertaald.

In het snoer van observaties gaat het in Langs de rivier ondertussen over grote thema’s. Het gaat over de grote stad die als een levend organisme voortdurend van gedaante verandert en over de mensen uit de hele wereld die er aanspoelen, verschoppelingen en verdrevenen die geen thuisland meer hebben, mensen die simpelweg zijn vergeten waar ze vandaan komen. De ik ziet alles aan als buitenstaander tussen de buitenstaanders. Ze duidt niet, ze maakt er geen verhalen van, ze legt de beweeglijke werkelijkheid zo precies mogelijk vast waardoor die, in al haar rommeligheid en ordeloosheid, gaat glanzen en stralen.

Als lezer kun je je het best laten meevoeren in de stroom van waarnemingen, zoals de ik-figuur zich mee laat voeren als de verdwaalde spullen, door de rivier opgeslokt en uitgespuugd. Ze volgt de associaties en reminiscenties die haar observaties oproepen aan andere rivieren en landen. Als daaruit iets blijkt, dan is het dat haar overgave aan de stroom voor de wonderlijkste ontmoetingen zorgt. Ze treft goudzoekers en bakstenenverzamelaars, laat zich de hand lezen door een woonwagenbewoonster die haar tijdens een noodweer opvang biedt, wordt in India op sleeptouw genomen door Mrs Bose met haar kleine hondje die voortdurend de loftrompet steekt over ‘the great water body of the Ganges’ en stuit op ‘de koning’, die een hoofdtooi van brokaten doeken draagt en in de turquoise schemering de raven op zijn armen, schouders en handen laat landen.

De Europese Literatuurprijs bekroont elk jaar zowel de schrijver als de vertaler van een roman die volgens een vakjury, dit jaar onder voorzitterschap van Manon Uphoff, de beste is in het Europees taalgebied. De vijf romans die de shortlist haalden worden op deze pagina’s besproken. De winnende titel wordt in het najaar bekendgemaakt. Eerdere winnaars waren onder meer Marie Ndiaye, Julian Barnes, Jenny Erpenbeck en Ali Smith.